top of page
  • 15 jun 2025
  • 8 minuten om te lezen

5 - 13 Juni 2025 Puglia – Torre Rinaldi, Lecce, Otranto, Gallipoli



We blijven een hele week op de supersaaie camping. Om de simpele reden dat de hitte (>30°C) me de lust van het reizen ontneemt. We besluiten om de tijd te nemen om te acclimatiseren. We zwemmen om af te koelen. Althans ik. Wil René trekt serieuze baantje om zijn smart watch tevreden te houden. We schilderen. Al glijdt de verf soms van he kwast af door de warmte. Wil René geeft in de afgelopen weken Ron en Sean geschilderd terwijl ik hem schilderde.

  

De saaie omgeving zorgt ook dat mijn nieuwsgierigheid getemperd wordt. Getemperd maar niet platgeslagen. Ik ontdek dat het een uur fietsen is naar Lecce. Een stad dat gehypet wordt als het Florence van het Zuiden. Als we nou vroeg vertrekken, zijn we de warmte voor. En terug springen we wel het zwembad in. Zo werkt dat dus in mijn hoofd. Wil René vindt het best. Stiekem is hij de saaiheid ook wel zat.


De route is vrijwel vlak en voert ons door een troosteloze omgeving. We zien kale, dode olijfbomen. Kilometers verwaarloosde boomgaarden. Met daartussen hier en daar een verlaten,

vervallen messaria, een boerderij/ buitenplaats. Zou het zo droog zijn geweest de afgelopen jaren, dat de bomen hier massaal zijn doodgegaan? Langzaam herinner ik me iets over olijfboomsterfte. Dat is meer dan 10 jaar geleden toen hier in Puglia plotseling olijfbomen hun bladeren en olijven lieten vallen.[i] Onderzoek wijst een bacterie aan die zich in de boom nestelt en de sapstromen blokkeert. Insecten verspreiden die bacterie heel snel. Een remedie is er niet, nog altijd niet. Wetenschap en overheid besloten, dat er in een strook rond het besmette gebied, alle olijfbomen gekapt moesten worden om de anderen te behouden. Olijfbomen van honderden jaren oud, boomgaarden waar families, hele generaties van en voor hebben geleefd. In een regio waar 40% van de Italiaanse olijfolie wordt geproduceerd.  Complottheorieën ontstaan. Gevolg is dat er miljoenen bomen in heel Italië en daarbuiten zijn gestorven of besmet, én veel bedrijven failliet zijn gegaan in het toch al arme zuiden. De nog levende bomen geven veel minder olijven. En dat drama speelt zich nog steeds af. We zien dat sommige boeren maaien tussen de bomen (minder insecten?), velden met jonge boompjes van andere (resistente?) soorten olijfbomen. We zien enten op oude stammen. Het slechte nieuws is, dat er nog steeds geen resistente variëteit is gevonden en ook geen medicijn. [ii]

Lecce is een prettige stad om te flaneren, de gebouwen zorgen voor schaduw nu het nog zo vroeg is.

Rond het middaguur moeten we echt de stad uit. Dus focus ik me op één onderwerp: papier-maché.  Ambachtslieden, kunstenaars in deze stad werken sinds eeuwen met dit materiaal. In de 17e eeuw ontdekken ze het als goedkoop alternatief voor het dure marmer. [iii]  Met de kerk als belangrijkste

opdrachtgever, maken ze heiligenbeelden op ware grootte, beelden voor kerststallen, vitrines en vensterbanken. Kleine taferelen te koop vanaf 200 euro. Niet perse mijn smaak. Wel technisch knap. Er zijn verschillende ateliers, sommige niet groter dan 10 m2, waar ik naar binnen gluur. Ik heb nog geprobeerd een workshop te regelen, tevergeefs. Ik vond 90 euro pp voor 3 uur ook wel prijzig. Dus blijft het bij bewonderend toekijken.           

Na een week ”acclimatiseren”, met 34 graden als ultieme uitdaging, ben ik het hangen zat. We

gaan onderweg naar de andere kant van de hak: Gallipoli. Ik kies niet de kortste route. Ik wil een mozaïekvloer zien in de kathedraal van Otranto. De kerk heeft er een prachtige digitale rondleiding[iv] van gemaakt, maar ik wil ‘m toch in het echt zien. Otranto heeft, net als veel dorpen in Puglia, Griekse en Byzantijnse wortels. De vloer is een soort stripverhaal van het oude testament. Het bijzondere vind ik de eenvoudige afbeeldingen uit de 11e eeuw, die ik niet ken in de westerse christelijke traditie.  

De kathedraal is helaas ook beroemd vanwege martelaren uit de 14e eeuw, die de bekering naar de islam weigerden en dat met de dood moesten bekopen. Sinds een paar jaar zijn ze door de paus heilig verklaard. Hun botten zijn in vitrines in een kapel tentoongesteld, en trekken zo nog meer (Italiaanse) toeristen naar de kathedraal. Dat maakt het bekijken van de mozaïekvloer lastig. In de kelder van de kathedraal is een kapel met gewelven die rusten op pilaren. Ze doen ons denken aan de kathedraal van Cordoba– een miniversie dan. 

Otranto is een prettige kustplaats. Stadsmuren die boven een heldere azuurblauwe zee uittorenen, waar een frisse, stevig wind staat die me de hete dag doen vergeten. Haventje, strand, gezellig wit dorp met kleine straatjes. Als we weer teruglopen naar de parkeerplaats is de hitte meteen weer terug. Tijd om naar de andere kant van de hak te rijden - met de airco aan én de dakverduistering gesloten. Prima te doen.  


