top of page
  • 2 dagen geleden
  • 8 minuten om te lezen

Agua Amarga 21 januari - 1 februari 2026


Vlak voordat we vertrekken, bestuderen we de weersvoorspellingen. Die zijn voor de Zuidkust somber komende week. Veel regen en stormachtige zuidwestenwind. Hmm. “Laten we naar Agua

Amarga gaan, dat kleine plaatsje aan de oostkust.” Twee jaar geleden hebben we daar met veel plezier gestaan. Een camperplek die aan de zuidwestkant door rots wordt beschermd. Op 100 meter van het strand met strandtent. Dus in plaats van westelijk, rijden we een uurtje naar het noorden. Ik bel van tevoren of er plek is, omdat je er niet kan reserveren. Januari is een drukke maand. “If you come in the morning, there is always place”, zegt de camperplek. Als we om half elf aankomen, kunnen we nog net op het laatste plekje staan. Tussen een paar grote campers. Met uitzicht op de achterkant van een ook grote

camper. Niet ideaal, hoewel die grote jongens de wind blokken terwijl de zon ertussen schijnt. In de middag zit ik voor het eerst sinds dagen met een korte broek een boek te lezen. Toch staan we liever aan de zijkant van de camperplaats. We kunnen altijd morgen verplaatsen. Met de eigenaresse bekijken we wie er mogelijk morgen vertrekken. Dat blijken er vier te zijn. We informeren ’s middags bij de eerste twee campers, die melden dat ze gaan verlengen. De derde blijft ook nog maar haar buurman, een Estlander gaat wel vertrekken. Als de buurvrouw dat hoort, zegt ze meteen: “oh dan kunnen mijn vrienden naast me komen staan.” Nou, niet als het aan ons ligt. Die kunnen wel op onze plek. Dat kunnen we nu niet overleggen met de eigenaresse van de camperplek. Ze is er alleen tussen 10 en 12 dus dat doen we morgenvroeg. Die nacht regent en waait het. Onze camper staat redelijk beschut.


De volgende ochtend staan er al campers voor de poort te wachten. De Estlander is nog niet wakker. Om stipt 10 uur rijden de eerste campers al naar binnen, op zoek naar een vrije plek. Wil René gaat bij de eigenaresse navraag doen en krijgt te horen dat hij achteraan in de rij moet aansluiten. Ze spreekt ineens geen Engels meer en is gestrest. Het blijkt dat er veel minder campers vertrekken dan ze verwacht had. Daarnaast heeft ze tegen camperaars gisteren gezegd dat als ze om 10 uur komen, er plek is… We leggen ons er maar bij neer. Om zijn frustratie - afspraak van gisteren bestaat vandaag niet meer - af te reageren, gaat Wil René maar afwassen. “Heel fijn”, denk ik. Ondertussen hebben de eerste nieuwe camperaars een plek en is de

Estlander nog altijd niet in beweging gekomen. Wil René checkt of hij nog wel gaat, en dat is zo. Wil René doet nog een poging bij de eigenaresse, ditmaal met Google Translate, en nu lukt het wel om af te spreken dat wij verkassen en dat een nieuwe op onze plek komt. Tjonge 1,5 uur stress. Maar wel met een goed resultaat: we staan op een veel betere plek: meer zon, meer uitzicht, minder wind. 



De camperplek ligt zo dicht bij het strand (de roze pijl op de foto) dat het geen einddoel van mijn wandeling kan zijn. Wel zijn er meer mogelijkheden: rondje door het dorp met veel bloeiende bougainvilles; de berg op om vanaf boven het dorp met zijn witte huizen te zien; de grotten boven het strand. In de middag wandelen we nog een keer via het strand maar dan naar het terras als doel. Proosten op weer een mooie dag.

 

 

Als we boven de camperplaats wandelen, ziet Wil René nog ‘n wandelpad op de berg bij de zee. Laten we daar morgen gaan wandelen. Op goede geluk zoeken we in het dorp de weg naar boven. Ergens moet dat pad beginnen. Maar we zien ‘m niet. Wel denken we dat pad wat hoger te zien. Dus klauteren we tussen de grassen, struiken en kalksteen naar boven. De laatste meters heb ik ook mijn handen nodig, maar dan staan we wel op het pad hoog boven het strand. Het loopt naar het einde van de baai. Als we bij de hoek komen, voelen we de harde wind. Daarmee

is het smalle pad hoog boven de zee niet veilig. Ik maak een foto van het uitzicht om de hoek. Snel weer de hoek om,  en genieten we van het uitzicht over “onze” baai terwijl we op een oude bunker zitten. 


Met de boodschappen die we onderweg hebben gedaan, koken we vier dagen: maaltijdsalade, venkelschotel, nasi en schnitzel met sperziebonen. Dan moeten we boodschappen doen: met de fiets naar de supermarkt in Carboneras. Acht kilometer verderop. Eerst een pittig klim het plateau op, door het natuurgebied, en weer afdalen. Hier zijn weinig bochten, en met goed asfalt durven we met 57 km per uur af te dalen. Dan langs een cementfabriek, ontziltingsinstallatie en de industriehaven. Hé de hoge pijp van de energiecentrale staat er niet meer. Later lees ik dat de kolencentrale vorige jaar is afgebroken na 40 jaar. Nu wil het energiebedrijf via een internationale inschrijving (inmiddels 14 voorstellen) het gebied nieuw leven inblazen met oa hernieuwbare energie. Het is Futur-e Plan gedoopt. Benieuwd wat we hier de volgende keer aantreffen.


