top of page
  • 2 dagen geleden
  • 10 minuten om te lezen

Böǧazkale, Göreme, Güzelyurt   14 - 20 juni 2026


Om half elf ’s ochtend moeten we in Böǧazkale zijn, de verzamelplek voor de camperreis verder naar het oosten. Als we om 9 uur voor het hek van de camping staan gaat die niet open. We zwaaien naar de camera’s, ik bel de eigenaar, we proberen tevergeefs de poort open te duwen, die geeft geen krimp. Wil René loopt naar het huis van de campingbaas en belt aan, klopt op het raam…. Niks helpt, de poort blijft dicht. Wil René haalt de kap van de elektrische aansturing en drukt binnenin op een knop. Ik trek ondertussen aan de poort en die geeft nu wel mee. Snel rijden we de camper erdoorheen. Dat had niet gehoeven want de poort gaat niet meer dicht...


We gaan met zeven campers reizen. Het is een gemêleerd gezelschap van toch wel 60-plussers. Die allemaal gekozen hebben voor een reis met mensen die niet van groepsreizen houden. De welkomstborrel is in ieder geval geanimeerd. Tot onze verrassing zijn de begeleiders van de Marokko-reis er ook. Zij zijn de eigenaren van de organisatie en reizen ook mee om nieuwe plekken en routes te ontdekken voor volgende reizen, of voor ons, als dat zo uitkomt.


Bij het dorp Böǧazkale is een stad Hattușa opgegraven van zo’n 2000 voor de jaartelling. De hoofdstad van de Hethieten. De resten liggen op een heuvel van bijna 2 vierkante kilometer. Voor bezoekers zoals wij is er een geplaveide weg. Al zijn we de enige die daarvoor de fiets gebruiken. Het zijn stevige hellingen (gem. 10 %) maar we pauzeren om poorten te bekijken of ruïnes van stadsmuren en huizen.


Je hebt er wel wat fantasie voor nodig want behalve funderingen, halve muren en replica’s van beelden zijn de echte vondsten ondergebracht bij het lokale museum. En de echt grote schatten liggen in het archeologisch museum van Ankara, zoals een bronzen tablet spijkerschrift waarbij de Egyptische Farao een verdrag sluit met de koning van de Hethieten, of gouden beelden en de meeste bijzondere beelden. Datzelfde zien we ook bij een kleinere stad uit deze tijd, 25 km verderop. Hier graven archeologen nog altijd en hebben ontdekt dat er nog een volk voor de Hethieten in de stad woonde. De schatting is 3000 tot 4000 voor de jaartelling. In dezelfde periode als de hunebedden. Hoewel ik weinig herken van de stad, fascineren me deze plekken en voorwerpen. Ik zie een theepot van jaar die ik direct herken als theepot. Een andere kan heeft zo’n mooie bijna eigentijdse vormgeving, dat ik die ook in een luxe keukenzaak voor me zie. En die is 4000 jaar oud! Op een andere plek zijn reliëfs in de rotsen die nog steeds te “lezen” zijn. In Nederland waren er in die tijd nog geen steden, de oudste stad is Nijmegen die werd rond de jaartelling gesticht door de romeinen, dus 2000 jaar later.  Zie video Hattusa Böǧazkale

    

We fietsen van de archeologische site via het dorp naar beneden. Aan de rand van het dorp zit een groep oude vrouwen thee te drinken. Ik stop en groet. Ze gebaren en schenken direct een glas voor me in. Ze spreken alleen Turks en als we google translate willen gebruiken, blijken ze niet te kunnen lezen. Met handen en voeten en de paar woorden Turks voeren we een soort gesprek. We mogen wel een foto maken en ik moet tussen de dames in gaan zitten. Dan wijzen ze naar Wil René, die ook. Grote hilariteit. Zeker als hij ertussen gaat zitten. Een van de vrouwen slaat met een brede glimlach, een arm om hem heen. De vrouwen aan de andere kant willen ook op de foto met hem.


We halen vers brood bij de bakker die de hele

dag door brood bakt. Hij zet net gerezen broden op een lange plank, maakt er een snee in en schuift de plank de oven in.


