top of page
  • 3 dagen geleden
  • 13 minuten om te lezen

Tsarevo, Nesebar, Kamen Bryag, Mamaia-Sat, Transfășgărășan, Brașov, Vadu Crișului, 13 – 24 augustus 2026


Eindelijk rijden we Bulgarije in. Later dan gehoopt. We slaan meteen rechtsaf richting kust. Ik verheug me om het Bulgaars landschap te zien. Maar ik zie alleen bomen en dichtbegroeid bos. Als er een doorkijkje komt zie ik beboste hellingen. Wil René ziet zelfs de bomen niet. Zijn ogen

zien asfalt en de gaten erin. Hij jakkert over de smalle weg want hij wil absoluut niet in het donker rijden. Hij is enigszins nachtblind. Het is een rustig weggetje. In de eerste 20 km komen we 4 auto’s tegen waarvan er drie Bordercontrole op de wagen hebben staan. We worden ook twee keer aangehouden door hun collega’s en moeten de deuren openen. Duidelijk op zoek naar illegalen. Ik moet weer denken aan de verhalen van vluchtelingen die door Bulgarije en Roemenië trokken op zoek naar vrijheid.[1]


Na 60 Kilometer komen we bij de kust waar ik een camping met zwembad heb uitgezocht. We volgen de routeapp die zegt: Sla links af, en rijdt 1 kilometer door op onverharde weg. Als ik “onverharde weg” hoor ben ik altijd alert. Nu weet dat het laatste stukje onverhard is. Totdat we een begraafplaats oprijden. Dat is beslist niet de bedoeling. We vinden een onverharde weg eromheen en bereiken dan in de schemer de camping. Gehaald. De terrassencamping bestaat uit huurhuisjes en heeft dakjes voor caravans. Twee meter zeventig. Daar passen wij met een 3 meter hoge camper dus niet onder. Gelukkig zijn er bovenin nog vrije plekken met een mooi uitzicht op de zee.


Geen dakje betekent wel de hele dag zon. Geen probleem want het waait hier constant en die blaast de warmte uit de camper. Het is trouwens maar 27 graden. We kijken niet alleen uit op de zee maar ook op Costa de Croco – een enorm bouwproject van een resort dat sinds 2009 stilligt. Geld en juridische problemen. Voor 6,5 miljoen kon je destijds, het hele project overnemen. Blijkbaar niet gelukt.  De natuur is bezig om het over te nemen. Ik ben nieuwsgierig om het van

dichtbij te bekijken. Via het strand en een bruggetje van oude deuren kunnen we het terrein op. Treurig dat zo’n enorm complex staat te verpieteren. Maar het levert wel mooie beelden en natuurlijk heeft er iemand al een dronefilmpje gemaakt van zo’n mooie ghosttown[2]. Hoeven wij die niet meer te maken. De video is naar onze maatstaven te traag maar bevat wel mooie beelden.


Na het Grieks. Georgisch, Armeens, weer een taal waar ik geen touw aan vast kan knopen. De

letters zijn cyrillisch (zoals het Russisch, Oekraïens) en voor mij niet leesbaar. Menukaart is niet te doen, bij boodschappen zijn de producten vaak wel herkenbaar zonder te lezen. En de mensen spreken hier vaak goed Engels. Als ik bij de Lidl (eindelijk lekker bruinbrood) een beker yoghurt laat vallen, die uiteraard uit elkaar spat op mijn broek en schoenen, probeer ik het probleem met gebaren aan de medewerker uit te leggen. Tot hij zegt: “you can talk English”. Een beetje gênant dat ik er zondermeer van uit gegaan ben dat ze alleen Bulgaars spreken. Enfin, ik krijg papieren doeken om mijn broek schoon te maken terwijl hij de vloer dweilt.


We fietsen naar het dorp dat leeft van toerisme. Het centrum van het dorp is een lange straat met winkeltjes. Wil René zoekt de ingang naar het pad dat langs de zee afloopt. Maar een braakliggend terrein ligt in de weg en even verderop gaan we de hoogte in. Daar zie ik mensen

staan op een rotspunt in zee. Laten we daar even gaan kijken. In het dorp ervoor is het verkeer vastgelopen. Auto’s willen blijkbaar allemaal naar die rotspunt terwijl anderen het dorp uitwillen. Hoe groter de auto, hoe dichter bij ze willen parkeren. Op de rotspunt blijkt een kerk te staan en ineens zegt Wil René: “Het is 15 augustus!” Alsof ik dan begrijp waarom het druk is. “Maria

hemelvaart”. Een christelijke feestdag. Geen idee, waarom ik dat weet,” voegt hij daaraan toe. En hoewel Bulgarije maar 40% gelovigen kent, staan ze in de rij voor het kerkje. Eerst met auto’s in het dorp en nu staan op het terrein mensen geduldig in de rij te wachten tot ze naar binnen kunnen. Wat me opvalt is dat ze niet op hun paasbest gekleed zijn. Meer vakantiekleding: jurkjes, korte broeken, t-shirts. Uitzonderingen daargelaten. Het kerkje ziet er niet oud uit en via internet zie ik dat dat ook geldt voor het interieur. Ik sluit niet aan bij de rij. Ik kijk wel vanaf de punt naar de zee.


Die grote luxe auto’s verbazen me, aangezien Bulgarije Europees armste land is. Het bruto-minimumloon is 620 euro per maand (in NL is dat 4x hoger) en de gemiddeld Bulgaar heeft een salaris van 1400 euro. Niet verwonderlijk dat veel inwoners als arbeidsmigrant vertrekken naar West-Europa. Gevolg is dat dorpen leeglopen, voorzieningen verdwijnen. En een groot sociaal probleem is dat kinderen van arbeidsmigranten achterblijven bij opa en oma en opgroeien als “Skypekinderen”. 25% van de kinderen spreken hun ouders alleen online. [3] De kloof tussen arm en rijk is hier groot door corruptie (en een zwak rechtssysteem) waardoor hoogopgeleide jongeren zonder netwerk ook vertrekken. Ik kijk nu toch anders naar de chauffeurs van die grote dikke auto’s. 


Na twee dagen luieren, rijden we een paar uur noordelijker. We blijven bij de kust vanwege het weer. En wij zijn niet de enigen. Het is zondag en de Bulgaren zijn massaal onderweg naar het strand. Aan de nummerborden zien we er veel uit de regio Sofia en Plovdiv. We staan regelmatig in de file bij afslagen naar zee. Inmiddels heb ik gemerkt dat onderweg fotograferen zinloos is. Het landschap, dorpen ze verschuilen zich allemaal achter bomen en struiken. Het enige landschap dat zich regelmatig laat zien zijn de enorm uitgestrekte maïs- en zonnebloemvelden. De zonnebloemen zijn al uitgebloeid en laten hun koppen hangen. De uitgestrekte graanvelden zijn allang geoogst.


Bij Boergas, de stad die volgend jaar het Eurovisie Songfestival mag hosten, laat de kaart veel water zien. Ik zie vooral rietlanden. We doen boodschappen in de stad en laten het verder links liggen. De tolweg (gewoon een tweebaans weg) heeft nauwelijks P’s. Ik laat Wil René een zandpad inslaan naar een P die aan zee ligt. Tja, dat dachten heel veel Bulgaren ook. Sterker nog, dat dacht ook veel camperaars die daar gratis aan zee staan. Met veel moeite lukt het om te draaien. En dan blijkt dat er alleen een oprit zit terug naar Boergas. Pas bij een rotonde in de stad kunnen we keren.

Met goede moed rijden we verder naar het dorpje Nesebar dat tevens een schiereiland is. Het is UNESCO erfgoed - en vermoedelijk ook erg toeristisch. Een Nederlandse reviewer heeft het over Valkenburg 2.0. Met alle drukte onderweg vrees ik dat de parkeerplaats vlakbij het schiereiland wel vol zal zijn ondanks dat het betaald is. Het valt mee. Zowel op de parkeerplaats als in het dorp. We bekijken het dorpje op de fiets. Voordeel is dat we in no time op de punt van het

schiereiland staan. En vandaaruit kunnen we verder fietsen naar Sunny Beach. Met een reputatie van zon en zuipen niet boven aan mijn lijstje. Toch wel nieuwsgierig waar onze dochter ooit als 18-jarige vakantie vierde met klasgenoten. De skyline is zoals verwacht een aaneenschakeling van

strandbedden met parasols met daarachter grote hotels. De boulevard is een stuk verderop. We pakken de camper en rijden naar het andere einde waar ik een camperplek aan zee zag. Duimen dat er ruimte is. Het is al wat later in de middag én het is betaald. Die combi geeft inderdaad ruimte. We parkeren de camper nog onder de bomen, halen de fietsen er af en rijden naar de Boulevard wat een combi is van Benidorm maar dan een jonger publiek; kermis – reuzenrad, horrorhouse, schiettenten, toeristentreintje; een strandmarkt – kleding, strandspeelgoed, harenvlechten; horeca strip – met casino, Engelse sportcafés, mini-McDonalds en uiteraard de strandtenten met zitzakken. We kunnen vanavond zelfs de voetbalwedstrijd Ajax-Heereveen bekijken. Ik maak foto’s voor onze dochter maar die herkent er niks van. Waarschijnlijk ging haar aandacht toen uit naar andere dingen/mensen. Halverwege de boulevard draaien we om – genoeg gezien.