Het stadje zelf is onveranderd. Alleen weet het meisje van de boekhandel niet hoe ze de foto’s die we haar mailen op A3-formaat kan printen. Na een paar pogingen verwijst ze ons naar een imprimera (drukker). In een ander dorp hebben we een keer hele dure kopieën op hoogglanzend karton gekregen omdat de drukker niet begreep dat we gewoon eenvoudige kopieën willen om te gebruiken met schilderen. Met die ervaring lukt het om mooie kopieën op 80 grams papier te krijgen.


We fietsen snel terug. Het is mooi weer dus kunnen we schilderen. Helaas gaat het de komende dagen weer stormen, dus bouwen we ons stoffen huisje nog steeds niet op. De voorspelling is 90 km per uur.  



Die storm klopt. Ze heet Herminia, lees ik in de Spaanse nieuwberichten. Waarschuwingen voor hevige wind en hoge golven. Een paar dagen windkracht 6 – 7 met stevige windstoten tot 110 km per uur. De zee is ruw en mooi om naar te kijken. De echte grote golven zitten verder op zee. De horizon heeft geen donkere lijn van de zee maar een grillige witte. Het water stuift vanaf de golven.  We wandelen een paar keer per dag langs het strand om te kijken. Mijn ogen blijven gefixeerd op de golven, die in de verte hoog opspatten op de kust. Of ik zit in een stoel te kijken naar de langs jagende witte wolken in de blauwe lucht. Het is namelijk niet koud: overdag 16 tot 19 graden en ’s nachts 12 tot 16.


In de wijnbar staat een potje met een rood servet, spar takjes en kerstballen. Ook bij huisdeuren hangen nog kerstkransen of een staat een kerstster. Bij ons het met 6 januari wel klaar met kerst. Hier waarschijnlijk eind januari? De volgende dag krijg ik antwoord. Een weg in het dorp is geblokkeerd door een hoogwerker. Hij is bezig de kerstverlichting er af te halen. Op 28 januari of is de storm aanleiding om het er nu al af te halen? 


Daags daarna vult een lange hoosbui de rambla. Overal lopen kleine stroompjes richting zee. Het strand is een stukje korter geworden. De golven hebben een mini afgrond gemaakt en knabbelt met iedere golf een stukje van het strand af. Ik zie een scheur langs de rand en film om te zien

hoe het afbreekt. De golven spoelen het zand er onder weg, maar de rand blijft fier overeind. Na 10 minuten geef ik het op en waarschijnlijk als ik 25 meter verder ben, is het alsnog afgebrokkeld, alleen ben ik daar geen getuige van.


’s Avonds vangt een aggregaat de uitgevallen stroom op. Alleen op de camping, het dorp zit in het donker. Een volgende dag valt wederom de stroom uit. Net op het moment dat ik me wil gaan douchen. De douche werkt met munten en het apparaat doet het niet zonder stroom. Maar na uurtje doet de stroom het weer. Net lang genoeg om te douchen – dan ligt de stroom er weer af. Wederom wordt de generator gestart en hebben we weer stroom. De accu zit vol we hebben geen enkel probleem en dat geldt waarschijnlijk voor alle campers.  ’s Avonds zijn de bergen om ons heen weer aardedonker. Geen enkel verlicht raam. Ondanks de storm hoor ik de aggregaat brommen. Vannacht gaat het weer spoken, is de voorspelling. Bij stevige windvlagen hoor ik zand op het dak vallen.  


De wind trekt aan mijn lijf tijdens een wandeling landinwaarts. Het smalle pad vraagt dat ik naar de grond blijf kijken om mijn voeten goed neer te zetten, en niet te struikelen over rotsen en takken. De wind maakt dat nog uitdagender. Op sommige stukken is de wind zo sterk dat ik voorover hang om vooruit te komen. Alleen stilstaand kan ik dit stuk natuurgebied bekijken, al

probeert de wind me toch uit balans te krijgen. Plotseling rukt de wind aan mijn arm zodat mijn hand een cactus aantikt. Een lange naald hangt aan mijn pink terwijl een andere n stukje huid heeft losgetrokken. Pijnlijk maar een dag later is alles weer oké. Er bloeien veel bloemen (vooral schijnraket en knikkende klaverzuring) dankzij de regen en de zon.



Na drie dagen worden we wakker en er raast geen wind om de camper en de zon piept naar

binnen. Net als iedere morgen is het rond 10 uur onrustig met campers die een plek willen. Een gewilde plaats. In de rambla naast de camperplek staan iedere dag wel campers hoewel bij de ingang van het dorp een bord staat dat kamperen met campers en caravans verboden is. Zelf in het zicht van het bord. De camper naast ons is in alle vroegte vertrokken. Even denk ik dat ze boodschappen zijn gaan doen, want er staat nog een opstapje. Mensen laten vaker stoelen staan, of een kleed of oprijblokken, waarmee ze aangeven dat ze terugkomen. Later blijkt dat onze buren het opstapje in de haast zijn vergeten. Lastig, lijkt me.