Na twee dagen oudheid reizen we naar Cappadocia. Onderweg stoppen we in Hacibektas, tegenwoordig een bedevaartsoord voor de Alevieten. In de middeleeuwen stichtte hier een Soefi meester een centrum van kennis (ook wel derwisj/soefi complex). Zijn graf is ook hier. Deze soefi orde kreeg grote religieuze en politieke invloed bij de Ottomaanse sultans tot de val van dat rijk.  De jonge republiek verbood daarom deze orde. Wat leidde tot razzia’s en vervolging door de Soennieten (Grootste islamitische stroming in Turkije, Iran kent vooral Sjiieten). De Alevieten worden nog altijd gediscrimineerd en dan hebben we het over 15 a 20% van de Turkse bevolking. De belangrijkste verschillen tussen beide richtingen zijn dat Alevieten een humanistische, vrijzinnige opvatting hebben. Ze hechten weinig waarde aan dogma’s en religieuze regels (niet nodig om vijf keer per dag te bidden of naar Mekka te gaan). Ontwikkel je tot een goed mens is de belangrijkste opgave voor een Aleviet.  

Dat probeert een man in de tuin bij de begraafplaats mij in het Turks-Duits uit te leggen. Het is dat ik al het een en ander hierover gelezen heb anders was ik hem na één zin al kwijt. Nu begrijp ik er een paar wel en dan een paar niet. Geloof zit in de mensen, staat niet in een boek. In alles zit God, als je je ervoor openstelt zie je het. Zoiets. Hij is opgetogen als ik hem bedank en daarbij mijn hand op hart leg. Zo begroeten de Alevieten elkaar ook, roept hij. Hij heeft Wiskunde gestudeerd, woonde in Berlijn en werkte daar in de zorg. Sinds 6 jaar reist hij rond.

Als we door dit derwisj-complex wandelen - dat tegenwoordig een museum is – zien we de keuken, een woonhuis en loop ik de moskee in zonder hoofddoekje. En er is een grote ruimte waar de diensten worden gehouden en héél belangrijk voor de Alevieten is het bidden bij het graf van Hacı Bektași Veli. Het museum is duidelijk bedoeld voor ingewijden. Er staan borden met ook uitleg in het Engels maar die is zo uitgebreid, dat ik er niet eens aan begin. 


Eindbestemming is Göreme, het hart van Cappadocië. We bivakkeren op een camping met zwembad! Dat is dan ook het eerste wat we doen: zwemmen.


Onze buren zijn een jong Russisch stel, uit Jekaterinenburg Rusland. Hij is met de motor via Georgië naar Turkije gereden. Zij is hem een week later met het vliegtuig nagereisd. Ze slapen in een klein tentje en hebben drie weken vakantie. Hun zoontje logeert bij oma. Terwijl we via google translate praten, komen twee andere motorrijders hen begroeten. Zij komen uit Oekraïne. En ze kletsen als motorvrienden, alsof er tussen hun vaderlanden geen oorlog is…


We eten met een prachtig uitzicht op het bijzondere landschap van Cappadocia. Ondertussen zien we deelnemers aan Marathon des Sables 120 door dat landschap lopen. In drie dagen lopen/rennen ze 70, 90 of 120 km. Boven op die uitdaging moeten ze zelf hun voedsel meenemen voor die dagen. Ze overnachten in een bivak tussen de bergen. De organisatie zorgt voor tent en water. Pet af. [1]


Dat bijzondere landschap is ontstaan na een uitbarsting van de berg Erciyes die als een soort Mount Fuji aan de horizon ligt. De wind heeft in miljoenen jaren de rotsen geschuurd en van de rotsen bizarre vormen gecreëerd. Vooral de schoorstenen zijn beroemd. Het tufsteen is zo zacht dat ook mensen aan het schaven en hakken zijn gegaan. Na verluidt hebben dorpsbewoners tot in de jaren zestig van de vorige eeuw hier in grotwoningen gewoond.