Bij het strand verplaatsen we de camper. Nu kijken we uit op het strand, de zee en de skyline van

Sunny Beach. We eten in een strandtent. We bestellen geen varkensoortjes[4] maar schnitzel en garnalen. En we slapen op het strand terwijl het ’s nachts goed afkoelt. De volgende ochtend wandelen we over dat strand met een kop koffie als pauze. We nemen een duik in zee en vertrekken pas weer rond het middaguur als de zon te hard brand.


Drie uurtje naar het noorden waar de zandstranden zijn vervangen door rotswanden. Mooi uitzicht

dat wel. De camping is mini. Met twee campers en drie tentjes staat de tuin van een Duits/Russisch echtpaar wel vol. Hij realiseerde zich twee jaar voor zijn pensioen dat hij weinig had opgebouwd. In Bulgarije kunnen hij en zijn vrouw met een klein pensioen en camping wel rondkomen. Hij laat me zijn moestuin met planten zien. De laurier heeft het erg naar zijn zin, uit Duitsland heeft hij de asperge meegenomen. De artisjok is helaas favoriet bij de woelmuizen. Ik moet ruiken aan de sinaasappel-citroen melisse. Iets verderop staat een bad waar hij nog een vuurplaats en rookoven bij wil bouwen. Zijn vrouw wil zo graag buiten baden. Ze zijn 6 jaar geleden getrouwd in de haven iets verderop. Zijn vorige huwelijken op land waren niet gelukt.  Hij is nog bezig een composttoilet te maken en de deur van het keukentje is kapotgewaaid dus heeft hij ernaast een andere deur erin gezaagd. De haan is net overleden mar daar merken de kippen en de eenden niets van. En zo babbelt hij terwijl we ons installeren. Gelukkig komen er twee wandelaars met tentjes die hem afleiden.  

We wandelen naar de kust en zien het eeuwige vuur. Veroorzaakt door een methaan-leiding uit zee. Ooit gedacht dat het commercieel interessant zou zijn maar dat was het niet. Nu kun je er op bbq-en. De camping is alles houtje-touwtje en van de twee nachten die ik vooraf gedacht had, is één nacht wel genoeg.  We reizen verder naar het noorden.


Het deel van Bulgarije dat ik heb gezien (Zwarte Zeekust) vind ik niet heel interessant. Misschien is de zomer ook niet het mooiste seizoenen misschien is het binnenland veel mooier. Dat gaan wij niet in de zomer bekijken maar wie weet, ooit in het voor- of najaar.


De weg naar het noorden gaat langs de kliffen en aan de rand bivakkeren tientallen caravans.

Dan realiseer ik me dat we in Roemenië ook een tolvignet nodig hebben. Ik heb nog 20 km de tijd om dat te regelen. Online lukt het me om, net voor de grens, het vignet te betalen. De grenspost is klein en de Bulgaarse grens passeren we zonder iemand te zien. Bij de Roemeense grens houdt de politie ons aan – paspoorten, kentekenbewijs en alle deuren openen. Allemaal goed en we zijn in 5 minuten in Roemenië. Daar rijden we meteen door badplaatsen waar het druk is met geparkeerde auto’s voor het strand. De badplaatsen rijgen zich aaneen. We denken na of we verschillen zien met Bulgarije. De zebrapaden zijn met rood gemarkeerd. De kluwen elektriciteitsdraden aan houten palen. En de taal. Gewone letters. Niet dat ik er veel van kan brouwen.


Voorbij Constantia vinden we camping die net begonnen is. Het waait er flink dus dat maakt het ontbreken van schaduwplekken acceptabel. We zitten in een zijstraat van een strandboulevard van 5 km. In het begin zijn er campings maar al  snel zijn het grote hotels die de boulevard

flankeren. Blij dat ik een bril én een zonnebril draag. De hard wind komt vanaf zee en het zand schuurt mijn armen. De ober van de strandtent baalt van de wind. Het is er veel minder druk, dus hangen de 5 collega’s een beetje verveeld aan de bar. De volgende ochtend ontbreekt de zon en wandelen we over het strand naar een van de vele strandtenten voor een (ijs)koffie. Als we omdraaien zien we de petrochemische industrie aan de horizon, terwijl kinderen spelen in de

golven. En wat we niet zien maar wel weten, is dat het oorlog is aan de overkant van de zwarte zee. Het moet raar zijn voor de Oekraïners die hier vakantie vieren. 95% van de strandbezoekers zijn trouwens gewoon Roemenen. Een restauranthouder noemt het pensioen karig – eigenlijk kun je er niet van rondkomen. Maar de zorg is hier gratis en er zijn geen wachtrijen. Dat wordt door een taxichauffeur later genuanceerd. De zorg is gratis als je werkt en belasting betaalt. Zijn oom heeft maar één been en kan niet werken. Hij moet ieder jaar laten zien dat zijn been niet is aangegroeid om gratis zorg te krijgen.


Na twee dagen strand zijn we wel klaar met vakantievieren en luieren. We gaan naar het noordwesten. Vrienden reizen daar rond en we hebben afgesproken in Brașov. Daar niet ver vandaan is een van de topattracties van Roemenië: de Transfăgărășan. Helaas moeten we daarvoor wel eerst 400 km saaie tolweg rijden. En dan komen we bij de 90 kilometer kronkelende weg die ons de bergen inleidt, langs een bijna leeg stuwmeer en beren. Ja echt waar. We zagen

wel de waarschuwingen dat we ze niet moeten voeren, maar met de drukte van al die toeristen, ruim boven de 30 graden, kon ik me niet voorstellen dat we er één zouden zien. We zien er meer. Auto’s die stilstaan op de weg zijn een indicatie dat er een beer staat, zit of ligt. Het is duidelijk dat ze wel eens gevoerd worden. Het levert aandoenlijke beelden op. De beren worden bijna aaibaar. Ik snap dat mensen voorzichtig uit hun auto stappen en vanachter het portier een foto van dichtbij maken. De beren blijven zitten of liggen. Een man stapt uit zijn auto en gaat een eindje verder staan pissen met zijn rug naar de beer. Wat ik dan weer niet snap. Vorig jaar is hier nog een toerist door zo’n beer meegesleurd en gedood. [5]  


Als we net boven de boomgrens zijn, kiezen we een uitkijkpunt waar we overnachten. Ervan uitgaande dat de beren vooral in de bossen rondzwerven. Officieel mogen auto’s niet tussen 9 uur ’s avonds en 7 uur ’s ochtends in het gebied rijden. Jammer genoeg doen ze dat wel en tot middernacht hoor ik ze nog af en toe voorbij komen en om 7 uur racen de eersten weer voorbij. Dat zijn inderdaad snelle auto’s die komen voor de weg. Top Gear noemde het de mooiste weg van Europa.

In de ochtend is nog steeds maar 16 graden. Zodra de zon over de bergen komt, worden we verblind en kunnen we niet meer van het uitzicht genieten. Tijd om verder naar boven te gaan. De top omzeilen we door een korte tunnel. Mijn mond valt open als we aan de andere kant zijn. Het lijkt wel een parkeerplaats van een pretpark, overal zijn auto’s, motoren en kraampjes. Het contrast kan haast niet groter. Even had ik het idee om hier te parkeren en rond het meer te wandelen. Nou dat gaat het niet worden. Vanaf boven zie ik een stuk lager een parkeerplaats, waar enkele campers staan. Het is hier nu nog koel, de stad haalt 35 graden vandaag.  We rijden een paar haarspeldbochten naar beneden. Ik wil toch heel graag een stukje wandelen. Van het

indrukwekkende landschap genieten. Onder aan de berg is een grote vlakte.  Er loopt een pad naar boven en met bergschoenen aan en een stok mee zigzaggen we naar boven. De wind zorgt dat het niet warm wordt. Na een half uurtje zie ik dat het inderdaad een mooi meertje is waar iedereen naar toe wil. Ik zie een file wandelaars naar boven gaan, ik zie overal kleine tentjes en auto’s staan. Tijd voor koffie aan het meer. En daarna wandelen via de weg terug waar auto’s in een hele lange file staan. Voordeel, het is heel veilig lopen.  