Lastig is ook dat een deel van de verlichting het niet doet. Waarschijnlijk is de schakelaar op het display het probleem. Om daar bij te kunnen moet Wil René eerst een half uur van alles losschroeven (deurtje, plankje, behuizing ed). De schakelaar is binnenin vuil. Hoe dat kan geen idee, maar eenmaal schoon werkt het weer. Fijn zo’n klusser als partner.


Dit gebied is trouwens onderdeel van het grote Natuurpark van  Cabo de Gata. Een droog landschap van schelpenzand  rotsen en vulkanische rotsen. Waar nauwelijks wegen zijn. Eentje naar het noorden - Carboneras - en eentje naar het westen – aansluiting met de snelweg 7 km verderop. Naar het zuiden lopen alleen wandelpaden. Niet fietsbaar. Dus wandelen we iedere dag en telkens iets verder. Met de app Organic Maps kan ik wandelpaden in de buurt zien. Er zitten er hier genoeg.  Zo kan ik telkens een ander pad kiezen. Door de afwisseling vind ik het makkelijker iets langer te wandelen.  Vandaag 45 minuten. Zodra we buiten het dorp zijn, lopen we langs een begraafplaats. Ik wil dat eigenlijk al een tijdje bekijken. Het idee dat er mensen zijn die rouwen heeft me weerhouden. Hier is niemand. Dus durf ik rond te lopen langs de nissen (nichos). Wat opvalt zijn foto’s van de doden met hun beroep of hobby. Een boer met zijn tractor, een mandenvlechter, een jager. Er staat zelfs een speelgoed shovel naast de nis van de chauffeur. Bij een nis is het strand met heuvels van het dorp weer gegeven in geglazuurde tegels. 


Als ik zoek naar de geschiedenis van dit dorp – wat beperkt is tot vissershaven en laadplatform van de ijzererts uit de mijn van Lucainena[1] - zie ik dat er binnen mijn loopafstand (25 min) een meer dan 1500 jaar oude wilde olijfboom staat. In deze omgeving staan weinig bomen, laat staan hele oude. Te droog, denk ik. Deze staat in de rambla, waar soms een klein beetje water door stroomt. Daar zien we ook een amandelboom in volle bloei staan en we horen een rode patrijs, die we gisteren tijdens onze wandeling plotseling zagen wegvliegen. Dat ontdekken we via de vogelapp Merlin Bird ID.    


De laatste dagen is het mooi weer, dat betekent lekker schilderen. De camper naast ons zorgt voor de schaduw in de middag. Geen tentje nodig. Ik oefen verder met verschillende huidskleuren. Wil René waagt zich aan een Rembrandt.

   

 

 


[1] Daar waren we in 2023 - zie ook 2e deel van het filmpje over de ovens waar het ijzererts werd verwerkt - https://youtu.be/nAj1imq2Pjg?si=0JurtyYQ96aBoZZy


  • 23 jan
  • 10 minuten om te lezen

Almendricos, Cabo de Gata 7 – 21 januari 2026


We reizen een klein stukje zuidelijker en een klein beetje het binnenland in. Onderweg zien we in de verte de Sierra Espuña liggen met witte toppen. Sinds afgelopen week ligt er in de provincie Murcia al sneeuw op de 400 meter hoogte. Ongekend laag voor Spaanse begrippen.


Onze route gaat door de Sierra de la Almenara naar het landbouwgebied dat tussen bergen ligt op zo’n 350 meter hoogte. Daar is een kleine camperplek, met weids uitzicht. De 13 campers staan op grind, met daartussen een grote variëteit aan cactussen, vetplanten en palmachtige planten. NIET water! geven staat nadrukkelijk in de informatiemap die we krijgen. Doen we dat

wel dan worden we weggestuurd. Sinds 7 jaar werkt het jonge stel aan deze plek. Met een zevenjarige zoon lieten ze Vlaanderen, een kappersbaan en een dierenwinkel achter voor deze plek, vlakbij de grens met Andalusië. Aanvankelijk verhuurde ze een deel van het huis en mochten er drie campers op de oprit staan. Corona gooide roet in het eten. Maar het zijn aanpakkers. Hij vond een vaste baan in vastgoed, en zij werd sleutelbeheerder, schoonmaker van een aantal verhuurhuizen in de regio. Zo overleefden ze de crisis. Ondertussen maakten ze een echte camperplek – voor zes – en nu 13 plekken. De douche en keuken van het verhuurdeel zijn voor de camperaars én de douche in het huis voor een deel van de ochtend en de middag. Stapsgewijs bouwen ze aan de plek want voor een apart douchegebouw hebben ze nog geen vergunning. Inmiddels is zij fulltime met de camperplek bezig, knipt ze gasten en kookt ze dagelijks twee verschillende maaltijden, waar je op kunt intekenen (van blinde vink met sperziebonen en puree tot pasta cabonera}. Hij werkt en bouwt aan de tuin. Aanvankelijk reed hij naar tuincentra en kocht planten die het in dit klimaat goed doen. "Maar het is wat uit de klauwen gelopen", zo zegt hij. Inmiddels zijn er zo’n 200 verschillende planten en is er een stuk grond al voorzien van paden waar een tuin komt met nog meer exoten – de visitekaartjes zijn al gedrukt.


Dat we meer in het binnenland kamperen merk ik meteen ’s nachts. De temperatuur koelt af tot maar 2 graden - brrr. Het grote voordeel van een heldere hemel is dat de volgende dag, de zon volop schijnt. En dat we ‘s avonds een treintje van Starlink satellieten voorbij zien trekken. 