Cappadocia had in het begin van de jaartelling een grote aantrekkingskracht op kluizenaars. Gebedscellen zijn immers zo uitgehakt. In Turkije was toen het christendom de belangrijkste godsdienst, de islam komt pas na 1400. Hier in dit gebied zijn er veel kloosters, kerken en kapellen uitgehakt. Wij bekijken een aantal kerken in het openluchtmuseum. Deze stammen uit de

10 en 11e eeuw. De kleine kerkjes zijn versierd met eenvoudige tekeningen van rode oker, waarmee ze zelfs gestapelde muren tekenden. De Donkere Kerk is gerestaureerd en op alle wanden zijn fresco’s te zien met bijbelverhalen en dan vooral over het leven van Christus. Ze zijn prachtig en kleurrijk en geven een idee hoe de andere kerken er ooit hebben uitgezien. Een rots

met raampjes en gaten was ooit het nonnenklooster. Het moeten kleine gemeenschappen zijn geweest omdat in de kerken en de “eetzaal” maar een tiental mensen konden. Ze moeten wel fit zijn geweest want de oude trapjes zijn uitgehakte treden van een voetbreed en vrij steil. Voor de toeristen hebben ze nieuwe trappen aangelegd. Het zachte steen slijt nog altijd. Nieuw pleisterwerk versterkt hier en daar de rots.

 

De camping zit naast een vallei waar medereizigers een lange wandeling in maken. Ik pas. We trekken wel de stoute schoenen aan en fietsen een van de zandwegen naar beneden. Die weg is een steile weg naar beneden, en mijn achterwiel wil af en toe een eigen pad rijden. De zandweg wordt een smal pad. Totdat het pad te steil wordt. We wandelen een stukje verder naar een theehuis van de gepensioneerde vrachtwagenchauffeur. Alleen passerende wandelaars in de vallei met goede wandelschoenen zijn zijn gasten. We drinken wat en lopen wat verder de vallei in. Het pad volgt een riviertje bergafwaarts door rotsen en langs de rotspilaren en voormalige rotswoningen. Als het pad een soort klauterpartij naar beneden wordt, draai ik om. Ik moet immers ook weer terug naar boven wandelen. Én fietsen. Vol op de pedalen, gewicht naar het voorwiel, maximale ondersteuning en kleinste versnelling – ik heb het allemaal nodig om boven te komen. Het zweet parelt over mijn rug. 


Half vier gaat de wekker. Ik spring, nou, ik kruip m’n bed uit. Over een kwartier verzamelen we bij de uitgang van de camping. Een busje rijdt ons midden in de nacht (althans zo voelt het) naar een plek ergens tussen de rotsen. Daar ligt een luchtballon half opgeblazen. In de schemer zie ik meer halve Luchtballonnen, en autolichten die door het landschap schuiven. Naast ons zijn er honderden mensen die dadelijk de lucht ingaan. Langzaam vult de ballon zich en worden de branders aangezet.

Om me heen zie ik af en toe luchtballonnen oplichten en zie ik dat ze rood, blauw gestreept of wit zijn. Dan mag ik in de mand klauteren. Samen met nog 31 mensen. We stijgen op terwijl heel langzaam de zon achter de heuvels verschijnt. Het is een adembenemend schouwspel. En net als iedereen maak ik foto’s en filmpjes. Normaal vermijd ik die supertoeristische gebieden maar hier is zijn al die toeristen een absolute meerwaarde. Honderden andere mensen hebben een luchtballonvaart geboekt en zijn net als ons vroeg opgestaan. Daarom zweven er tientallen luchtballonnen door en boven de valleien. Het is een feest om naar te kijken.


 



En niet alleen wij genieten, maar ook veel bruidsparen (vaak rode jurk) die aan de rand van de kloof poseren met oude, vaak rode, Amerikaanse sleeën. De tijd vliegt en na een uurtje land de ballon

precies op een aanhanger. Deze grote manden zijn niet te tillen. We proosten op een prachtige vlucht. De mooiste in al die jaren volgens onze organisatoren. En die zijn al vaak mee geweest. De volgende verrassing is stevig Turks ontbijt op een terras. Een lange tafel met brood, olijven, watermeloen, börek, tomatenomelet, verschillende soorten kaas, rozenbotteljam etc etc. Uiteraard veel te veel en zeker heel smakelijk. Als we om half acht op de camping terugkeren zit ik vol. Vol met eten, maar ook vol met indrukken. De foto’s geven een idee maar in werkelijkheid is het nog veel mooier. (Zie ook de video