Het is toch nog drie uur rijden naar Brasov waar een camperplaats is én waar vrienden van ons bijna tegelijkertijd aankomen. Wat een feest. We kennen elkaar van de reis naar Marokko. Dit jaar doen wij een reis door Roemenië met dezelfde organisatie als waarmee wij naar Georgië, Armenië en Turkije gingen. Zij zijn net 10 dagen onderweg. En ook hun reis is heet, vandaag is niet anders. Al snel zit ik met mijn voeten in het water. Eind van de middag gaan we de stad in en laten ons door een taxi afzetten bij het grote plein. We bekijken de zwarte kerk die zijn naam

dankt aan het verhaal dat de kerk na een brand in de 17e eeuw zwart was geworden. De werkelijkheid is minder prozaïsch: de stenen zijn zwart geworden door luchtvervuiling en de bijnaam is er pas sinds de 19e eeuw. In de kerk hangen tientallen Turkse tapijten – Brasov lag op

de handelsroute - en er zijn veel Duitse woorden en namen, die verwijzen aan Duitse wortels. Zoals de kerkbank van het schoenenmakers gilde. Meer dan 600 jaar geleden vestigden zich hier Saksische kolonisten op uitnodiging van de koning. Die wilde er een stad hebben om de Tartaren en Turken tegen te houden, de stad werd Kronstadt genoemd. Tot 200 jaar geleden vormden Duitsers de meerderheid in de stad en de kerk is nog altijd Luthers.


De volgende dag fietsen we met z’n vieren door de stad en zien de middeleeuwse muren, een stadspoort, huizen met lichte gekleurde gevels. Ik zie een houten kerk die ik fotografeer. Voor onze vrienden inmiddels niet zo bijzonder. Die hebben al mooiere gezien. We bezoeken een orthodoxe kerk die schuilgaat achter een gevel aan het plein. En het heetste deel van de dag brengen we door…. ? Jawel, in een groot winkelcentrum met Starbucks.  

’s Avonds brengt een taxi ons door de regen! naar het centrum. Het is zo weer droog en door de hitte zijn de stoepen zo weer droog. Het is leuk om weer eens ’s avonds door de stad te slenteren. Zeker als er zoveel volk op de been is. Het is weekend. 


De volgende ochtend scheiden onze wegen. Zij vervolgen hun Roemenië-reis en wij gaan verder richting noordwest. Onderweg zie ik een paar keer een paard met wagen rijden. Het gekke is dat ik noch in Turkije, noch in Georgië of Armenië een paard met wagen zag. Het trekpaard was daar vervangen door kleine tractoren.  

 

Het binnenland is aantrekkelijker dan de kust. De bergen en uitlopers van de Karpaten liggen in een krul rond de vlakte waar wij rijden. Hier zie ik grote landbouwpercelen (ontstaan in de Sovjettijd), met kleine dorpen waar we doorheen rijden. Met meestal vierkante huizen van één

etage met rode dakpannen die als een gesloten front langs de weg liggen. Zachte kleuren. Bij een grotere stad zijn nieuwe grote huizen (hotels?) in aanbouw waarvan de daken me chinees aandoen.  Het gras is overwegend geel geworden, de rivieren staan laag. Die avond parkeren we onze camper op een basecamp voor raften en klimmen. Prima overnachtingsplek met douche, wc, afwas- en kampvuurplek ver van de drukte. Totdat we ’s morgens worden gewekt door inparkerende vrachtwagens, dreunende geluiden. We staan naast een spoorlijn in aanleg…


Nog een uur en dan rijden we Hongarije binnen.  We hebben van Bulgarije en Roemenië maar een klein beetje gezien. Onvoldoende. De hitte en de wens om toch begin september thuis te zijn, houden me tegen om het echt te verkennen. Deze 10 dagen voelde meer als vakantie.


Grappig beeld

Gespot in het damestoilet van een Mall
Gespot in het damestoilet van een Mall

Voetnoten

[4] Ooit aten we varkensoortjes in Spanje, in de veronderstelling dat het een creatieve omschrijving was van het gerecht. Het bleken echt varkensoortjes te zijn en de taaie, kraakbeenachtige structuur deed Wil René kokhalzen en rondkijken waar hij die ongezien kon uitspugen.  

  • 15 aug
  • 13 minuten om te lezen

Vezirköprü, Safranbolu, Çamlıpınar Göleti, Kazakburun, 9 – 13 augustus 2026

 

Even twijfelen we of niet nog een nachtje op de camping zullen blijven, maar de toiletten en

douche zijn zo smerig. Gisteren bij aankomst waarschuwt de buurman dat er waarschijnlijk geen warm water is, zo eind van de dag. Nou mag het water van mij best lauw zijn. Daar koel ik meer vanaf. Als ik wil gaan douchen is die bezet. Voor de 30 kampeerplekken en de 6 huisjes is er een douche voor de vrouwen en een voor de mannen beschikbaar. Als de mevrouw voor mij uit de douche komt waarschuwt ze mij. Iemand heeft zijn behoefte gedaan in het douchputje. Ze heeft er maar een laag papier opgelegd. Ik doe net of ik het niet zie en spoel me snel af. Wat nog niet eenvoudig is, want er is weinig waterdruk. De volgende ochtend is het water wel bloedheet, alleen zijn de wc’s en douche rond 10 uur nog steeds niet schoongemaakt. Met de zon die alweer flink brandt, wil ik wel weg. Er is een oude karavanserai annex bazaar ruim 150 km westelijk en aan het stuwmeer. Daar vlakbij is een picknickplek waar je mag overnachten.

Het is zondag en waar ik geen rekening mee gehouden heb, is dat de “overdekte” bazaar bijna uitgestorven is en de grote ruimte binnenin, waar vroeger de Karavan Serai zat, afgesloten.

Jammer want de bazaar heeft veel kleine werkplaatsen: schoenmaker, metaalbewerker, kleermaker ed. Er zijn een paar semaver verkopers open. Een semaver is een heetwaterketel die gebruikt wordt om de thee te maken waarvan de Turken liters per dag drinken. Vaak zit een eer keteltje aan vast waar sterke thee- extract zit en wordt aangelengd met heet water. Ik denk dat dankzij de armoede van Vezirköprü het complex er nog altijd is. Vergane glorie, zo kan je het ook omschrijven.


Door naar het picknickpark aan het stuwmeer. Aangezien het zondag is, is het er heel druk. Het is een heel groot natuurterrein met een betaalde entree. Het terrein loopt ook heel schuin naar het water. Er zijn niet zoveel parkeerplekken en de hoge stoeprand weerhoudt ons om het bos in te rijden zoals sommige auto’s en busjes. Hoe dichter bij het water, hoe voller. Terug naar boven, waar we nog een plekje vinden dat lang genoeg is voor ons. De campingstoelen zetten we in het bos en we worden (alweer) uitgenodigd voor de thee. Inmiddels zijn we gewend aan de gastvrijheid van de Turken. Ik bedank – hete thee is niet waar ik nu naar uitkijk. Na een tijdje worden we weer gevraagd voor de thee. Het is een klein gezin. Oma, opa, dochter en kleinkind. Hoewel Wil René al zijn charme uit de kast haalt wil het 2-jarige meisje geen handje geven. Zelfs niet als hij een bakje chips heeft gehaald, wat Leila heel graag wil, maar niet durft. Op oma’s arm pakt ze een chipje uit het bakje om snel weer tegen haar aan te kruipen. Dochter (30 jaar) heeft voor schooljuf geleerd maar tot nu toe heeft ze geen baan gekregen van de overheid. Het gesprek via de vertaal-app weerhoudt me om door te vragen, de spontaniteit ontbreekt en het risico om te beledigen, onbegrip is veel groter. Ze wonen in Vezirköprü en nodigen ons tot twee keer uit om in huis te komen slapen. “We hebben ons huis bij ons”, en bedanken na drie bakken thee uit de Semaver. Langzaam loopt het park leeg. 


De volgende ochtend worden we vroeg door de zon gewekt. De route langs het meer en de rivier is mooi én aangezien ik rij, zie je een geleende foto[1]   

Na deze schoonheid worden we weer geconfronteerd met de Turkse Rijkswaterstaat die het landschap op de schop neemt voor betere en bredere wegen. Ook fijn maar het zal wat jaren duren voordat de littekens door de natuur zijn weggemoffeld. Niet alleen de overheid maar ook het bedrijfsleven maakt gretig gebruik van de grondstoffen die in de bodem zitten. Vooral kalk, grind en zand. Wie zien cement- en baksteenfabrieken. Het land is ook zo groot dat het me minder stoort. 


Sinds gisteren is de gasfles leeg. We hebben een kleine reserve fles dus geen paniek. Onderweg gaan we opzoek naar het merk Ipragaz, waar we deze fles hebben gekocht. Al snel ontdek ik dat het ook een leverancier is van LPG. Via internet word ik zo niet wijzer. “Ze koken hier op het platteland op gasflessen”, zegt Wil René. “En onze route gaat door dat platteland.” Inderdaad als we voor een stoplicht stilstaan, ziet hij ineens een bord aan de gevel. Het is een supermarkt en winkel van sinkel ineen die inderdaad gasflessen heeft staan. In de volle zon? Dat zijn de lege flessen. Naast het pand in de schaduw staan de volle.   