’s Ochtends maak ik meteen gebruik van de kapper. Ze heeft een kappersstoel met grote spiegel klaarstaan. Terwijl zij mij knipt verplaatst Wil René onze camper naar een plek met uitzicht op de heuvels. De plek is net vrijgekomen. De kapster houdt van kletsen en hoewel ze allang klaar is, blijft ze vertellen over de camperplek, het onderwijs, over een collega-camperplek die ik ook ken etc etc. Met moeite zoek ik een moment, om niet al te onbeleefd te vertrekken. We staan hier namelijk nog een week. Ondertussen heeft Wil René ook maar ons stoffenhuisje opgezet – in zijn eentje. Het tentje zorgt ervoor dat hij heerlijk in t-shirt en korte broek geniet van de zon. En ik ook.    


Natuurlijk schilderen we ook in het tentje, totdat de wind ineens aantrekt. Alles klappert. De windstoten zijn hard. Te hard. De weersvoorspelling geeft aan dat het vandaag en morgen zo blijft. Dus breken we het tentje weer af. Dat is makkelijker gezegd dan gedaan. De zijwanden gaan goed maar de luifel indraaien… Ik sta op een krukje en hou, met alle kracht, de luifel op zijn plek. Althans dat is wat ik wil, maar die windvlagen duwen de luifel zo hard naar binnen, dat Wil René moet bijspringen. Zodra de wind even gaat liggen, draai ik zo snel als ik kan, de luifel naar binnen terwijl Wil René hem inbedwang houdt. We hebben er goed aangedaan, want de wind neemt alleen maar toe.


Met ons uitzicht op de velden, zien we hoe de wind stepperollers voortstuwt. Van die droge plantenbollen die je in Westerns door de vlakte ziet stuiteren. Hier stuiteren ze door de velden met sla. De wind tilt ze soms hoog op zodat ze over hekken vliegen en al stuiterend hun weg vervolgen. Op facebook is een video van dit tuimelkruid te zien[1]


De volgende dag is het windstil en de lucht weer blauw. Dus bouwen we ons huisje weer op. Zijn we weer driekwartier mee zoet. De komende dagen lijken rustig te blijven…  zeggen ze.


Ook hier ga ik iedere dag wandelen. Niet een mooi strand, noch een terras. Gewoon een rondje langs de groentevelden, braakliggende stukken land en langs waakhonden. Ineens zien we een fazant tussen de stenen, nee een haas, nee een kip wegrennen? Gezien de afstand moet het

wel een hele grote kip zijn geweest, meer een gans maar dan met een korte nek.  We speuren op internet en komen uit op de Grote Trap[2]. Een vrouwtje gezien de kleur en de smalle nek. Ze komen inderdaad nog voor in Spanje, in rustige gebieden die op steppe lijken. Al worden ze wel bedreigd doordat er steeds meer gebieden landbouwgrond worden. Als we datzelfde rondje een paar dagen later lopen, speurend naar deze vogel, zien we dat het braakliggende terrein wordt omgeploegd. Ondanks de vele stenen trekt een trekker het zand onder de stenen vandaan en strijkt het glad. Hier wordt gras gezaaid voor de geiten van de boer hiernaast, horen we.  

  

Ook in dit gebied moet het een paar dagen geleden gehoost hebben, gezien de modder en grote plassen die ons de weg versperren als we wandelen. En ook een dag later, als we met de fiets een route zoeken om de drukke weg te vermijden. Het was een fietsroute door de ramblas maar nu is die zwaar misvormt. Dus toch maar een stuk over de drukke weg fietsen om in Pulpi te komen, waar een grote supermarkt is. 



In het dorpje Almendricos dat op 3 km ligt, is ook een supermarktje. Als ik de gevel zie verwacht

ik er niet veel van.  Maar eenmaal binnen, blijkt het een grote winkel te zijn. Ze verkopen naast voedsel ook batterijen, pannen, wasmiddel, airfryer, kunstbloemen, loten. Er is zelfs een grote slagerij achterin of moet ik zeggen: uiteraard. Spanjaarden eten veel vlees. 105 kg per persoon per jaar [3]. Dat is 40% meer dan in Nederland. Het voorverpakte vlees in de supermarkt, zoals gehakt of kipfilet, zijn minimaal 600 gram. Kleiner is niet te vinden.


Hoewel we graag zelf koken, is het zondag Belgische frituur op de camperplaats. Heerlijk weer

eens frietjes met frikandel en kaaskroket. De campingeigenaar komt het zelfs bij de camper brengen op borden. Als het weekmenu-overzicht verschijnt, zie ik bij maandag zalm met groene asperges staan, da’s ook weer even geleden. Wil René maakt wel een salade voor zichzelf, zalm is niet zijn favoriet.


We combineren boodschappen doen met een fietstocht over een Via Verde (voormalig spoortraject). Twintig kilometer fietsen we langs sinaasappelplantages, sla- en koolvelden, met af en toe mooie vergezichten. Ook hier is er noodweer geweest, gezien de natte velden en de sporen die het water heeft achtergelaten.