In het hart van Cappadocia ligt het stadje Göreme dat bestaat dankzij toeristen. En er staan alleen restaurants, cafés en hotels. Toch maken we de afdaling door de vallei met de fiets en die is best pittig. Deze voormalige weg bestaat uit grote klinkers en halverwege ontdekken we dat de oude weg is afgesloten en door een houten trap is vervangen met een rolstoelhelling. Dat is voor ons voldoende. De toeristen kijken verrast op. Als ik later weer omhoog rijd met maximaal vermogen en kleinste versnelling, applaudisseren ze en moedigen me aan. De trap eindigt in een fuik met souvenirwinkeltjes maar met geduld komen we daar ook door.  


Cappadocia kent niet alleen grotwoningen en -kerken maar ook hele steden. We bezoeken er één, die in Derinkuyu. Helaas is er geen gids beschikbaar en lijken alle ondergrondse ruimtes op elkaar. Er staat af en toe een bordje bijvoorbeeld de stallen en bij de graven. We lopen trappen af, gaan gebukt door smalle gangetjes en raken de weg kwijt Gelukkig is maar 10% van deze stad

open voor publiek, 8 verdiepingen van 80 meter diep. In deze 4 km2 stad woonde waarschijnlijk

20.000 mensen[2]. Ik moet direct denken aan de termietenheuvel waar onderzoekers de gangen met cement vulden om te zien hoe dat die in elkaar zat. Toen ze het zand weghaalden verscheen er een enorm gangenstelsel. [3] We  vinden weer pijlen naar de uitgang. Waarschijnlijk is het met een gids een interessanter verhaal, maar die waren op. Ik lees dat de ondergrondse steden ontstaan zijn als verdediging tegen invallers en bovendien koeler in de zomer en warmer in de winter. Later blijken we langs de grootste ondergrondse stad ter wereld te zijn gereden. In Nevșehir werd de stad pas 10 jaar geleden ontdekt bij de renovatie van een kasteel. [4] 

 

We willen nog door een kloof wandelen, 50 km verderop, maar na de work-out in de ondergrondse stad en toegangsprijs van 15 euro pp laten we het aan ons voorbij gaan. Onderweg kopen we aardbeien die we niet in supermarkten hebben kunnen vinden. Wil René eet die graag in zijn yoghurt.  Een groentemarkt of winkel moet je maar net tegenkomen. En hoewel ze niet zo mooi uitzien als in Nederland smaken ze heel lekker. En met een blik schept de man ze onbespoten vruchten in een bakje. De meeste mensen kweken hun eigen groenten, vooral ui tomaten en paprika. En in zakken en emmers spoelt de grond niet weg en bij droogte heb je minder water nodig, denk ik.  

 

We sluiten weer aan bij de andere campers bij een oud kerkje.  Met waarschijnlijk prachtig uitzicht op een besneeuwde bergtop. Wolken belemmeren dat en die groeien uit tot onweer en regen. En een van de camperaars maakt een prachtige foto van ons en een regenboog. Dat wordt weer heerlijk slapen.

 

                                                                     

 Voetnoten


 Bijzondere / grappige beelden


Vijf liter yoghurt.  Zelfs in dorpswinkels verkopen ze deze enorme emmers.                            

 

 

 




Bij het zien van deze enorme vleugels kon ik het niet laten om ertussen te staan.

 

 We zien heel veel landbouw onderweg. Dan zijn kruiwagens dus een veel verkocht product. Wel mooi gestapeld.

 

 

 

En ze transporteren stieren met een autoband op hun hoofd om waarschijnlijk de schade aan de vrachtwagen te voorkomen. En moeten we niet gek staan te kijken als de koeien de weg oversteken.