Langs de weg verschijnen ineens geen kraampjes meer met meloenen en perziken maar met knoflook. En niet een paar maar zeker 50 kraampjes met duizenden strengen. Let bij de foto op de aanhanger die links in de achtergrond staat: afgeladen vol. Allemaal hangen ze hun knoflookstrengen op een rode achtergrond. Niet blauw of paars maar rood. Waarom? Geen idee. Tot aan de volgende grote stad Kastamonu en daarna verdwijnt ze weer uit het straatbeeld.

Die stad zien we van verre liggen met de grote flats aan de rand. We moeten nog boodschappen doen en ik heb in die stad een Starbucks gevonden. Als ik dat noem gaan Wil René’s ogen glanzen. Frapucchino Caramel. Geen enkel probleem meer om dwars door de stad te rijden.


Eindbestemming van vandaag is Safranbolu dat als stadje op de UNESCO erfgoedlijst staat. We hebben er bovendien een camping gevonden met douche en het oude centrum op loopafstand.

Als we eind van de middag aankomen is de temperatuur al gezakt tot 27. We kiezen een plek in de schaduw van een grote walnotenboom. Als we wat meer zijn afgekoeld, bezoeken we het oude stadje dat in een kloof

ligt. Vol met oude Ottomaanse huizen: stenen onderkant met een houten opbouw die vaak uitsteekt. Die bovenkant is een soort vakwerk. Donkere houtenbalken met daartussen bakstenen (arme variant) of gestukt. De oude wegen zijn onbegaanbaar.  Ongelijke brokkensteen die me dwingen om de straat te bestuderen in plaats van mijn omgeving. Bovendien zijn ze in de loop van de tijd glad geworden en mijn schoenen hebben weinig profiel. Kortom: aandachtig lopen en bedacht zijn op uitglijden.

Er is een bazaar met veel horeca, kleding en natuurlijk saffraan-olie. De stad heet niet voor niets Safranbolu. Hoog boven me, zie ik mensen op een uitkijkpunt staan. Met open streetmap vind ik een route naar boven op de rand van de kloof. Langzaam loop ik de steile straatjes en trappen op.

Met als resultaat een prachtig uitzicht ook omdat de zon net ondergaat. Voor de terugweg kiezen we een omweg die wat minder steil is. Desondanks is het balanceren op die rot keien. Eenmaal terug op de camping trillen mijn benen van de inspanning. Gelukkig morgen weer rijden…


De plek die we op de camping uitgekozen hebben, zorgt dat we ook in de ochtend in de schaduw van een boom staan. Met prachtig uitzicht op een stukje kloof en stad. Pas tegen het middaguur

komen we weer in beweging verder richting het westen. We hebben geen haast dus kiezen we een weg binnendoor in plaats van de tolweg. Het is een rustige weg, een heel rustige weg, gelukkig! Grotendeels is die maar éénbaans. We stijgen en stijgen en rijden over een kam tussen de naaldbomen dwars door een natuurgebied. Uiteindelijk hebben we maar drie tegenliggers in 50 kilometer.


Bij de stad Bolu pakken we een stuk tolweg en ineens zien we op deze 2x driebaansweg dat er best wel wat Europese auto’s rondrijden. Wij zagen er tot nu toe zelden één, laat staan een camper. Aan deze tolweg zit een outlet en ik kan wel wat dunne katoenen bloesjes gebruiken met deze hitte. En kijkend naar het weer in Zuidoost-Europa wordt het er niet minder heet op. Turkije lijkt met temperaturen rond de 30 nog best koel te zijn. Ik scoor er drie en Wil René nog een poloshirt. En niet verrassend, er zit een Starbucks. 


De overnachtingsplek ligt aan een ven op 1000 meter hoogte. Terwijl we daarheen rijden is de zon verdwenen en het zou kunnen regenen - daarboven. De weg blijft droog. Hoewel het zes uur is


lijkt de schemer al in te vallen. Nog een klein stukje. De laatste 2 kilometer is er geen asfalt maar gravel. Het is dat er een bordje staat dat verwijst naar het ven, anders waren we er niet ingereden. De weg zit vol kuilen en stijgt. Af en toe slipt de band even. Maar de weg is nog altijd beter dan bij de grottenstad in Armenië. Het is een prachtig meertje. Eromheen staan nog vier Turkse stellen/gezinnen. Een tent die er al een al een tijdje staat. De anderen - een 4-wheel drive pick-up, een stelletje in een auto en een gezin met auto en tractor-kar - vertrekken als het donker wordt. Die tractor-kar reed voor ons in het dorp met in de laadbak een kindertent. De kinderen zitten er gezellig in. Het tentje wordt naast de picknicktafel gezet.


Als het donker is komt er nog een Turkse camperbus en twee motoren aan. In het donker manoeuvreren tussen bomen is niet eenvoudig, blijkt. Aanwijzingen worden geroepen, het busje rijdt verschillende malen op en neer. Ze willen vlak bij het meer staan, zie ik de volgende dag en dat vraagt inderdaad wel wat precisie. Het was vannacht koud, 16 graden. Lekker onder mijn dekbed. Trots dat ik weer een goede overnachtingsplek heb uitgezocht. Rond acht uur schijnt de

zon op de camper en verplaatsen we ‘m toch in de schaduw van het bos. De stoelen zetten we in de zon om een beetje op te warmen. Tot mijn verrassing krijgen we vandaag geen thee aangeboden, maar de twee jongens uit het busje vragen om koffie. Ze hebben het busje pas net en proberen het uit. Nog geen koffiepot aan boord. Natuurlijk zet ik koffie.


Wederom vertrekken we eind van de ochtend en rijden een omweg over een groene route van de kaart. Het blijft een verrassing of wij de route ook mooi vinden. Hij voert in ieder geval langs een prachtig meer tussen de bergen. Dicht bij de tolweg en goed bereikbaar voor Istanbul en Ankara.

Daarmee is weg naar het meer een uitgelezen kans voor horeca-ondernemers. Het is een aaneenschakeling van hotels, restaurants, bungalows, ressorts en straatverkopers. Uiteraard is het meer ook voorzien van twee betaalde toegangen. Eenmaal daar voorbij, rijden we de pas over met een prachtig uitzicht. Hier geen horeca. Duidelijk dat de bezoekers van het meer niet de moeite nemen om een paar kilometer verder te rijden. We volgen een berggebied met dezelfde naam als het natuurgebied en het meer: Abanta. De rest van de middag slingeren we door die bergen verder naar het westen. Uiteindelijk zijn we maar 100 km westelijk gereden. Belangrijker: we zijn 1000 meter gedaald. Dat merken we meteen aan de temperatuur. Om zes uur is het nog 30 graden, vannacht zal het niet hard afkoelen vermoed ik.


Als overnachtingsplek heb ik weer een picknickplek uitgezocht. Het hek is dicht, het is pas 18 uur. De parkeerplekken waar caravans en campers kunnen staan, is vol. Ook voor de picknickers en kampeerders. Voor hun staan er bolderkarren om hun spullen naar binnen te rijden. Parkeren kan op de grote parkeerplaats aan de grote weg. Ik pas. We zitten in de buurt van een groot meer en als ik het woord “kamp” in Maps intik, verschijnen er verschillende mogelijke overnachtingsplekken. Een snelle scan levert er twee op waarvan ik denk dat wij er als camper kunnen staan. De eerste is een kleine camping waarvan de eigenaar enthousiast gebaart naar

een plek waar de camper wel kan staan. Er is groen gras, elektra, water en ja ook een warme douche. Het is op zijn Turks: rommelig, shabby en ook wel charmant. Er hangt wel een stevig prijskaartje aan 1500 lira (30 euro). Eigenlijk veel te veel maar ik heb geen zin om te onderhandelen of verder te zoeken. We ploffen neer. Rond 22 uur ga ik toch maar douchen, ook al is het nog altijd 26 graden en windstil. Dat wordt een warme nacht. Exit dekbed.


We overleggen wat we morgen gaan doen. Hier wordt het heet en we hebben geen schaduw. Istanbul, Edirne worden 35 graden. Geen weer voor een camperplaats in de stad. Ze blijven op mijn lijstje “ooit te bezoeken” staan - met koeler weer. Ik bekijk de Europese weerkaart en ook daar word ik niet blij van. Heel Zuidoost-Europa kleurt dieprood. Alleen langs de Bulgaarse kust is het “maar” 28 tot 30 graden. Da’s wel een eindje rijden. We zien morgen wel hoe ver we komen.

Bij het afrekenen blijken we alleen met cash te kunnen betalen. Probleem. Ik heb niet genoeg. Ik leg al de cash dat ik nog heb, in zijn handen en kom tot 1070 lira. Hij knikt het is oké. Waarschijnlijk was 1500 zijn onderhandelingsprijs gisteren en dik tevreden dat ik meteen instemde.