Halverwege de route steken we de provinciegrens over en rijden Andalusië in. De weg is meteen slechter en op twee plaatsen ontbreken de bruggen en moeten we door de ramblas. Gelukkig geen water meer, wel een pittige bedding. Huércal-Overa is niet zo’n spannend stadje. Wel zit er sinds kort een Zeeman. Bij de kassa staat een bord waar tussen de Spaanse woorden, het Nederlandse woord Zuinig staat. Er staat “Y somos Zuinig” (wij zijn zuinig). Het woord Zuinig wordt uitgelegd als een Nederlands woord dat zowel zuinig als

voorzichtig betekent. Ik koop er een pyjama en een flanellen dekbedovertrek, want ’s nachts koelt het soms af tot 2 graden. De terugweg is dezelfde weg terug, want veel alternatieven in dit landbouwgebied zijn er niet.    

 

Na een week gaan we weer verder. De zon blijft vandaag achter de wolken, wat het afscheid makkelijker maakt. We gaan weer wat zuidelijker en weer dichter bij zee. Met de verwachting dat het daar, in ieder geval ’s nachts, weer wat warmer is. Onderweg stoppen we bij een stadje Cuevas del Almanzora. Ze hebben er een klein museum van een kunstcriticus / verzamelaar. Eerst een parkeerplek vinden want het stadje is tegen een berg is opgebouwd. Het wordt een zandvlakte onder aan de berg, achter huizen waar meer auto’s staan. Voelt altijd als een gok, is dit veilig? In die 30 jaar dat we camperen, is er nog nooit wat gebeurt. Dus nemen we (weer) de gok.  De bodem in dit gebied is van zacht materiaal. Hier zijn ook grotwoningen te zien. Eentje

is te bezichtigen en gevuld met oude spullen die bewoners hebben gedoneerd. In een hele muffe kelderlucht, bekijk ik een keuken, een woonkamer en slaapkamer. Met mijn neus dichtgeknepen “ren” ik er door heen. Liever kijk ik naar de schilderijen en tekeningen die Antonio Manueal Campoy (1923-1993) verzamelde van Spaanse

kunstenaars / tijdgenoten. Dat levert een enorme diversiteit aan schilderijen op. Voor amateurs zoals wij, is het leuk en leerzaam. Wat spreekt mij aan, waarom? En dan de doeken van heel dichtbij bekijken om te ontdekken hoe hij/zij dat heeft gedaan. Na een uurtje zijn we wel door de verzameling heen en wandelen we naar beneden waar de camper ongedeerd op ons wacht.


Bestemming is een camping in Cabo de Gata, waar vrienden van ons een paar weken kamperen. Ik heb gereserveerd en helaas krijgen we een schaduwplek. Althans de Spaanse buren hebben nog netten hangen die de zon blokken. In de zomer vast een goed plan. Nu niet. Maar och, als we de tent opzetten, blokken we de wind en dan is het vast aangenaam Zodra we onze camper hebben neergezet, gaan we op zoek naar onze vrienden. We kunnen ze eenvoudig verrassen want ze zitten met de rug naar het pad toe. Het geknerp van onze voeten op het grind, laat ze omdraaien. Surprise!


Deze camping staat ook een landbouwgebied, wel veel minder fraai omdat het tussen de kassen

staat.  Wel kunnen we in een half uur naar een terras wandelen, langs de tomaten en paprika’s die beschermd opgroeien achter witte doeken.  Totdat ze geoogst worden en sommige de pech hebben om in het water te vallen en daar wegrotten. 


De route is voor een deel ook die van een kudde geiten en schapen. Een prachtig plaatje. Van verre hoor je ze klingelen, iets dichterbij ruik ik hun sterke lucht. Een groter nadeel is dat we hun keutels niet kunnen ontwijken en eenmaal terug onze schoenzolen moeten schoonkrabben.

Tijdens een ochtend worden we verrast door een wild zwijn. Zij is net zo verrast als wij. “Nu hopen dat ze geen jongen heeft”, zegt Wil René. “Dan kunnen ze agressief zijn.” Na ons goed geobserveerd te hebben, draait ze zich om en rent terug. Daarmee komt ze achter een gaashek en voelen wij ons een beetje meer beschermd. Zeker als we zien dat ze zich bij twee jonge zwijnen voegt. Ze doen zich te goed aan resten voedsel die bewoners over het hek gekieperd hebben.   


We spreken met onze vrienden om te gaan fietsen langs de kust naar de andere kant van de landtong van Cabo de Gata. En dan terug door de heuvels. Een route van ruim 40 km en flink wat hoogtemeters. Er is enige aarzeling, totdat ik zeg dat er aan de andere kant een Indiaas restaurant zit waar we kunnen eten. De aarzeling is weg – we gaan. ’s Nachts hoost het flink. Even twijfelen we of we de tocht wel moeten gaan doen. Een deel is onverhard en misschien wel een modderzooi. We besluiten toch te gaan en als het te slecht is, draaien we om. Tot het onverharde stuk blijken we al twee flinke hellingen te moeten nemen. Bij de eerste staat 10%

dat redden we wel met mooi asfalt. De tweede helling was ooit verhard maar is verbrokkeld. Hoe hoger we komen hoe meer stenen er liggen, en de helling is steil. We stoppen vaak om uit te hijgen en van de prachtige uitzichten te genieten. Als we op het hoogste punt de hoek om slaan, waaien we bijna van de berg. Wat een wind. Trots laten we ons fotograferen door een