Bestemming is Gallipoli dat we de volgende ochtend verkennen.  We zijn vroeger opgestaan om de vissers hun vangst aan wal te zien brengen en verkopen. Maar als we rond 7 uur langs de havens fietsen, zien we alleen mannen die hun netten boeten. Zijn we te laat of is de genoemde, dagelijkse vismarkt inmiddels oud nieuws? Geen idee. Het is wel aangenaam om door een toeristisch stadje te fietsen zonder toeristen. We zien mensen hun terrassen opbouwen, de

stratenvegers en de bouwvakkers aan de slag zijn. De enige hindernis zijn geparkeerde autootjes en scooters die een straatje blokkeren. Via google vind ik een koffietentje, dat om al half acht open is. Een hele kleine zaak met toog, vitrine en twee tafeltjes met twee stoelen. Het is er druk met een komen en gaan van mannen. De meesten met gespierde armen vol met tattoos. Ze drinken hun koffie staande, nemen een croissantje of andere lekkernij mee. Ik voel me een vreemde eend in de bijt.  

Het is nog maar 8 uur als we terugfietsen naar de camping. Het waait stevig en de zon brandt nog niet zo hard, dus fietsen nog een eindje door langs de kust. Twee dorpen verderop fietsen we langs een terrasje in de

schaduw, dat uitkijkt op een kleine baai waar mensen in het water staan te kletsen. We zien deze dagen sowieso weinig zwemmers in zee, alleen praters en spelende kinderen. Het terras bevalt zo goed, dat we het tot 10 uur volhouden. Ik kies uit de vitrine een klein citroengebakje voor bij de koffie. Het ziet eruit als een ijsje op zijn kop. Verrassing - het is echt een ijsbolletje verpakt in citroenchocola.


Terug op de camping gloeit de hitte alweer. Het is een mooie groene camping en we staan onder een boom. Alleen blokkeren de bomen ook de wind – het kwik stijgt wederom

tot 34 graden. Het water in het kleine zwembad kent een hoog chloorgehalte, en raakt zijn kou kwijt aan de zon. Wel nog koud genoeg om af te koelen. Terwijl Wil René gaat schilderen, doe ik, net als de Italianen, een middagdutje - in de hoop dat de middag sneller voorbijgaat, én mijn buik tot rust komt die sinds gisteren aan het rommelen is. Nadeel van zo’n dutje is dat ik gaar en warm wakker wordt. Snel boodschappen doen bij de supermarkt om de hoek. Met ’n bijzonder straf bakje koffie in de airco-gekoelde koffiecorner, knap ik weer op. We doen lang over onze boodschappen, wetende dat na de schuifdeuren de warme wind wacht. Na zevenen wandelen we de camping af naar de zee om, zittend op de rotsen met een koel briesje, de zon in de zee te zien zakken. We zitten oostelijker dan Nederland, om half negen is het donker.


De volgende ochtend staan we weer vroeg op. Het is weekmarkt in Gallipoli, een grote

streekmarkt met naast groente, fruit, kaas, bonen en olijven ook schoenen, beddengoed, cd’s, elektronica, 1-euro prullaria, vintage-kleding waar je tussen kunt graaien. En ook jurken. Ik wil nog een dunne jurk kopen. Thuis draag ik zelden jurken en hier sinds twee weken iedere dag. Na verscheidene kramen en dito gepaste jurken, vind ik een eenvoudig olijfgroen exemplaar. De lengte komt vooral ’s avonds van pas met al die muggen. Een Italiaanse klant verzucht tegen de verkoper dat zo’n jurk heel goed kan als je lang bent. Zelf is ze zo’n 1 meter 50 en nog net niet kogelrond. Om 8 uur vluchten we alweer van de markt. De zon brandt op deze betonnen vlakte. We fietsen verder zuidelijk langs de kust naar een lange reep strand. Beetje Scheveningen voorbij de boulevard. Strandtenten met parasols en bedjes afgewisseld met stukken vrij strand. De rotskust is hier bedekt met geel zand, maar pas op! er liggen rotsen tussen

dat zand, waarschuwt een bordje. Het is nog vroeg maar bij een van de strandtenten mogen we al binnen. Loungemuziek, witte houten vloer, lekker briesje en uitzicht op zee – tussen de parasols doorkijkend. Schot in de roos, we blijven er zelfs hangen tot na 12 uur. Net als op alle stranden proberen verkopers sierraden, handdoeken, hoeden, zwembaden, kokosnoten of harenvlechten te verkopen. En jurken. Een man trekt een hele kar beladen met jurken door het losse zand. Helaas, maar ik heb genoeg jurken gepast voor vandaag.     

Tegen de avond gaan we weer naar Gallipoli, een stadje dat op een schiereiland voor de kust is

gebouwd en met een brug verbonden is aan het vasteland. Hoge muren beschermen de voormalige Griekse stad tegen de zee en, in vroegere tijden, tegen de Byzantijnen, de Normandiërs en Spanjaarden. Waren vroeger visserij en handel de belangrijkste inkomstenbron, nu is het duidelijk toerisme. Als we een rondje fietsen langs de vestingmuren en de zee, is het druk met flanerende mensen. Vooral de westkant, waar straks de zon in de zee verdwijnt. Wil René filmt deze kant van de stad (zie video). Morgen doen we de oostkant wel - teveel tegenlicht. Idealiter film je zo'n stad rond het middaguur dan maakt de positie van de drone niet zoveel uit. Maar met deze temperaturen ga je dan niet vrijwillig een stad in. We wandelen een stukje door de smalle straatjes waar we gisteren doorheen fietsten. Met zoveel mensen is dat vanavond niet te doen.