We gaan de tolweg op waar we zeker overal met pin kunnen betalen, dat komt goed. We zoeken op wat de munteenheid is van Bulgarije. Lev meende ik me te herinneren. Blijkt dat ze sinds 1 januari de euro hebben. Hoeven we straks ook niet te wisselen.


Dit deel van Turkije is een stuk drukker. Een aaneenschakeling van steden en dorpen aan de linkerkant van de tolweg totdat we noordelijker gaan en vooral heuvels, en eindeloze landbouwvelden zien. De routeapp geeft ineens aan dat de weg voor ons geblokkeerd is en zoekt een andere weg. Ik check voor de zekerheid Maps en zie dat er een ongeluk gebeurd is over 135 km op de noordelijke Tolweg, ruim om Istanbul heen. Nog geen reden om direct af te slaan. Over 100 kilometer kunnen we nog kiezen om via de middelste tolweg langs Istanbul te rijden. Ik check regelmatig en zie dat de file groeit, weer afneemt, weer groeit want op een andere plek is een ongeluk gebeurd. Hij groeit nog verder want er is nog een ongeluk gebeurt. Na 100 kilometer is de middelste tolweg sneller dus ik stuur Wil René die kant op. Het scheelt maar een paar minuten – deze tolweg geeft ook files. Eigenlijk hoop ik dat de omgeving van deze weg wat interessanter is dan heuvels en weilanden. Dat klopt en aangezien Wil René rijdt, kan ik rondkijken. We gaan straks over de Bosporus naar de Europese kant van Turkije. Ik verheug me om de stad te zien. “Er staan vast van die windschermen op de brug”, tempert Wil René mijn verwachting. Het blijkt  een

laag hekje te zijn. Wat een enorme stad is dit. En dat zeg ik de volgende 50 km regelmatig. 2x vierbanen auto’s wurmen zich zigzaggend door het verkeer. Grote flats om ons heen. Ineens zit er een gesluierde vrouw met een kind naast de linkerbaan te bedelen. Wil René schrikt zich rot. Even later biedt een jongen ringbroden met een stok aan. Hij staat op de weg tussen de rijen auto’s die in een korte file staan, een eind verderop weer, ook water te koop. Blijkbaar weten deze mensen waar de dagelijkse files staan – bij de opritten. En toch, ze wagen zich over 4 rijbanen naar het midden van de snelweg.   

Ik schrik nog een keer flink, en zit bijna bij Wil René op schoot. We worden ingehaald door een auto met zeker 150 km/u, over de vluchtstrook. De snelweg voorbij Istanbul is “nog maar” 2x tweebaans en met meer vrachtverkeer. Deze auto zigzagt met hoge snelheid door het verkeer. Dat gaat zeker nog eens mis want

ongetwijfeld kunnen die gasten goed rijden, alleen zijn er andere weggebruikers die net zoals ik totaal niet bedacht zijn op deze manoeuvres. Regelmatig staan er auto’s op de vluchtstrook met pech. Een kwartier later worden we weer rechts ingehaald op de vluchtstrook. Ik begrijp die vele ongelukken op de tolweg nu wel. De uitgebrande auto op de sleepwagen zou een reminder voor die gasten moeten zijn.


We rijden lekker door. Bulgarije gaan we halen vandaag. We verlaten Turkije via een kleinere grenspost bij de Zwarte Zee. Er staan rode borden langs de weg met een gewapende soldaat met in vier talen: verboden gebied. Hier hebben vele Syrische vluchtelingen geprobeerd de grens te passeren. En misschien nog steeds wel. We staan in een overzichtelijke rij auto’s te wachten. Ik

zie acht auto’s de grenspost inrijden. En dan stopt het en begint het wachten. We speculeren maar hebben geen idee waarom het zo lang duurt. Als we eindelijk ook de grenspost binnenrijden zien we dat er zeker 25 auto’s in twee rijen staan die hun papieren bij een loket moeten laten zien. De rij naast ons schuift langzaam door, wij staan stil. Opmerkelijk veel Belgische en Duitse auto’s.  Wil René’s ongeduld en frustratie groeit. Waarom duurt het zo lang, wat is er met deze rij aan de hand? Hij stapt uit en gaat kijken. Alle passagiers van een bus blijken in “onze” rij hun paspoort te moeten tonen, stempelen etc. De rechter rij blijft sneller gaan. Ik rij de camper eindelijk een autolengte naar voren. En weer wachten. Wil René roept ineens naar mij: “Rij naar de rechterrij”, en hij blokkeert de auto in die rij. “Wat maakt het uit?” “Nee zet de auto in deze rij.” Met een ongemakkelijk gevoel, rij ik de camper naar rechts wat uiteraard tot getoeter leidt. Met de autopapieren en zijn paspoort loopt drie auto’s voorbij naar het loket. Dan gebaart hij dat ik ook met mijn paspoort moet komen. Met een stempel erin kunnen we verder alleen staan er auto’s voor ons. Wil René start de auto en wil de voorgangers inhalen. Maar een politieagent maant hem te wachten. De Oekraïense auto voor ons hoort bij de auto achter ons. Daar blijkt een heel team van turnstertjes inzitten die zoals je al raad – allemaal hun paspoort moeten laten zien, laten stempelen. Al we dan eindelijk verder kunnen rijden worden we door de politieagent aangehouden – we moeten onze pasporten nog laten stempelen. Hebben we gedaan, legt Wil René uit. Hij moet uit de auto komen en alle deuren van de camper openen. Pas dan mag hij door. Van een Belgische automobilist horen we dat de grens bij Erdine zeker 4 uur wachttijd heeft. De vakantie van mensen met Turkse wortels is afgelopen en iedereen wil dit weekend naar huis. Na anderhalf uur zijn we door de Turkse grens. We rijden door een desinfecteertunnel, grenscontrole (in de camper kijken), paspoortcontrole, douane: rookt u? Nee. En klaar. Binnen 10 minuten staan we in Bulgarije.

We reden 2500 kilometer van de grens van Georgië naar de grens van Bulgarije. In elf dagen. Wat een eind. Wel een mooi eind 😉     

 

Ondertussen zijn de meeste medereizigers wel terug in Nederland. Het lijkt een ongewoon zware reis te zijn geweest voor de campers. Camper 1 raakte oververhit en stopte er vervolgens mee in Georgië waar die nog altijd staat om gerepareerd te worden. Camper 2 begon in Turkije al met een haperend zonnepaneel, kreeg daar een kapotte deur bij en in Bulgarije begaf íe de geest. Hij

staat op een vrachtwagen terug naar huis. Camper 3 had ventilatieproblemen, versnellingsbakproblemen en op de terugweg hield de toevoer van de LPG er mee op. Camper 4 worstelde in het begin met luchtvering en kreeg een rood lampje in Roemenië, verstopt oliefilter constateerden ze zelf en met behulp van internet konden ze toch verder rijden. Camper 4 werd in een slootje in Georgië geparkeerd waar hij door de brandweer werd uitgetrokken, op de terugweg in Ankara 6 uur vertraging omdat de motor gereset moest worden. Camper 6 had een tikje van een graafmachine gekregen, hefboomwerking deed het niet meer, maar is in Turkije weer gerepareerd. Camper 7, de kleinste had slechts een kapotte hor die we zelf konden maken. En wij, camper 8, hadden een spijker in een band, een aanrijding met een meloen die uit de bak van tegenligger viel en onze grill raakte. Allemaal klein bier vergeleken met camper 1, 2 en 3.  


Bijzondere beelden


Twee minaretten. Minaretten zijn de lange uitroeptorens van een moskee. Ze zijn eigenlijk altijd van wit steen. Ik zag er een die helemaal van hout is.  En bij de tweede begon Wil René hard te lachen. De toren is gemaakt van aluminiumpijpen die ze in fabrieken gebruiken voor luchtafvoer.

Grappig is ook dat er geen levend persoon op al die torens staat die mensen oproept tot gebed. Het zijn megafoons waar een imam via een telefoon de oproep doet. Dat zingen klinkt metalig en je hoort de klik als de verbinding wordt verbroken.


Als ik door een stadje wandel zie ik kleden op een muurtje liggen. Als ik dichterbij ben, zie ik dat het een waterplaats is waar twee jongens op aanwijzingen van hun moeder de kleden schrobben.   


Verbaasd ben ik als ik een motorrijder zie waar twee kinderen meerijden zonder helm! Zonder helm zie ik ze wel vaker rijden, vaak heeft de passagier er geen op maar zelf wel een helm en je kinderen niet, vind ik onbegrijpelijk.   


Voetnoot

[1] Maker is Vezirköprü55, de facebook pagina van het district.

  • 9 aug
  • 16 minuten om te lezen

Vardzia, Hanak, Bayburt, Maçka, Pinarlar, Niksar  2- 9 augustus 2026

 

We kunnen nergens van Armenië naar Turkije de grens over. Turkije gooide de grens dicht vanwege de eis om erkenning van de genocide, en later weer vanwege de oorlog met de islamstaat Azerbeidzjan.