mountainbiker, die zonder ondersteuning diezelfde helling heeft gedaan. Hij draait om terwijl wij het onverharde pad gaan afdalen. Stoer hadden we gezegd dat we wel zouden draaien als het een te grote modderzooi zou zijn, maar nu denk ik dat het wel héél beroerd moet zijn want die helling naar beneden is ook link. Gelukkig blijkt het pad prima te fietsen zijn en alleen helemaal

beneden zijn wat plassen, die makkelijk te vermijden zijn. De andere kant van de landtong is veel mooier, door de natuur en het ontbreken van de vele kassen. Na 2 uur fietsen komen we hongerig aan in San José, zo’n dorpje met witte huizen tegen een helling. Na het eten moeten we nog 17 kilometer, 100 meter omhoog en omlaag. Eitje denken we. Maar we hebben een stevig wind tegen en de route is saai, of beter: gewoon lelijk. Eind van de middag zijn we terug, leeg. En niet alleen onze batterijen. Maar het was een prachtige tocht (althans het eerste deel).


Ondanks de muren rond de camping, trekt de wind weer aan ons huisje. Dit maal laten we ‘m staan. Het klappert wel, maar ik raak er toch aan gewend. Buiten de camping haalt de wind 55 km per uur (windkracht 6 = flinke bries volgens KNMI). Binnen de camping blokkeren andere campers een rechtstreekse confrontatie zoals op de vorige camping. Toch schilderen we weinig. Enerzijds omdat het enkele dagen te koud is (13 graden max) en anderzijds omdat we regelmatig met onze vrienden lunchen. De middag is dan al een eind voorbij en rond vier is het alweer te koud. "Deze winter is kouder dan andere jaren", hoor ik mensen verzuchten. Als ik naar de historische gegevens van januari kijk, lijkt dat zo te zijn. [4] Dit jaar heeft tot nu toe een gemiddeld maximum temperatuur van 15 graden – dat wordt pas rond 15 uur bereikt. De dag begint met zo’n 8 graden De afgelopen 5 jaar was de gemiddelde hoogste temperatuur zo’n 17 tot 18 graden.[5]  Maar het kan altijd erger: in 2017[6] was hier in januari gemiddeld 12 graden en in deze week vroor het zelfs ’s nachts en overdag werd het niet warmer dan 3 tot 5 graden. Er viel toen zelfs een beetje sneeuw. Uniek.  


Onze vrienden hangen stiekem een slinger met ballonnen op als Wil René jarig is. Een taart

vinden blijkt lastig. De bakker in het dorp verkoopt alleen brood, de lokale supermarkt heeft alleen diepvries taarten en het café alleen verpakte muffins. We vinden naast de benzinepomp bij de rotonde een cafetaria annex pasteleria (banketbakker) met vers gebak. En boven verwachting is het gebak super lekker. Gelukkig ligt deze tent buiten mijn wandelbereik...

    

Na een week gaan wij weer verder met zeker 2 kilo meer lichaamsgewicht. Met dank aan de gezellige maaltijden: fish & chips, gebraden kip, Indiase maaltijd, gebakje en de verse vis die we uitkiezen in het visrestaurant aan het strand. Het was heerlijk én gezellig. Nu weer zelf koken.  En hopelijk naar een zonniger plek.

             

Voetnoten:

  • 6 jan
  • 8 minuten om te lezen

Los Madriles, 22 december – 6 januari 2026


De vorige tocht door de bergen, smaakt naar meer. In google maps zie ik ’n pad naar het noorden lopen. Deels door een ramblas = een droge rivierbedding. Of het fietsbaar is, merken we vanzelf. Zo niet, dan draaien we om. Het begin is redelijk. We kunnen zelfs naast elkaar fietsen.

Bergopwaarts wordt het smaller én natter. Er loopt een klein stroompje over het pad wat we telkens kruisen. Het is er stil. Af en toe fluit er een vogel. Ik hoor zelfs geen hond blaffen. De kloof wordt wel smaller en wat natter, maar we komen goed vooruit.  Dan zien we hier en daar een huis

op de helling staan, en wordt de rivierbedding beter fietsbaar. Auto’s stampen de grond aan en naar mate we meer huizen passeren, neemt de kwaliteit van de “weg” toe. Al komen we niemand tegen. Na een uurtje komen we weer op asfalt, met als grote nadeel dat helling steiler wordt. Met maximale ondersteuning komen we boven op de pas en kijken we uit op een vlakte met huizen,

landbouw en de snelweg in de verte. Ik doe mijn bodywarmer aan en een haarband voor over mijn oren. Ondanks de zon en windstilte, is de lucht maar 15 graden en bergafwaarts met 40

km/u suist de koude lucht door mijn kleren en in mijn oren. Het is een korte helling omdat we eerst weer naar boven moeten om over een andere pas terug naar zee te sjezen.

Deze weg is met gewoon asfalt waar regelmatig auto’s ons, met grote boog, inhalen. De weg eindigt in Puerto de Mazarrón. Het is inmiddels half twee, tijd voor een lunch op z’n Spaans: menu del dia. Zittend op een overdekt terras aan de haven komen we bij van weer een mooie fietstocht. Als we langs het strand terugfietsen naar de camping, is de zon inmiddels achter de wolken en de wind fors toegenomen. We zien hier voor het eerst twee surfers met surfboards op de golven rijden.