Dus weer de wekker gezet. Als we op de kade tegenover het stadje staan, zien we vissers hun vangst op de kade uitstallen. De vismarkt! Mijn beeld was letterlijk een markt. Hier vaart af en toe een bootje naar de kade en zet een paar piepschuim bakken met nog spartelende vissen op de wal. Een kleine schare mannen bekijkt de vangst, kletst vooral en sommigen kopen een paar vissen. Totdat het volgende bootje aanlegt en de mannen zich nieuwsgierig verdringen om de nieuwe vissen te zien. Dit is dus de vismarkt. Het levert toch een paar mooie plaatjes op.

Na drie dagen Gallipoli verlaten we Puglia, de hak van de Italiaanse laars. We wagen ons weer in het verkeer. “Ik snap niet dat ze in Italië knipperlichten hebben geïnstalleerd in auto’s. Ze gebruiken ze nooit. Het zou het rijden een stuk prettiger, vloeiender maken”, ergert Wil René zich. Mijn irritatie zit in snelheidsborden. Rij je op de snelweg, staat er regelmatig een bord 50 met verboden in te halen voor vrachtwagens. Waarom is volslagen onduidelijk. Als ik dan snelheid minder, word ik voorbij gescheurd door vrachtwagens. Bij wegwerkzaamheden - althans misschien waren ze daar een paar jaar geleden mee bezig, gezien het onkruid op de afgesloten rijbaan - is het snelheid minderen naar 60, meestal 50 en soms 30km. Als ik me dan (soms) aan de snelheid houd verzamel ik een lange rij auto’s achter me. Ik word dan ook vaak hoofdschuddend ingehaald, ook bij doorgetrokken strepen. Zelfs door auto’s van wegwerkers. Misschien zien Italianen de roodgerande borden toch meer als een advies.

Geef mij dan maar deze groene auto.


[i] Artikel National Geographic 2018 Gevaarlijke ziekte velt Italiaanse Olijfbomen.

[ii] Videobrief Het einde van de olijfboom? uit 2019 van Stefano Cattini

[iii] Ontwikkeling van Papier-marché in Lecce

[iv] Digitale rondleiding Vloermozaïek kathedraal van Otranto

  • 5 jun 2025
  • 8 minuten om te lezen

26 mei – 4 juni 2025, Vieste, Monopoli, Conversano, Castellana Grotte, Torre Rinaldi

Vieste ligt op het puntje van het schiereiland dat op de landkaart de sporen van de Italiaanse laars

lijkt. Uiteraard gaan we met de fiets het stadje in om boodschappen te doen en rijden meteen naar het oostpuntje van het oude centrum. Bijna, want een klooster blokkeert de weg naar dat puntje. Fietsen is sowieso een uitdaging voor een plaats met zoveel trappen. Uiteraard in het oude centrum maar ook in de rest van het stadje stuiten we

regelmatig op een trap aan het einde van een straat.

De camping blijkt een dorp te zijn met hotel, appartementen, huisjes, winkeltje en een camping. Het allerfijnste een zwembad. Een gevuld zwembad – want onderweg diverse lege zwembaden gezien. Maar 1 juni komt dichterbij en hier wordt zelfs een tweede zwembad gevuld, er worden geraniums gebracht en onkruid uit de borders gehaald. In het stadje zijn ze bezig de kerstverlichting weg te halen. Of ze dat voor 1 juni gaan halen betwijfel ik maar ach, het geeft sfeer.


Wil René gaat zodra we de camper hebben staan, de watertemperatuur opmeten en komt enthousiast terug: 22 graden. Dus we gaan zwemmen. Dit voelt als vakantie.


Een camping betekent ook dat we weer kunnen schilderen en gestaag groeien onze portretten. Het schilderen zorgt er ook voor dat we mensen spreken. Want er komt altijd wel iemand kijken en dat mag, want er is nog nooit iemand komen kijken die zegt: mwah, dit vind ik niks. Deze keer komt Jan buurten. Hij en zijn vrouw kamperen met een caravan met twee zijdeuren. Als de grote deur open gaat, staat er een motor in. Een paar dagen later zie ik Jan zitten voor de caravan met een afwasteiltje in zijn armen en een kapmantel om. Zijn vrouw Nel is ‘m aan het knippen. In de teil gaan zijn haren. Ik trek de stoute schoenen aan en vraag of ze mij ook wil knippen, nog niet wetend dat Nel kapster is sinds haar 15e. Dat wil ze wel doen. “Wil je dat ik mijn haren nat maak?” “Nee, ik knip altijd droog dan kun ik veel beter zien wat je haar doet en hoe het valt. Zal ik een bob knippen?” Uh, dat lijkt me prima, nog nooit gehad. Dus ga ik op het vissersstoeltje zitten, met

het teiltje op mijn schoot. “Ik heb geen klemmen bij me maar met wasknijpers zal het ook wel

gaan.” En dat klopt. In het teiltje valt de ene na de andere grijze lok. Ze scheert mijn nek nog uit, fixeert een aantal lokken en geeft instructies hoe ik het beste kan drogen: mousse erin, niet kammen, en als het droog is in de vorm knijpen. “En?” vraag ik Wil René, “is het wat?” Ik heb het eindresultaat zelf nog niet gezien. “Het maakt je een stuk jonger.” Nieuwsgierig ga in de spiegel kijken. Het ziet er inderdaad goed uit. Die dag kijk ik vaker dan normaal in de spiegel, het is wennen dat mijn nieuwe kapsel. In het dorp haal ik twee flessen wijn als dank-je -wel.   