 

Dus rijden we van Gjumri naar de Georgische grens. In konvooi zodat we gezamenlijk de grens kunnen oversteken. Nog geen kilometer op weg of we moeten stapvoets rijden en zigzaggen om de diepe kuil te vermijden. De weg is opengebroken voor groot onderhoud. Riolering, asfalt wordt vervangen, dus hobbelen we 5 kilometer. Via de hoogvlakte op 2000 meter. We raken bedreven in

het grens ritueel. Dit keer is de controle van de campers grondiger. Iedere deur, ieder kast gaat open en zelfs met een zaklamp wordt er in gekeken. Waar ze naar zoeken, geen idee. De procedure verloopt vrij vlot en we mogen weer zelf onze route vervolgen. En meteen is het asfalt van erbarmelijke kwaliteit. Ogen op het asfalt. Nou de wegen in Armenië zijn echt beter dan in Georgië. Hoewel de reisorganisatie anders beweerde. Wil René schuift van links naar rechts over de weg om de ontbrekende stukken asfalt te omzeilen. Als we na een stadje de haarspeldbochten ingaan, zien we een zwaailicht achter ons. Politie en ambulance hebben hier altijd een blauw/rood zwaailicht aan. Alleen dit keer horen we een diep gekreun erbij. Ik denk dat we moeten stoppen - politie. Kentekenbewijs, paspoort, rijbewijs en of meneer even wil blazen. Ik vraag of ik een foto mag maken, wat niet mag. Jammer, hij weet ook niet dat hij net iemand heeft aangehouden die geen alcohol drinkt, nooit gedaan ook. De rest van het reisgezelschap drinkt wel maar niet zo vroeg.

 

Dan rijden we het mooie dal van de rivier de Koera in. Het fort Khertvisi bewaakt de kloof. Het kasteel mooi er uit maar ik voel met niet verleid om in de hitte de trappen op te lopen. Wij rijden

langs de rivier totdat het dal te smal wordt. Dan stijgen we en zie ik de rivier onder me in de kloof. Na de engte opent zich het dal en daar heb ik een prachtig uitzicht op de grottenstad van Vardzia. Ik besluit vooral van dat uitzicht te genieten. Met 30 graden ga ik niet naar boven. Het zweet loopt nu al over mijn rug. Ik ben niet de enige, iedereen besluit het bij het uitzicht te houden. Om vijf uur

verzamelen we en wandelen een klein stukje naar een hotel waar het afscheidsdiner is. Morgen reizen we alleen nog samen de grens over. Een diapresentatie frist het geheugen op. Regelmatig hoor ik – Oh ja. In die 50 dagen hebben we heel veel gezien. De wijn vloeit rijkelijk en het is gezellig.    

De volgende ochtend reizen we met een kleiner gezelschap naar de grens. De reisleiders blijven in Georgië. Hun kapotte camper blijkt onderdelen te hebben waar lastig aan te komen is. Herstel duurt nog een paar weken. Wederom rijden we weer in konvooi, dit keer naar de Georgisch-

Turkse grens. Dat gaat soepel totdat een van de campers onderweg wordt aangehouden voor, jawel, een blaastest. Gelukkig voor hem is de alcohol van gisteravond voldoende weggezakt. Wat verderop sluit iedereen weer aan.  De grens gaat redelijk soepel. Al is er veel efficiëntie te behalen, concludeert Wil René. De doos wijn die we voor een reisgenoot hebben meegenomen, is geen probleem. De regel is maximaal 6 liter wijn. En de mijne is bijna op. De reisgenoot zelf had nog wat meer doosjes wijn bij zich en moet 6 flessen inleveren.  Wil René heeft een vrolijkere grenscontrole bij Georgië. Ze vinden dat hij op Arjan Robben lijkt.


Net na de grens nemen we afscheid van iedereen. Ieder gaat in zijn tempo terug naar Nederland. De ene wil in een week thuis zijn, terwijl wij het rustig aan gaan doen. Jammer dat het voorbij is, fijn dat het voorbij. Beide is even waar. Zelf waren we nooit hierheen gereden, en de reisorganisatie heeft prachtige routes, mooie bezienswaardigheden en “super” overnachtingsplekken uitgezocht. Het woord super valt vaak bij de reisorganisatie. Het was een kleine groep, zodat ik iedereen wel een beetje ken en regelmatig een glaasje met de een of de ander heb gedronken. Een vrolijk, divers gezelschap.  Anderzijds blij dat we ons eigen plan weer kunnen trekken, eigen tempo, vaker een camping (én douche) opzoeken. Zelf mooie (en lelijke) plekken ontdekken.


De route vanaf de grens is prachtig met de hoogste pas die we tot nu toe gepasseerd hebben:

2550 meter. Kolossale bergen, weidse velden.  We zien onderweg nog een paar campers die waarschijnlijk stoppen voor koffie. Wij zoeken Ekmek (brood) en vinden dat bij een behoorlijke bakker. Het lukt me om een paar woorden Turks uit mijn geheugen te vissen en ik bestel iki ekmek (2 broden) en moet altemis (60 lira= 1,10) betalen. Ondertussen loopt een (oud)reisgenoot binnen voor ook een brood. Ik mag wel een foto maken van haar en de bakker.


Vlak erna vinden we een schaduwrijke pauzeplaats – een Turkse picknick plek in een bos - op 2000 meter hoogte. Natuurlijk zijn wij een attractie en voorzichtig wordt er gezwaaid. Een vrouw uit Istanbul, Zeynep, is hier met haar man Mehmet op bezoek bij hun ouders. Ze zijn 15 dagen

hier en moeten morgen weer terug – het werk roept. Ik word voorgesteld aan Kemal (haar vader) en Georg (zijn vader). Althans zo versta ik dat. Van de mannen mag ik wel een foto maken. Van de vrouwen niet. Dan sluit ik me op in de camper want ik wil eindelijk mijn blog afmaken. Door de hitte en het reizen is me dat niet eerder gelukt. Mehmet brengt me een warm brood en wij geven ze brood met hagelslag terug. Mehmet vraagt met Google vertaal, waar we vanavond slapen. Wij hebben inmiddels bedacht dat we dat hier gaan doen. Nou, dat vindt hij geen goed idee. Er komen hier wilde dieren en adviseert om in het dorp te komen slapen. Dat is veel veiliger. Ik wuif het weg. We redden ons wel. Als het donker wordt, loopt de picknickplek leeg en zijn we nog alleen. Ik merk dat de opmerking van Mehmet me bezighoudt. Ik zoek op waar in Turkije beren voorkomen. Precies, deze regio wordt als eerste genoemd. Allerlei scenario’s duiken op in mijn fantasie[1]. Ik sluit de deur en ook de zijramen. Het is aardedonker buiten. Alleen de bovenramen staan open tot ergernis van Wil René die het warm heeft. Er komt politie het terrein oprijden. Ze staan even stil maar rijden dan toch door. We hebben nu ook stilzwijgend toestemming van de autoriteiten om te kamperen. We horen nog twee auto’s voorbijrijden en een zware motor. En dan is het doodstil. Ik ben zo moe dat ik binnen 5 minuten in slaapval en wakker wordt omdat ik het koud heb! Dat is lang geleden. Het is afgekoeld tot 15 graden, alleen een laken is dus te koud. Van de wilde dieren heb ik niets gemerkt, voor niks me zorgen gemaakt. Die motorrijder blijkt hier zelfs in een tentje geslapen te hebben. Of hij wist niet dat hier beren voorkomen of hij is niet bang voor ze. Ik zie alleen een eekhoorn met een witte staart rondscharrelen en een buizerd op een tak landen.


Nog niet gewend dat de klok een uur vroeger staat, vertrekken we al om 8 uur al. We kiezen ervoor om niet langs de kust te reizen maar parallel door de hoogvlakte met behulp van de papieren kaart. Die hebben we gekregen van de reisorganisatie. Er zijn routes met groene stippen die mooi zouden zijn. Eerst dalen we van de groene hoogvlakte met zijn weidsheid naar 1500 meter. Die hoogte blijven we de hele dag zo ongeveer rijden. Die mooie route begint bij Göle.

Dennenbomen in een kloof, daarna gekleurde rotsen met smalle hoge populieren. We slaan af en volgen de rivier Çoruh stroomopwaarts en komen bij een stuwmeer. Dat stuwmeer staat zeker 10 meter te laag, gezien de witte rand. Er lijkt geen einde te komen aan het stuwmeer, het is letterlijk een gevuld dal. Een compleet verlaten dal met bergen waar nauwelijks iets op groeit. Op de kaart

was het gewoon een  rivier. Na 15 km en heel veel bochten zien we de dam. Aan de achterzijde zien we hoe kolossaal de wand is. En hoe klein de rivier. We volgen opnieuw de rivier.