 


  • 14 jun
  • 15 minuten om te lezen

Daylan, Daǧyenice, Bursa, Cumalıkızık, Takmak, Kırıkkale, Çatallı  7 – 14 juni 2026


Van Alexandroupolis naar de Turkse grens is ongeveer een half uur. De grens passeren kost net zoveel tijd. Griekenland verlaten, blijkt al niet makkelijk. Campers en bussen moeten in een andere baan dan auto’s. Bij het eerste loket wapperen ze dat we door kunnen rijden naar het volgende loket. Daar is de slagboom gesloten – net als het loket. We wachten een paar minuten maar er gebeurt niets. Er komt niemand en het loket is leeg. Ik ga op onderzoek uit en zie dat er bij de personenauto’s mensen uitstappen en in de rij staan om hun paspoort te laten zien. Ik ga ook maar in die rij staan. Dat blijkt de juiste stap te zijn. Paspoorten worden gescand en ik wijs naar de slagboom. En zonder blikken of blozen doet hij de slagboom open. Er volgt een stuk niemandsland tot op de brug  over de grensrivier. Daar staan veel Turkse militairen. Een groot

poortgebouw doemt op en door een van de bogen rijden we naar de Turkse grens. Paspoortcontrole. Uitstappen en kijken naar een camera. Stempel in het paspoort en we mogen door naar de volgende slagboom. De douane. Alle auto’s moeten hun kofferbak openen en een douanier loopt langs. Ik moet de achterdeur en de zijdeur van de camper openen. Geen idee waar hij naar kijkt maar het is in orde. We mogen verder naar het volgende loket. Paspoort, autopapieren en groene kaart overhandigen. De camper is geregistreerd. We mogen verder. Alleen een rij oranje paaltjes belemmert de doorgang. Wil René probeert te steken maar het is gewoon te smal. Ik loop terug naar de douanier en vraag of hij kan helpen. In het Engels, in het Duits en met handen en voeten maar hij snapt het niet. Hij loopt wel mee en ziet dat de camper vaststaat. Glimlacht dan, en duwt met zijn voet een paaltje plat. Ze zijn niet van metaal maar hol plastic. We kunnen er gewoon overheen rijden… Op naar het laatste loket met de laatste slagboom. Daar wachten we even en dan gaat de slagboom zomaar open. Dan rijden we Turkije binnen, langs de rijstvelden over een mooie vierbaans weg naar het eerste dorp.



In dat dorp gaan we op zoek naar een postkantoor voor een tolvignet, een pinautomaat om Turkse Lira te pinnen en naar een telefoonwinkel om simkaarten te regelen. Het postkantoor is snel gevonden, herkenbaar als PTT. Daar staan mensen buiten in de rij – dat gaat wel even duren, denk ik. Dat klopt. De oorzaak van de rij is een blijkbaar ingewikkelde casus van een man en een vrouw. De rij groeit. Een dame met kort haar en dito broek sluit aan, een vrouw met lange rok en hoofddoek, een jonge man met wit shirt en zonnebril op zijn hoofd, een vrouw met drie kinderen, een militair. Als ingewikkelde zaak is opgelost, gaan de volgende klanten wat sneller. Voor het tolvignet moeten we een formulier invullen. Gelukkig heeft de beambte ook een Engelse versie. We komen een heel eind. Behalve dat we de registratie ID van de auto niet weten en niet bij ons hebben. Terug naar de auto. Het ontbrekende vakje ingevuld en samen met paspoort en kentekenbewijs is het voldoende om een tolvignet te krijgen.

Bij de PTT kunnen we ook wat cash geld tegen een nette koers inwisselen. Nu nog pinnen en een Turkse simkaart want onze provider heeft alleen Europa-dekking. Er is in het dorp een winkel van Vodafone, die geeft een redelijk goede dekking in dit land. Vanaf dan heeft Wil René een Turks telefoonnummer. Ik wil een andere provider want de dekking in Oost Turkije is ook bij Vodafone matig tot slecht. Via internet probeer ik dat te regelen maar ik moet eerst lid worden of zo. Dan zie ik dat mijn provider, het net gebruikt van Türkcell. Die provider geeft net iets meer dekking in Oost Turkije. Dus regel ik online een vakantiepakket. Geld pinnen is ingewikkelder. Ik ben namelijk vergeten bij mijn rekening Wereld aan te zetten. De pinautomaten weigeren. Pas na twee uur, werkt Werelddekking. Ik betaal de eerste tankbeurt maar met mijn creditkaart. Brandstof in Turkije is veel goedkoper dan in NL of de 2 euro in Griekenland. Diesel is hier maar 1,25 euro per liter.