Vieste is een vissersplaats zoals veel van de dorpen en stadjes langs de kust. Gebouwd op ‘n rots die boven de zee uitstijgt en waar mensen vanwege de warmte witte gepleisterde huizen hebben gebouwd die dicht op elkaar staan. Wil René heeft er een video van gemaakt.


Na vier dagen vakantie is het tijd om Puglia verder te ontdekken. We zigzaggen langs de kust met prachtige uitzichten op zee en kleine baaitjes. De zigzagroute duurt 10 km langer omdat de doorgaande weg is afgesloten. Geen straf hoor.


Als we schiereiland verlaten komen in een vlakte die aan Spanje[i] doet denken. Droog, zanderig, grote olijf- en wijngaarden, plastic velden.


Bestemming vandaag is Monopoli. De buurvrouw had op de radio gehoord, dat er in de buurt van Bari een ukelele festival was. Dat blijkt de stad Monopoli te zijn, dat iets zuidelijker aan de kust ligt. Er ligt een camping op n kwartiertje fietsen van het centrum. Rond vijf is er open podium en daarna zijn er wat kleine concerten op pleintjes. Een nieuw vrijliggend fietspad zorgt dat we snel in de stad inkomen, waar we weer eens verdwalen in de kleine straatjes op zoek naar het eerste podium. Hier geen trappen, wel doodlopende straatjes.

Overal zien we mensen met kleine gitaartassen op hun rug, dwalen door de stad. Ukeleles lijken kleine gitaren, alleen hebben ze maar 4 ipv 6 snaren.

Deze avond maak ik kennis met muziek waar de Ukelele een rol in speelt. Veel jaren ’20 swingmuziek[ii], eigentijds new age met looppedaal, latin, reggae. Niet alles is mijn smaak. Maar de context maakt wel veel goed.

Vol van muziek fietsen we in het donker terug naar de camping.

 

Het Ukelelefestival is het hele weekend evenals het Kersenfeest in Conversano. Dat stadje ligt 25 km het binnenland in, dus maken we daar een fietstocht van. Langzaam stijgen we langs olijfbomen. Van die hele oude met stammen die van klei geboetseerd lijken. Langs overdekte druiven, amandelbomen, tomaten. Langs gestapelde muurtjes, met wilde bloemen er naast, bloeiende cactussen en vlak voor het stadje zien we pas kersenbomen. 


Het kersenfeest blijkt niet echt een concurrent van het ukelele festival. De markt van 30 kramen is

“iets” kleiner.  We tellen 10 kraampjes waarvan de helft gesloten is. Verder is er weinig te merken van het feest. Ook geen versiering met kersen wat ik wel had verwacht. Dan blijft over: kersen proeven. De trots van de streek is de kers Ferrovia. Deze “spoorweg” kers is wel echt lekker. In dit

stadje in het midden van de Italiaanse hak, zit alles dicht tussen 13 en 17 uur, ook de markt, ook de kerken en het museum. We blijven een tijdje hangen op een terras in de schaduw. Ik neem een tweede kop koffie, tot verbazing van de ober. Hij kent niet veel mensen die zo’n sterke maag hebben dat ze zoveel koffie kunnen drinken. Waarop ik weer verbaasd ben, want het zijn pas mijn eerste twee koppen van de dag. De terugweg is warmer maar omdat het bergafwaarts is, voelt dat niet zo.


De volgende dag staat de toeristische attractie van deze streek op het programma: Alberobello. Nou eigenlijk zijn de Trulli de attractie: huisjes met grijze puntdaken. Onderweg zagen we hier en daar al wel een paar in het landschap. In dit stadje is een wijk waar er veel bij elkaar staan. Een halfuur rijden, om dan met open mond te kijken naar de bussen, die kolonnes toeristen uitspugen die zich een weg banen naar en door de wijk. Voordat we ons in die massa begeven, gaan we een expositie bekijken waarvan ik poster zag in Conversano. In het buurthuis hangen enkele

werken van rebelse kunstenaars zoals Banksky.

Met de werken die ze veelal buiten het museum maken, houden ze ons een kritische spiegel voor. Er hangen een paar prachtige afbeeldingen: bijvoorbeeld van de Italiaanse TVBOY[iii]. De kerstman als ongewenste vreemdeling uit 2020 is nog altijd actueel, helaas.


Na de lunch durf ik het wel aan om me in de drukte te wagen. Wil René bekijkt het wel van boven. Het zijn grappige middeleeuwse boerenhuisjes die oorspronkelijk zonder cement met kalkstenen zijn gebouwd. [iv] De daken zijn gestapelde stenen en evenals de muren dik, wat goed isoleert. Een trullo is  echt een tiny house met een vloeroppervlak van 20 á 25 m2. Vaak zijn er dus meerdere trulli die een (vakantie)huis vormen. Pas de laatste jaren zijn de Trulli in de mode. 35 jaar geleden wilde niemand ze hebben en werden ze aangeboden met een aantal hectare grond. Tegenwoordig betaal je voor een bouwval van 2 trulli zo’n 80.000 euro. Wil je meer een kant-en-klaar trulli complex met zwembad reken dan op 5 ton[v].