Een paar bochten verder rijden we een tunnel in van 5 km.  Gloed-je-nieuw. Als we daar uitrijden, zijn we alweer bij een stuwmeer. Er volgt tweede tunnel, een derde. We rijden bijna 45 km door tunnels met korte stukjes daglicht. En al die tijd komen we nauwelijks een tegenligger tegen. Voor wie hebben ze die tunnels aangelegd? We pauzeren op het gravel aan de rand van het derde stuwmeer waar het 38 graden is. Wat een verschil met die 15 van vanochtend.

 

Mijn oog valt op een verderop gelegen museum voor moderne kunst gecombineerd met oude ambacht. Initiatiefnemer is een voormalige prof aan de kunstacademie in Istanbul die hier geboren is. Er staat een modern gebouw dat een museum, een conferentieoord, een restaurant en sinds dit jaar ook guesthouses. Met dit centrum wil hij zijn geboortestreek een boost geven. De route blijft op hoogte maar het landschap verandert weer. Het is er droger en golvender. De hoge bergen van Kaçkar hebben we achter ons gelaten. De rivier kronkelt nog altijd, net als de weg die we volgen. Die weg wordt wel steeds smaller maar er is weinig verkeer.  



Om bij het museum te komen dat op een berg aan de overkant van de rivier ligt, moeten we dwars door een gehucht. Het is dat er bordjes staan, anders waren we omgedraaid: tussen een huis en een schuur, dit is toch niet de weg…? 


Bij het museum worden in het Nederlands aangesproken door een Turkse Nederlander (nu tour guide in Trabzon) die met zijn ouders en vrouw rondloopt. Zijn moeder denkt diep na, en zegt dan “Ik heb 30 jaar geleden in den Haag gewoond.” Ze is trots dat ze de woorden nog herinnert. Haar andere zoon woont nog altijd in Den Haag en werkt op het consulaat. We krijgen een rondleiding van een Turkse jongen die in Polen psychologie heeft gestudeerd. Nu is hij in-between-jobs. Zijn baan waarin hij met Turkse jongeren in Polen werkte, heeft hij opgezegd. Dat was het niet. Om geld te verdienen werkt hij nu in de zomer hier. Het museum is deels een allegaartje van volkskunst[2], moderne kunst, gehaakte kleedjes, oude vazen, glazen mondkapjes. Niet echt een geheel maar wel een paar leuke stukken.


Bij navraag is alleen het guesthouse dat boven de vallei hangt beschikbaar - niet geschikt voor mensen met hoogtevrees. 110 euro per nacht vind ik te veel voor een plek in de middle of nowhere. We rijden nog 50 km naar Bayburt en het landschap verandert in een groener, vlakker landschap met landbouw en dorpjes.


In Bayburt is weer een picknickplek waar we als camperaar kunnen overnachten. Het is 7 uur ’s avonds als we een plekje naast het gras en bomen weten te bemachtigen. De zon is al achter de bergen gezakt. We eten buiten op onze campingstoelen terwijl de Bayburters picknicken aan picknickbanken of op een kleed. Hier zijn ze minder nieuwsgierig.

En dan ineens zijn er grote zwermen met kraaien die met veel gekras landen in de bomen. Voor degenen die Birds van Hitchcock hebben gezien, een benauwend tafereel. Hier blijven ze in de bomen. Alhoewel ik ’s morgens wakker wordt van zo’n kraai die op het dak rondscharrelt. De zwarte vogels hebben nu het gras en de picknickbanken in bezit genomen en foerageren in de prullenbakken en op de grond. De sproeiers zorgen voor drinken en wasgelegenheid. Na beter kijken zijn de zwarte vogels een verzameling van roeken (de grootste), bonte kraaien en kauwen (de kleinste). En net zo plotseling als ze gisteren kwamen, vertrekken ze vanochtend. Wel nadat ik schoten hoor.


Ik verheug me op het volgende rit richting Trabzon, volgens de kaart weer met groene punten (mooie route). Ik rij het eerste deel dat na gisteren wel aardig is maar niet bijzonder. Het tweede deel rijdt Wil René en heb ik mijn camera in mijn hand. Maar de waarschijnlijk ooit mooie route, is

vervangen door een weg met aaneengeschakelde tunnels. De langste tunnel is zelfs 15 km. Wel een goede want deze is wel voorzien van nooduitgangen, goed licht en ventilatie - volgens Wil René die bij Rijkswaterstaat een tijdje met tunnels te maken heeft gehad. Om de paar kilometer wordt de tunnel blauwverlicht wat ik wel mooi vind. Het enige mooie op deze route.


We slaan af om naar een camping te rijden en komen meteen in een file. Veroorzaakt door de geparkeerde auto’s van bezoekers aan de weekmarkt. De weg is wat smaller geworden dan normaal. Het leuke is dat je rustig naar de mensen langs de weg kunt kijken en kunt fotograferen. 

  

Eindbestemming is een camping, nou ja een plek waar ze een warme douche hebben. Als restaurant in 1994 begonnen en twee jaar later ook een camping, vertelt de zoon van de eigenaar. Die leeftijd is af te lezen aan de staat van het restaurant. De douche en wc zijn van latere datum, gelukkig. Als we de camper op een plek hebben staan waar geen takken de lak er af schuren en de schaduw redelijk is, pakken we de fiets naar de weekmarkt. 3 kilometer naar beneden. De markt waar in de file stond is klein met vooral kleding. Waarom er zoveel mensen op afkomen is me een raadsel. Het antwoord ligt een stukje verder terug in het dorp. In een zijweg van de doorgaande weg staan alle kramen, vol met groente, fruit, pannen ed. Ik proef een stuk Pestil. Langs de weg stonden overal reclameborden met het woord Pestil. In het Nederlands heet het fruitleer. Ik proef het ingedikt fruitsap met walnoten. Welk fruit – geen idee. De noten maken het wel lekker. Ik heb het eerder geproefd toen we in Kars waren en medereizigers kaas kochten waar dit bij zat en niemand wist wat het precies was. Pestil dus. 



Het is zomer en dan komen er op de camping vooral Turkse gasten. De rest van het jaar zijn het vooral Europeanen en Russen, vertelt de campingbaas. Het is zomer, dus bouwen - als het al donker is - twee gezinnen en een motorrijder hun tenten op. Voor één nacht. Wij blijven er twee want het waait er en de tweede dag is het bewolkt waardoor de temperatuur niet hoger komt dan 24 graden – heerlijk! Ik rommel wat, doe een wasje, schrijf een stukje en de dag is zo om.


We volgen de vallei naar Trabzon. Ik wil graag het graf en de moskee zien van Gülbahar Hatun, de moeder van Selim, de Osmaanse Sultan die in de acht jaar dat hij heerste het rijk 70% groter maakte. Het verhaal[3] dat ik las voor we op reis gingen was dat ze een bijzit was in de harem van de Sultan, geroofd uit Albanië. In de harem waren meerdere vrouwen die zonen baarden en dat waren geen broers maar concurrenten. De sterkste/slimste overwon en dat betekende in de praktijk broedermoord. Als moeder was ze verantwoordelijk voor de opvoeding van haar zoon, een kroonpretendent. Ze ging mee toen haar zoon gouverneur werd van Trabzon als onderdeel van zijn opvoeding. Hij was de vierde zoon. Zij zou al zijn strategisch, politiek inzicht nodig hebben om sultan te worden. Ze heeft niet meer meegemaakt dat die functie veroverde. Niet door te wachten op het overlijden van zijn vader maar door zijn vader af te zetten en zijn broers te vermoorden.    

De graftombe is sober en gesloten, ik kan alleen door het raam haar graf fotograferen. De moskee is door haar zoon gebouwd en heeft een mooi portaal. Het is vrijdag, 30 graden en het plein zit vol biddende mannen. Voor ik denk dat dat een mooi plaatje kan zijn, staan ze op en verspreiden zich. Ik doe mijn schoenen uit en vraag of ik binnen mag kijken. Natuurlijk. Zonder

hoofddoek stap ik in de grote ruimte waar nog een enkele man zit/staat te bidden. Ze lijken erg op elkaar die moskeeën. Bovendien ruikt het sterk naar zweetvoeten. Ik ben zo weer buiten. Terwijl ik mijn veters strik, heet een oudere man me welkom in deze zeer oude moskee. In 1514 opgeleverd.



We hebben de camper geparkeerd bij een hele grote, nieuwe moskee. 500 jaar later opgeleverd dan die van Gülbahar Hatun. Daar hoef ik niet zo nodig in. Achter deze joekel staat sinds dit jaar een schaalmodel van de El Aqsa moskee in Jerusalem. Opmerkelijk. Een stichting van broeders met gelijke waarde heeft het laten bouwen.