Dagen rijgen zich aaneen zodat ik niet meer weet welke dag van de week het is. Als we ons een keer vergissen in de (zon)dag, moeten “noodgedwongen“ uiteten. In het dorp blijkt een voortreffelijke Italiaan (zonder pizza’s) te zitten. Ik eet gebakken jonge artisjok in Parmezaanse

saus als voorgerecht, echt lekker. Ik heb me vaak afgevraagd welke andere artisjok-recepten er zijn, dan blaadjes dippen in knoflooksaus. Aangezien we hier veel velden met artisjokken hebben gezien. Ze hebben ook nog gefrituurde artisjokken op de kaart staan, misschien de volgende keer. De ober fronst zijn wenkbrauwen als  Wil René de kipsalade zonder kaas vraagt. “Are you sure?” De ober moet er zelfs hard om lachen. Wie bestelt er een Ensalada Provolone maar dan zonder de Provolone. Tja, als het in het engels Chicken salad heet… Een klassieke Tiramisu als dessert die dit keer echt goed gelukt is. Meestal is dat toetje wat tegenvallend, omdat de luchtigheid ontbreekt. Met zeer volle buiken mogen we, moeten we een half uur terug naar de camping lopen…

 

Van kampeerders die al enkele jaren hier overwinteren, horen we dat het nog nooit zo groen is geweest. Om bij de zee te komen wandel ik door een braakliggend terrein waar bloemen bloeien. Totdat een kudde schapen zich te goed doet aan al dat frisse blad en bloemen. Wat rest lijkt op het uitzicht zoals de overwinteraars het zich herinneren. Droog en kaal.

 


We lopen dagelijks een half uur langs het strand naar het terras van Cantina del local social – vrij vertaald: kantine van het buurthuis. Waar een mix van locals en overwinteraars, kerkgangers en jongeren op het terras zit. Iedere zaterdagmiddag live muziek en de koffie en cola samen kost 3 euro. De zee en het uitzicht maken dat het terras, noch de route, ooit saai is. 's Morgensvroeg zien we de rots van Cabo Cope liggen (20 km) en daarachter de rotskust van Mojácar (ca 50 km hemelsbreed). 


Het weer is hier grillig. Van korte broek naar winterjas – zelfs op een en dezelfde dag. Kerst is nat, Oudjaar is zomers, Nieuwjaar bewolkt. Plotseling zie ik een windhoos achter de daken van de campers. Ik loop snel naar de rand van de camping, en zie in de verte geen wind- maar

waterhozen. De lucht is daar zwart en ik zie op een gegeven moment zelfs drie waterhozen. Met een verrekijker kun je zien, hoe hoog het water wordt opgezogen. De volgende dag zien we bij de NOS op een filmpje van die waterhoos bij de haven van Puerto de Mazarrón en daar binnen valt. [1] Wat een kracht. Het is het dorp waar we altijd boodschappen doen. De schade is aanzienlijk. Niet de boten maar restaurants en bars naast de haven zijn de klos. De pier is afgezet zodat ook de tenten met ogenschijnlijk alleen dakpan-schade zijn gesloten. Dubbel pech.


Ik heb weer een fietstocht bedacht. In het binnenland liggen oude mijnen, en niet veel verder een Via Verde (fietspad op een oud treinspoor). Om de wat grotere wegen te vermijden, zoeken we tussen de kassen en een ramblas, een route. Het eerste obstakel is een nieuwe kas, we draaien om en willen een pad ernaast in fietsen. De modder houdt ons tegen, totdat we in de verte een fietser ons tegemoet zien fietsen. Als we hem naderen, zegt hij in gebroken Duits, dat het verderop niet te fietsen is. Veel te veel water. Hij gaat toch maar via de grote weg. We bekijken de kaart, en kiezen ervoor om een omweg te maken via de kust. Verdere via een zandweg vol plassen, zigzaggen door de modder. Bij de kust steken we de ramblas over. We volgen een stukje asfaltweg omhoog en duiken dan omlaag het kassengebied in. In mijn ooghoek zie ik een wapperend politie-afzetlint. En iets verderop snap ik waarom: de doorsteek door de ramblas is

geblokkeerd door een rivier. Ineens realiseer ik me, dat de zwarte lucht van de windhozen, hier in deze vallei zijn regen heeft laten vallen, en dat moet behoorlijk veel zijn geweest. Na twee dagen stroomt het water nog steeds. Er zit niets anders op dan terug naar boven te ploeteren, en de asfaltweg naar Mazarrón te volgen, waar we de rivier met een brug kunnen oversteken. Naast dit stadje liggen de verlaten mijnen. Met de fiets hobbelen we 60 meter omhoog en komen op een bijna buitenaards plateau. De resten van

mijngebouwen, schoorstenen, uitgespoelde grond en veel kleuren. De regen heeft veel sporen van wandelaars en fietsers uitgewist, zodat de omgeving iets maagdelijks heeft. Wil René maakt opnames met zijn drone en ik geniet van het uitzicht. De Via Verde is, net als andere zandwegen, gehavend door het noodweer. Onze dikke banden zorgen dat we de plassen kunnen omzeilen. We maken een stop in Mazarrón Country Club. Een gedateerd vakantieresort met zo’n 900 woningen. Sommige huur, de meeste koop. Het ziet er desolaat uit. Er is wel een cafetaria. De tent heeft zijn beste tijd wel gehad. De meeste tafelranden ontbreken en de blauwe stoelen doen me denken aan congreslocaties uit de jaren ‘90. Er zit een bejaard Engels echtpaar dat hier blijkbaar vaker komt - ze bestellen hun eten zonder kaart. Mij bekruipt me een treurig gevoel want hier zijn geen winkels, geen leven, geen sfeer. Je zal er maar wonen. Snel terug naar de bewoonde wereld. Na 50 km ben ik blij om in de campingstoel neer te ploffen. Wel weer een mooie dag.