De rest van middag hangen we in het stadje en in de camper op de parkeerplaats, want ik heb gisteren een avondvoorstelling in de buurt geboekt. Beetje veel prikkels in zo weinig dagen, maar de voorstelling wordt maar af en toe opgevoerd. De volgende is pas weer over 20 dagen. Het is de omschrijving van de voorstelling en de locatie die het spannend maakt. Locatie: grot 60 meter onder de grond. Voorstelling: "multimedia-installatie die dans, stemmen, geluid en licht combineert en de grot als podiumruimte gebruikt en je meeneemt op een buitengewoon avontuur in Dante's Inferno". Hell in the cave  is geïnspireerd op het boek De goddelijke komedie van Dante. Hoewel het in de 14e eeuw is geschreven, denk ik dat iedere Italiaan het kent. Het is in het eerste boek dat in Italiaans is geschreven. Verplichte kost op school zoals ik Beatrijs moest lezen dat ongeveer net zo oud is, en in het “Nederlands” geschreven is. Maar Dante is veel beroemder dan Beatrijs. Zijn boek schijnt het meest vertaalde boek te zijn in de wereld. Toch wel bijzonder dat een middeleeuws, diep christelijk gedicht van ruim 14 duizend verzen nog altijd inspireert[vi].


Voordat wij afdalen in de hel zoeken we een plek om te overnachten. Ik heb gelezen dat je op de parkeerplaats bij de grot kunt overnachten. Als we daarheen rijden worden we tegengehouden en naar een andere parkeerplaats verwezen. Voor 8 euro kunt u overnachten, gebaart de man in het hokje van de parkeerplaats. Als we na het eten, om ons heen kijken, zien we een volledig verlaten parkeerplaats. Het hokje is ook gesloten. Niet echt prettig om je camper achter te laten. We rijden opnieuw richting de ingang van de grot, en zien een andere parkeerplek waar al 2 campers staan, evenals auto’s van andere voorstellingbezoekers. Sokken aan, t-shirt met lange mouwen, trui mee want in de grot schijnt het maar 15 graden te zijn. 


Na een lange introductie in het Italiaans, mogen we door de poortjes en de trap af waar rood licht je al het gevoel geeft dat je de hel nadert. Hoewel ik er geen woord van versta, is de voorstelling wel meeslepend. We zien verdoemden in hun lijden – zij die hebben gezondigd door verraad, afgunst, lust, geldzucht, arrogantie ed. De enorme grot (100x50x60 meter) wordt helemaal gebruikt.. We worden in een hoge, grote grot op een plek neergezet. Pas dan realiseer ik me dat




ik de hele voorstelling moet blijven staan. Er is geen stoel te bekennen. Als ik na 45 minuten op een rots ga zitten wordt ik er meteen afgestuurd want ik zit op het podium en dat is blijkbaar niet de bedoeling. Dus draai ik om mijn as en rek mijn nek om de verschillende scenes te kunnen volgen. In het donker, kruipen spelers krijsend langs me heen. Ondanks dat ik weet dat ze me niets aan zullen doen, vind ik het toch een beetje eng (zie filmpje hieronder).

Vol indrukken, met pijnlijke heupen waggel ik naar de camper. Morgen gaan we naar een hele saaie camping om bij te komen. Welke weet ik nog niet, dat zoek ik morgen wel uit.


Het wordt een saaie, hele saaie camping onder Brindisi. In een saaie omgeving, met een saai (lelijk) strand. Wel met zwembad, dat wel. Een omgeving om aan de stijgende temperaturen te wennen. Tussen de 27 en de 30. Dat betekent strakke blauwe lucht en felle zon. Niet zo fijn want dit jaar heb ik weer eens last van zonneallergie. De zon op mijn huid doet snel zeer en veroorzaakt jeukende bultjes. Dus vermijd ik de zon en met antihestamine kan ik de jeuk onderdrukken maar mijn voorraad is bijna op. Ik fiets (met lange mouwen) naar het dorp, naar de farmacia. Het dorp is uitgestorven op wat bouwvakkers na. De schappen van de Coop zijn leeg en

de rolluiken van de apotheek zijn gesloten. Tja saaie omgeving heeft dus ook nadelen – het is een uur fietsen naar een stad. De camping heeft een oplossing. Via whatsapp kan ik bij de apotheek medicijnen bestellen en dan komen ze het afleveren. En inderdaad, na wat appjes heen en weer worden de pillen, met slechts 3 euro bezorgkosten, om 7 uur ’s avonds bezorgd. Dat is dan weer boven verwachting. 


Op de camping hebben we tijd om te klussen: de hor moet weer gemaakt worden, gebroken zonnebrillen gelijmd, de wc gerepareerd, outlook proberen te fixen (nog niet gelukt). En ik heb eindelijk tijd om mijn verhaal te schrijven. Wil René verwerkt zijn beelden in twee filmpjes. Samen zoeken we dan naar bijpassende muziek. De zoekcriteria zijn sfeer of gebied. Ik lees ergens dat Pizzica een volksdans is uit het gebied van de Trulli. Als ik de muziek via YouTube opzoek, vind ik een filmpje van een liveconcert waar een video van is gemaakt. Ik zie dansers in de straten van Alberobello. Aanstekelijke muziek is het. Het lukt Wil René om stukjes van de video tussen zijn eigen beelden te mengen én de muziek er onder te zetten. Top. Kijk maar

 

Voetnoten 

[i] Gebied bij Almeria en gebied tussen Valencia en Murcia

[ii] Bad Mouse Orchestra (swing ’20), Larissa Leaves (new wave), Le combinate (latin), Adriana Bono (rap-achtig)

 

  • 27 mei 2025
  • 10 minuten om te lezen

19 – 25 mei 2025, San Marino, Urbino, Frontone, Scerne, Tremoli


De republiek San Marino ligt op n uurtje rijden. Dit land hebben we nog nooit bezocht. Voordat we de oude stad bezoeken, gaan we shoppen voor 'n nieuwe polo voor Wil René. In de tweede winkel slagen we maar hij wil daarna toch alle winkels bekijken maar de herenkleding is éénkleurig saai.