Nu we de noodzakelijke praktische dingen hebben geregeld rijden we naar Gallipoli, vlak bij de brug die Azië met Europa verbindt. We bekijken een camper-gedoogplek in de stad maar het is een smerige, zonovergoten vlakte. Wel vlak bij zee, maar alleen mooi uitzicht maakt het niet genoeg. Het is nog een paar uur licht dus steken we de zeestraat tussen de middellandse zee en de Bosporus over. Een hele hoge en lange tolbrug (op de foto rijdt in het groene vierkantje een vrachtwagen). Aan die Aziatische kust zoeken we een betere overnachtingsplek.

Het wordt Dalyan. Daar is een beachcafé waar volgens andere camperaars, overnachten gedoogd wordt. Op de kaart is het een park, in het echt is het kuststrook met

wat bomen en hoog onkruid. Althans tot voor een paar dagen. Door de aanleg van een leiding en lantaarnpalen is het een zandvlakte waar de geul nog open ligt.  We zien een Turks camperbusje onder de bomen staan, met het uitzicht op het water, vissers en in de verte de brug. Wij zijn verkocht. We zetten de camper ook onder de bomen. We wandelen naar de beachclub om te vragen of het oké is om bij hun te parkeren. Die wijzen echter naar een parkeerplaats van asfalt, zonder schaduw, die naast hun club ligt. Niet heel aantrekkelijk. We gaan eerst op hun terras wat  drinken en eten. De muziek met een stevige beat, staat op een redelijk volume. Dan blijkt dat die muziek tot 3 uur ’s nachts aanblijft. Ze kunnen ‘m wel wat zachter zetten…Het is duidelijk. Wij blijven aan de kust staan.

Daar begroeten we onze Turkse buren. Twee oudere mannen die met een biertje genieten van het uitzicht. Ik kan meteen mijn paar woorden Turks gebruiken: “Hallo, Aangenaam kennis te maken. Wat is het hier mooi. Heel mooi.”[1] En het ijs is gebroken. Het lukt niet om veel meer uit te wisselen, want de vertaal-app kan weinig met de zinnen die ze uitspreken.


Die avond maken we direct kennis met de islam: met zonsondergang roept de imam via een luidspreker op tot gebed. Dat herhaalt hij als het donker is. Ik haal mijn schouders op. Nog niet bekend met de Fadjr – het ochtendgebed - waarvan de oproep voor zonsopgang is. Half vijf! Ik ben meteen klaarwakker. Het is alsof de imam hier in de straat staat te zingen. Nou zingen. De oproep duurt lang, een paar keer denk ik: nu kan ik verder slapen en dan komt er nog een stuk. Ik doe vast ooglappen op. Gelukkig val ik weer in slaap, en met de ooglappen slaap ik ongestoord tot half negen.      


De islam hebben we gehoord. De islam zie ik door de minaretten en moskeeën die in ieder dorp staan zoals bij ons de kerken. Het aantal hoofddoeken is klein. Meestal zijn dat oudere vrouwen. We zien vrouwen met een schop graven langs de weg, vegen in de stad en het postkantoor in het eerste dorp werd bewaakt door een kordate en stevige Turkse.   


We volgende de E90. Een redelijk goede weg. In Griekenland was het een 2-baansweg zonder afscheiding waar ik mijn ogen op het asfalt moest houden om gaten te ontwijken. Diezelfde E90, die van Lissabon naar de Zuidoostgrens hier in Turkije met Irak loopt, is hier een vierbaansweg. Met gescheiden rijstroken, wel met kruispunten en stoplichten. Dat weer wel. Onderweg zie ik vrachtwagens met Iraanse nummerborden. Die moeten nog verder, helemaal naar Oostgrens met Turkije. Blijkbaar gaat transport gewoon door, oorlog of niet.    


Landbouwvelden domineren het landschap dat glooit. Je zou ook kunnen denken dat je in Zuid-Duitsland of Frankrijk rijdt. Alleen de dorpen waar we doorheen rijden passen niet in die landen.