 

De jaarwisseling verloopt hier buitengewoon stil. Nauwelijks vuurwerk. Aan de overkant van de baai zie ik een paar vuurpijlen en later hoor ik nog een paar klappers. En dat in een land dat

volgens mij, bij wel ieder feest vuurwerk afsteekt. De traditie schijnt hier te zijn : je draagt nieuw rood ondergoed (voor geluk, liefde en voorspoed), wat je dan verbrand net na oudjaar. Voor 2,50 koop je die bij de Chinees. Die traditie ga ik niet uitproberen.  Wel die van de 12 druiven. Om middernacht eet je bij iedere klokslag een druif. Nou dat probeer ik. Maar na 5 druiven zit mijn mond zo vol, dat ik geen idee heb, hoe je zo snel 12 druiven opeet. Van Doortje hoor ik, dat ze in Portugal 12 rozijnen doen. Lijkt me beter. Al is de traditie daar, dat je bij iedere rozijn een wens doet. Dat is dan ook weer niet zo makkelijk.

  

Toen we vanaf de mijn door het stadje Mazarrón fietsten, zagen we bij toeval een Nederlandse winkel. Toen gesloten. Dus fietsen we een paar dagen later nog een keer naar boven. Het water in

de Ramblas is vergenoeg gedaald om erdoor heen te fietsen. De winkel zit in een achteraf- straatje, midden in het stadje dat nauwelijks sfeer heeft. En ik zie weinig toeristen hier. Dus vraag ik de winkeliers of hier veel Nederlanders/Vlamingen wonen? Ze focussen vooral op overwinteraars en de bewoners van urbanisaties zoals de Country Club. Ze zijn onze leeftijd en zijn één jaar geleden met deze winkel gestart. Ze hadden hiervoor een paar jaar een bar/restaurant in Puerto de Mazarrón, aan de kust. Trots vertellen ze, dat het bedrijf in de afgelopen jaren goed gegroeid was, totdat er iemand langs kwam en de zaak voor een mooi bedrag wilde overnemen. ”We besloten daar op in te gaan, maar achter de geraniums te gaan zitten, is niks voor ons.” Als ik later wat speur op facebook en internet, blijken ze met hun spaargeld in 2022 - met nul horeca-ervaring -

op avontuur te zijn gegaan om een rockcafé te starten. De bar was geen vetpot, ze waren al blij als ze dagelijks de kosten eruit haalden en leven van hun spaargeld, lees ik.[2] In deze regio zijn er geen Nederlandse winkels zoals bij Alicante, dus waarschijnlijk hebben deze avonturiers bedacht, dat de winkel een slimmer verdienmodel is. De winkels is drie dagen per week open van 10 tot 16 uur en “mensen rijden soms 100 km om Nederlandse producten te kopen.” Wij kopen komijnekaas, nasikruiden, dropkogels en voor onze Nederlandse buren nemen we beschuit en poedermelk mee.

Vanwege de aangekondigde regen dit weekend, fietsen we langs andere supermarkten in Puerto om groente en vlees te kopen. Met volle fietstassen rijden we terug naar de camping. Laat de regen maar komen.   


In Nederland valt de sneeuw, we zien mooie foto’s, ook van onze tuin. Beetje jaloers kijk ik er naar. Het is lang geleden dat er veel sneeuw valt, die ook nog blijft liggen. Dat koude-front komt dus ook naar Spanje maar in plaats van sneeuw, hebben wij regen. Het regent van Portugal tot Alicante. Dus is het nog niet zinvol om te vertrekken. Wij doen maar spelletjes, maken het filmpje, maken een cheesecake, kijken film, oefenen Spaans terwijl buiten de wind aan de luifel trekt en de regen op het dak valt. Kleine wereld zo. De temperatuur daalt tot 8 graden overdag. Ik wandel met een jas, dikke trui en thermoshirt eronder, langs het strand. De noorderwind is ijzig.


Ons stoffen huisje is echt een aanwinst. Alleen als het zo stormt, dan kraakt, klappert en piept het. Ik slaap erg onrustig. Ik weet wel dat het niet wegwaait maar toch… Bij zo’n windvlaag, die ik hoor aan komen rollen, staat mijn buik strak. Als we de volgende ochtend naar buiten kijken, zien we dat een zijwand is losgewaaid. De stang bungelt, de haringen liggen werkeloos op de grond en de waterflessen, die we als extra ballast op de randen hebben gelegd, liggen in de regen. Wil René mept nu een paar hele stevige haringen in de grond en het huisje staat weer redelijk strak.


En dan gaan we toch echt verkassen. Dag strandwandeling, dag zwembad, dag hete douche, dag mooi uitzicht.  Op naar een nieuwe plek.

 

Schilderijen die we maakten:

 


Voetnoten

© 2025 Hellie van Hout

bottom of page