Toen we San Marino inreden waren we wat teleurgesteld, want we zagen veel huizen maar begrepen niet waarom het een eigen staatje is, totdat we verder naar boven rijden en de rotswanden zien opdoemen met op de rand de (gerestaureerde) verdedigingsmuren. Parkeren in het ministaatje van 61 km2 is met zoveel hoogteverschillen, is een uitdaging. De meeste van de 30.000 inwoners hebben dan ook kleine boodschappenwagentjes. Voor campers hebben ze een paar plekken gemaakt. We kiezen er een die vlak bij de kabelbaan ligt. We wandelen, nou ik sjok, naar daarheen. Het is maar 10 minuten maar redelijk stijl. Touwen langs het pad helpen me wel.

De gondel gaat ieder kwartier. Als wij aankomen, mogen we 14:50 minuten wachten. In 2 minuten zijn we boven. Dat scheelt me zeker 45 min sjokken. Het uitzicht is fantastisch. We kijken zo naar Rimini en de Adriatische zee die 30 km verderop liggen. Het heuvellandschap aan de andere kant is zeker zo mooi. Dat uitzicht is de reden waarom je deze republiek bezoekt. Verder zie ik vooral horeca en toeristenwinkeltjes in de nauwe straatjes.  Winkeltjes met parfums, tassen, snuisterijen en …. wapens?!?. Aanvankelijk ben ik verrast. Ik zie in de etalage alle soorten pistolen en geweren. Totdat ik dichterbij kom, en zie dat ze plastic zijn. Desondanks blijf ik het onbegrijpelijk dat mensen het als souvenirs zien.

Ik lees dat ze ook een wisseling van de wacht hebben, alleen in juli en augustus. Net als in de rest van de republiek, is toerisme een belangrijke bron van inkomsten. Toch zie ik op het vrijheidsplein twee “wachters” met van die mooie pluimen op hun helm bij de ingang van het paleis staan. Toeval blijkt, een paar zwarte auto’s met CD op hun kenteken duidt op hoogwaardig bezoek van ambassadeurs. Belangrijk genoeg voor de speciale wacht – en die willen best wel voor mij poseren. Dank je wel - Grazie. 


Uiteraard stuurt Wil René zijn drone de lucht in. Als we in een bar de beelden bekijken, is de eigenaar ook wel benieuwd. Want dat hij in een bijzondere plek woont, weet hij wel, maar je stad vanboven zien, is toch wel anders. Na een paar uur zijn we echt wel uitgekeken en gaan met de gondel terug. Uiteraard na 14:15 minuten wachten. Op de parkeerplaats zouden we mogen overnachten, maar de strook zand tussen bomen en struiken voelt niet zo prettig. Ik heb gelezen dat een oude camping aan de andere kant van de stad wel een prima plek is. Ook gratis. Nou dat valt tegen. Twee troosteloze wegen waar je je camper zou kunnen parkeren onder hoge dennen. Misschien dat mensen het mooier vinden als het gratis is….


We besluiten nog een uur te rijden in de richting van Assisi. De route is prachtig slingerend door het landschap. Het asfalt is van duidelijk mindere kwaliteit en gelukkig rijden er aan het eind van de middag weinig auto’s want het is ook niet zo breed. Ik zie op internet dat er bij Urbino twee

parkeerplekken zijn waar ook campers mogen staan. De eerste die we tegenkomen is gratis, maar blijkt afgeladen vol te zijn met personenwagens. Het is er sowieso druk en bedrijvig. Wil René vraagt zich af wat er in het stadje te doen is. We rijden om de stad heen naar de tweede parkeerplaats waar we voor 18 euro mogen staan. Mijn mond valt open. Wat een prachtig uitzicht. Achter ons torent een palazzo hoog achter imposante stadsmuren, en voor ons het licht glooiende groene landschap. Die stad gaan we morgen bezoeken, en inmiddels is duidelijk dat de schoonheid van de stad het vele volk en verkeer verklaart.


Urbino blijkt een belangrijke renaissance stad te zijn. Rafaël is er geboren, wat de stad natuurlijk uitnut. Terwijl hij zijn schilderopleiding in Perugia kreeg en zijn bekendste werk in Florence en Rome maakte. Dat maakt de stad niet minder mooi. Hertog Frederico da Montefeltro ontwikkelde

deze stad door “moderne” kunstenaars uit te nodigen om er “prinsenstad” van te maken. We spreken 15e eeuw. Die kunstenaars bouwden ook zijn palazzo dat nu museum is. De vele zalen zijn volgehangen met schilderijen uit de 14 – 16e eeuw. Dus veel religieuze kunst. Tussen die honderden doeken zitten enkele interessante doeken voor ons als amateurschilders. Atelierstukken waarmee een meester zijn leerlingen toonde hoe een doek werd opgezet en wat hen te doen stond[i]. En tussen al die schilderijen zitten er waarachtig twee van Rafaël[ii].  

We kunnen de toren beklimmen en het uitzicht is mooi (zie video) maar de trap zelf is een plaatje. 




De stad zelf ademt nog altijd die middeleeuwse sfeer uit en nodigt uit tot dwalen door steegjes, die soms scherp stijgen. Gelukkig zit er dan een armleuning tegen de gevel of zijn er de straatstenen oneffen zodat je grip houdt. De beloning is een prachtig uitzicht op de stad en het paleis.

Vol indrukken besluiten we niet nog een nacht op de parkeerplaats te blijven maar een uurtje te rijden naar een camping tussen de bergen in een groene oase. De campingeigenaresse verzucht dat ze nog nooit zo’n rustige start van het seizoen heeft gehad.