 

De fietsen gaan eraf en fietsen naar de Hagia Sofia – de tweede deze reis (de eerste was in Griekenland). Deze is kleiner, lichter en de voormalige Byzantijns christelijke kerk is nu ingericht als moskee. Het vloerkleed ligt nog opgerold zodat de mozaïekvloer te zien is. We hebben 20 minuten voordat het vrijdaggebed begint en het tapijt teruggerold wordt. De koepel is niet meer zichtbaar door een soort paraplu’s. Ik gok dat ze het gruis opvangen dat naar beneden komt. Een dame uit Kazachstaan bezweerd me dat ze (moslims) dat expres hebben gedaan zodat we de muurschilderingen in de koepel niet kunnen zien. Ze is een tot Christendom bekeerde moslim, legt ze uit. Nog snel kijken naar prachtig herstelde plafondschilderingen in de zijbeuk. Sultan Selim is trouwens ook degene die de Islam in dit gebied heeft hier ingevoerd. Uit de doos bij de ingang heb ik een oranje sjaal gevist. Staat me best goed. Maar blij dat ik ‘m weer af mag doen en de wind in mijn nek voel.



We rijden nog door het centrum waar oude wijken zijn gesloopt en de oude stadsmuren deels zichtbaar worden waar de Ottomaanse huizen bovenuit steken. We fietsen zoveel mogelijk in rustige straten – soms tegen het verkeer in maar dat lijkt iedereen normaal te vinden, inclusief politie. Bijna gaat het mis als een auto Wil René over het hoofd ziet en rechts af wil slaan. Gelukkig stopt hij op tijd maar mijn hart zit wel in mijn keel.

 

Het centrum is verder niet zo boeiend dus besluiten we verder te rijden langs de zwarte zee. De plek waar veel Turken nu vakantie houden. Ik zie tenten en caravans staan net achter de vangrail, uitkijkend over zee. We zien veel zwart stenen aan de kust, zou de Zwarte zee daar haar naam aan te danken hebben?    


Het is inmiddels bewolkt en het regent soms een beetje. De temperatuur zakt al iets. Op zoek naar een koelere overnachtingsplek slaan we na 2 uur weer een dal in en rijden de bergen in. Er

zijn daar watervallen en dat betekent parkeerplaatsen waar we waarschijnlijk wel kunnen overnachten. Bij de eerste wandelen we naar de waterval die uiteraard tegen betaling van dichterbij te zien is. Bij de volgende waterval zie we politie nummerborden fotograferen van auto’s die langs de kant staat, ondanks stopverbod. De parkeerplaats staat vol. De derde parkeerplaats is bij een Travertijn-waterval. Vanaf

een grote, vrijwel lege parkeerplaats zie ik de rijen bezoekers boven me de trap afdalen. De parkeerplaats boven is vol, we overnachten hier en dan gaan we morgenvroeg wel als er nog weinig bezoekers zijn. Een busje uit Macedonië komt vragen of we hier gaan overnachten. Ja. Oh, dan blijft hij hier ook staan. Later komt er nog een Turks busje bij. 

De volgende ochtend rijden we naar boven, betalen 2 euro en trekken onze slippers uit. Alleen op blote voeten mag je het witte travertijn betreden. Een beetje aarzelend zet ik mijn voeten op de glimmende stenen trap. Koud is het water, maar de trap is niet glad. Ik wandel naar beneden nog altijd bedacht op uitglijden. Beneden zijn bekkens uitgehakt waarin het water lichtblauw water kleurt. We hebben mazzel, de zon schijnt. Wil René probeert me nog in een diep bekken te laten stappen voor een “foto” maar de eerste trede is al zo diep dat ik mijn korte broek snel nog hoger trek. Ik loop over een rand terwijl Wil René stiekem filmt in de hoop dat ik omkukel. Hij heeft pech. Er zijn genoeg fotomomenten. Om mij heen zijn gezinnen elkaar ook aan het fotograferen. We nemen de trappen zonder reling naar boven en moeten via een paar bekkens terug naar de ingang. Nu zie ik Wil René zijn korte broek omhoogtrekken. Het is pas half negen en voel ik de warmte van de zon, die mijn koude voeten compenseert. Vanmiddag gaan er beslist mensen vrijwillig een nat pak halen.


We rijden verder landinwaarts en zodra we een mooie schaduwplek zien stoppen we voor een kop koffie. Even later stopt er zo’n oude rode vrachtwagen, vlak achter ons. Nieuwsgierig als ik ben ga ik toch even kijken. Er stapt net een vrouw uit met een knapzak over haar schouder. Ik groet Merhaba en zij rebbelt in het Turks tegen me. Ook als ik in het Turks vertel dat ik de taal slecht ken, rebbelt ze gewoon door alsof ik het dan wel ga begrijpen. Ze loopt direct door naar de andere kant van de weg en verdwijnt tussen de struiken de toch wel steile helling omhoog. Ze lijkt net een kaboutervrouwtje. De zoon spreekt een paar woorden Engels. Maar net onvoldoende om mijn vragen te beantwoorden. Wil René helpt met Google Vertaal. Ze zijn onderweg naar hun weiland om gras voor de koeien te maaien. Die staan bij hun huis een eind verderop. Boven bezitten ze niet alleen grasland maar ook hazelnootstruiken. Vandaag gaan ze die ook plukken voor de markt[4]. En terwijl moeder de vrouw al lang en breed boven is maken nu vader en zoon ook aanstalten. Hij met een grasmaaier en rugzak, pa met zijn jasje die hij net heeft aangetrokken.


De vallei is groen met steile wanden en veel naaldbomen. We stijgen weer tot 1850 meter, zien nog een restje sneeuw en rijden dan via een 5 km lange tunnel naar de Zuidkant. Die is meteen droger en lelijker. Het landschap is door de Turkse weg en waterbouwministerie aangepakt. De weg is verbreed en bovenin wordt de vallei klaar gemaakt voor een stuw. Deze vallei eindigt in een breed dal dat naar het westen loopt. Daar zien we een groot stuwmeer met daarin viskweek. Van die grote cirkels. Als pauzeplek kiezen we een haven waar je verse vis kunt kopen. Sterker nog je kunt met een schepnet je verse zalm of forel uit een kweekbak in het meer halen. Verser krijg je het niet. Ze springen nog in de emmer. Nou lust ik best vis maar om zelf de vis de kop af te snijden en de ingewanden eruit te halen. Nou nee. Ik eet vanavond Haloumi.   


Aan het einde van het stuwmeer zien we een aftakking van het rivierwater in een kanaal verdwijnen. Dat kanaal daalt net als wij. En hoewel wij dit keer geen tunnels hebben, zien we het kanaal af en toe verdwijnen in de rots om even verder weer tevoorschijn te komen. Het passeert zo bergen, wegen en dorpen. Voor de volgende stuw wordt het water via een energiecentrale weer in de rivier gestort. Bij de iedere dam zien we dan opnieuw een aftakking in een betonnen kanaal gaan, parallel aan de weg of hoger. Weinig verval. Het lijkt een soort open waterleiding.

Het is een sport om onderweg de leiding te volgen in een verder saai landschap en met de zon op de voorruit is het ook een manier om wakker te blijven. We zijn gedaald tot 350 meter. Vlak voor onze afslag bij Niksar zien we ‘m niet meer. Maar liefst 100 km kanaal reken ik later uit. We steken de rivier Kelkit over en doen boodschappen met 36 graden. Gelukkig ligt de camping op 1000 meter. Het is een resort met camping, huisjes en picknickplekken. Op het campingdeel staan alleen Turkse kampeerders. We staan nog niet of de buren hebben ons uitgenodigd voor thee en krijgen we aanwijzingen van de andere buurman over zon en windrichting.


We zijn ongeveer halverwege Turkije ook al hebben we alweer 1200 km gereden. Ik ben benieuwd hoe het noordwestelijke deel er uit zal zien.  

 

Bijzondere en gekke dingen:


Een afgedankte treinwagon als brug over de rivier. In Maçka zagen we er drie. Slim hergebruik.


 

 

Voetnoten

[1] Bijvoorbeeld dat van de Grizzly-man, docu van Werner Herzog uit 2005. https://www.cinema.nl/db/1924122-grizzly-man

[2] Het tapijt (Gabbeh) toont het mythologische wezen şahmaran voor. Figuur uit de anatolische folklore. Benieuwd naar het verhaal? Kijk dan https://youtu.be/yUn4JsQ-1_U?si=dPX64h-nnZAuvhw1

[3] Gods schaduw: hoe sultan Selim I de loop van de geschiedenis bepaalde. Alain Mikhail 2020

[4] Turkije is ’s werelds grootste hazelnoot producent – 70 tot 80% komt uit Zwarte Zee Oostelijke kustregio . Langs de weg, bij de benzinepomp overal kun je zakjes tot balen (ongepelde) hazelnoten kopen. https://nl.atlasbig.com/landen-op-basis-van-de-hazelnootproductie

© 2026 Hellie van Hout

bottom of page