Ze denkt dat het aan het slechte weer ligt. Vandaag is het, met 20 graden en af en toe een zonnetje, aangenaam. Ook in de stad. En zoals bijna iedere avond regent het. Ik vind het lekker zo tussen de groene heuvels, op een grasveld met madeliefjes met een kabbelend riviertje op de achtergrond. Ik wil hier wel een paar dagen kamperen. Ik heb niet gerekend met Wil René die een oogarts heeft gevonden, die morgen om 4 uur wel even tijd heeft om zijn klachten te onderzoeken. De klacht is een vlek in het linkeroog. Ik vermoed mouches volantes[iii] waar ik sinds twee jaar ook last van heb. Van die zwervende vlekjes of sliertjes in je oog. Maar zekerheidshalve laat hij ook kijken of het netvlies niet aan het loslaten is. Die oogarts zit aan de kust, 40 km verderop, 1 uur rijden.

De ochtend is het stralend weer. Van de campingeigenaresse mogen we later vertrekken dan het gangbare: vóór 12 uur. Dus kunnen we nog schilderen. De oogarts houdt spreekuur samen met een dozijn andere specialisten in een gebouw. Dus in de wachtkamer zitten mensen die komen voor een Chinese geneeskundige, internist, diëtist etc. Iedere dag zit de oogarts in een andere plaats in deze regio. Nu dus in Fano. De oogarts constateert inderdaad floaters, zoals ze in het

Engels heten. Het netvlies is nog oké. Hij schrijft een poeder voor, die Wil René dagelijks moet opdrinken (placebo?). We kunnen afrekenen bij de balie. Dat is niet omdat we buitenlanders zijn maar we zien iedere patiënt na zijn consult de portemonnee trekken. De assistente spreekt geen woord buitenlands en wij geen Italiaans. Een man helpt ons vertalen. “Wat is zijn servicenummer dan kan ze een factuur maken.” Het enige servicenummer dat Wil René heeft is zijn burgerservicenummer. Dus toont hij zijn rijbewijs en wijst het nummer aan. No, No….  Daar heeft ze niets aan. “Betaalt u cash of met kaart de 100 euro? Cash is prima.” Als we vragen om een factuur zegt ze dat ze dan 120 euro moet rekenen, want dan moet ze een factuur maken?!?. Verbouwereerd verlaten we de wachtkamer.


Het is inmiddels vijf uur dus zoeken we een camperplek in de buurt. Op het eerste terrein dat we oprijden, staan grote plassen. We bedanken de beheerder voor het aanbod maar rijden naar de volgende. Daar is de toegang afgesloten. De beheerder rebbelt in het Italiaans en uit de gebaren begrijp ik dat we er niet op mogen, want onze camper zakt in de grond. Het heeft hier blijkbaar flink gehoosd gisteren. We kunnen ook terug naar de camping, een uurtje rijden… Ik ben voor!

De volgende dag is het stralend. We moeten de luifel uitdraaien om in de schaduw te kunnen schilderen. De camper zelf is het windscherm, want de koude wind is stevig. In de loop van de dag neemt die toe. Zo sterk dat hij de luifel, die met stormbanden vaststaat, weet op te tillen. Dat maakt ook, dat de temperatuur niet boven de 18 uitkomt. In de avond begint het zoals gewoonlijk te regenen. Tot onze verrassing regent het ’s morgens ook, en de vooruitzichten zijn max 16 graden en een regenachtige dag. Dus jammer, maar geen weer om te fietsen, noch te schilderen. Tijd om verder te rijden, jammer van de prettige camping.


Ik heb een openluchtmuseum gevonden waar kunstwerken in de pier zijn verwerkt[iv]. Rum drie uur rijden. Hemelsbreed niet zo ver maar ja slingeren tussen bergen en heuvels met slecht wegdek, maakt dat we langzaam zijn. Als we de zee bereiken, regent het nog steeds. De camperplek die op fietsafstand van het museum zit, is gesloten tot 4 uur. En wij staan natuurlijk om 3 uur voor de poort. De camperplek heeft geen voorzieningen (alleen elektra tegen betaling), enkel een slagboom, asfalt en een spoorlijn waar goederentreinen voorbijrazen…. voor 20 euro. Het blijft regenen de rest van de middag en waarschijnlijk ook in de avond. We zetten koffie terwijl we overleggen. Ik had namelijk nog een plan, namelijk dat we morgen een half uur het binnenland inrijden waar dit weekend een keramiek tentoonstellingsmarkt is[v]. Dat leek me een interessante stop en daarna zien we wel. De plannen vallen dus in het water. Misschien een volgende keer.

We rijden door naar het Zuiden en hopelijk de zon. Tja, om 4 uur komen we in de Italiaanse middagspits. Dan gaan veel mensen naar hun werk. En ja het regent nog steeds, dus vorderen we langzaam. Rond 5 uur zijn we het wel zat. De routeplanner geeft ook camperplaatsen aan op de kaart. En ik zie er drie, vlak bij elkaar aan de kust, achter de spoorlijn.  Als er zich een zijstraat aandient, slaat Wil René af. Na een paar meter zegt de routeplanner: "U rijdt tegen het verkeer in.". Geen bord gezien en de weg is te smal om te keren. Nu duimen dat de tunnel onder het spoor hoog genoeg is. Drie meter, dat moet lukken, maar de helling van 15% maakt het spannend, want als de voorkant onder de tunnel is, staat de achtkant nog wat hoger op de helling. Heel voorzichtig kruipen we onder het spoor door. Op het moment dat we de helling naar boven willen nemen, draait een auto de hoek

om. Die zich rot schrikt en terug uitrijdt om ons de ruimte te geven. Eenmaal boven, zien we, dat we ook hier, alleen maar rechtsaf mogen. Gelukkig zit er een camping op de hoek, die genoeg plek heeft, die groen gras heeft, warme douche en schone wc, uitzicht op zee en een bar/restaurantje. En dat voor 23 euro. Prima. We zetten de camper neer en gaan eerst wat drinken in de bar. Want de fles wijn die ik onderweg in de supermarkt kocht, heeft Wil René laten vallen – gelukkig buiten. Na een Aperolspritz (ook al regent het nog steeds) gaan we niet meer koken. Pizza en gebakken inktvis wordt het hoofdgerecht. De tortilla’s maken we morgen wel. In de zon, hoop ik. Die avond is het niet droog geworden.             

 

De volgende ochtend wekt de zon ons. We ontbijten buiten, ondanks een frisse, straffe wind. Mooi fietsweer. We gaan de binnenlanden in. Dat betekent naar boven trappen. Met een omtrekkende route fietsen we naar het eerste dorp op de heuvelrug. Tot onze verbazing zien we bergen met sneeuw in de achtergrond. Geen idee dat de Apennijnen zo hoog zijn en zo dichtbij zijn.

De punten die we zien, blijken ruim 2900 meter hoog en liggen zo’n 50 km verderop. Voor het volgende dorp moeten we een stevige helling op, waar het beton van de weg in brokken uiteen is gevallen. Dat betekent kleinste versnelling, zwaarste ondersteuning en zigzaggend naar boven.  Hijgend staan we boven en zien een mooi uitzicht op de kust en het heuvellandschap. We vinden een bankje en eten als echte Hollanders onze boterhammen op. De terugweg naar de kust is bijna vliegen. Een helling van gemiddeld 11%. De haarspeldbochten zorgen dat we meer remmen dan vliegen. Bij een strandtent puf ik uit met een kop macchiato (espresso met n beetje melk). De eerste echte fietstocht van deze reis zit erop: 33 km is voor nu een prima afstand.

 

De camping heet Garden Beach, waar ze hun best doen om een mooie groene camping te maken. De bloemen krijgen dagelijks water, de heg wordt met de hand geknipt, het gras gemaaid met een elektrische grasmaaier (niks geen lompe tractor). Het is een manier voor de camping om zich te onderscheiden van de vele andere Beach-campings. Toch is het onvoldoende om ons langer te laten blijven.

We reizen weer verder langs de kust. Het is zondag zodat we wat soepeler door de dorpjes kunnen rijden. Aangezien we niet over de tolweg willen rijden, is dat het alternatief. Wat ook betekent het wegdek in de gaten houden, want sommige gaten wil je echt niet raken. Zelfs vrachtwagens manoeuvreren om ze te vermijden. Na Pescara wordt de weg wel beter, maar ook saaier. Wat het lastig maakt, is dat langs de kustweg 50 km per uur wordt aangeven, maar we worden aldoor op hoge snelheid ingehaald. We laten de borden voor wat ze zijn en rijden meer met het verkeer mee, zeker waar er nauwelijks huizen staan. Dus met een gangetje van 65 – 70 km rijden we van dorp naar dorp, waar we ons wel aan de snelheid houden. Uiteraard gaat dat een keer mis, denken we. Wil René ziet ineens een politiewagen aan de overkant van de weg staan met een kastje in de auto – snelheidscontrole denkt hij. We rijden op dat moment 58 km/u. Chips. Misschien ligt er over een tijdje een bekeuring in onze brievenbus. Die we dan binnen 5 dagen moeten betalen, dan geldt het laagste tarief[vi]. Ondertussen duimen we dat het kastje niet aan stond.


Om half vijf rijden we de haven van Tremoli op. Er is hier een bewaakte camperplek. Links zien we de boten liggen en voor ons doemt er een enorm podium op. Over 5 dagen is er een groot optreden en ze zijn aan het opbouwen, meldt de beheerder. Nou die avond blijft het rustig maar ‘s ochtends om half acht zullen we ons bed uit trillen.

Eerst gaan we de oude stad, die boven de haven uittorent, bekijken. Het is klein, met smalle straatjes die aan weerszijde uitkijken over zee, een pleintje met daaraan een kerk. We wandelen er binnen no time doorheen. Aan de andere kant zien we een vissershut die hoog boven het water staat. De golven beuken tegen de smalle palen. Ik verbaas me dat ze sterk genoeg zijn om de vissershut te dragen. Dan lokken trommels ons terug naar de haven. Vanaf de stadmuur zie ik op de kade verkleedde mensen. Ik herken een ridder met maliën, vendelzwaaiers, trompetters. Natuurlijk ben ik nieuwsgierig en loop naar de haven. Net als ik er ben, zet een kleine stoet zich in beweging. Het ziet er een beetje knullig uit. Het blijkt[vii] dat een lokale vereniging een Middeleeuwse historische processie houdt. Ze spelen de terugkeer van de ridders van de (4e) kruistocht die Constantinopel hebben veroverd in de 13e eeuw. De ridders brengen relikwieën van Sint Timotheüs met zich mee. Timotheüs is beschermheer van de stad.  


De volgende bestemming van de reis is Vieste in de provincie Puglia. Op weg daarheen zien we vergelijkbare stadjes als Tremoli die op een rots zijn gebouwd die in zee uitsteekt.   

Peschici
Peschici

voetnoten:

[i] Federico Barocci

[iv] Viva Sculpture - San Benedetto del Tronto, https://www.comunesbt.it/museodelmare/ 

© 2025 Hellie van Hout

bottom of page