Na wildkamperen kiezen we weer voor een camping. Vlak bij Bursa, dat ik graag wil bezoeken.  De camping ligt in de bergen en is onderdeel van een groot vakantiepark aan een meer. Vandaaruit kunnen we het stadscentrum in een half uur bereiken. Andere pluspunten zijn:

een warme douche, het is er stil (geen gebedsoproepen) en de nachttemperatuur daalt tot ca 15 graden. Het vakantiepark is bijna verlaten. Misschien is daarom het badhuis niet schoon. Gelukkig zie ik dat niet als ik mijn bril af zet. (en dat zal ik op volgende campings ook vaker denken). Als ik de volgende ochtend mijn handen wil wassen, blijkt er geen water meer te zijn. Hoogste tijd om af te dalen en ons in de ochtendspits te begeven.


Op de camping spreek ik een jonge Duitse vrouw met Turkse wortels. Ze woonde met haar ouders in Hannover. Sinds 5 jaar woont ze in Turkije omdat haar man geen Duits sprak en in Duitsland geen werk vond. Zij werkt hier online voor een Duitse klantenservice. “Mensen denken vaak dat ik in Duitsland ben.” Ze zou graag willen reizen bijvoorbeeld naar Nederland of Afrika, maar haar man kan geen visum krijgen. Want hij heeft geen vast contract, geen ondernemer, geen kinderen, kortom geen bewijs van sociale of economische binding aan zijn land. De autoriteiten zijn bang dat hij, eenmaal in NL, daar wil blijven. “Nou echt niet, want anders waren we wel in Duitsland gebleven.”


Bursa is een stad waar meer dan 3 miljoen mensen wonen. En inderdaad, rond 9 uur is er een  ochtendspits. Wij rijden langs grote kantoren op de E90, die 4-baansweg, die dwars door de stad loopt. Vlakbij het centrum parkeren we in een heel groot park. Tegen betaling van 5 euro kunnen we de hele dag staan. “Maar niet overnachten”, zeggen ze bij de toegangspoort. Dat had ik inderdaad al

gelezen op internet. Daar had ik ook gelezen dat er hoge bomen staan en dat betekent schaduw. Dat klopt. In dit  cultuurpark zit horeca, opluchttheater, speeltuinen en dus parkeerplaatsen. Ik zie een groep moeders met kinderen richting de speeltuin lopen. Een groot kleed wordt in het gras neergelegd, de koelboxen er op, de schoenen er naast. Tegenover ons parkeert een Turkse busje waar ook een koelbox en kleed uitkomt. Het oudere stel zal de hele dag naast hun busje picknicken.


Wij halen de fietsen van de camper af en wagen ons in het Turkse verkeer richting het oude centrum. Het is maar 20 minuten fietsen, wat we deels op de stoep, en deels op de weg doen. Taxi’s en bussen zijn het lompst omdat zij vaak exclusief de rechter baan mogen gebruiken. En die exclusiviteit delen ze niet graag met twee fietsen. Ik zie de hele dag maar zo’n tien fietsers waarvan de meeste kinderen zijn die rondcirkelen op een plein. Zoals verwacht is het heel druk met winkelende mensen en vooral binnenlandse toeristen. De buitenlanders westerse kun je op een hand tellen. Of beter de westerse. Ik herken geen toeristen uit Arabische landen. Wat mij meteen opvalt is dat er meer vrouwen met hoofddoeken rondlopen. Zeker de helft – misschien toch islamitische buitenlanders?


We bezoeken een aantal moskeeën. Ik heb mijn sjaal in de camper laten liggen maar bij de ingang liggen hoofddoeken. Als ik hannes met mijn doek, wordt ik geholpen door een jonge dame, die de doek ook nog even goed over mijn schouders legt. Mijn schoenen zet ik keurig in een kast en loop over een dik rood tapijt rond een grote fontein die midden in de Grote Moskee (Ulu Cami) staat. Het gebouw is imposant hoog, net zoals bij kathedralen. Ik krijg een Nederlandstalige folder mee met uitleg over de basis van de islam. Ik kan zelfs een koran meekrijgen. Maar daar bedank ik vriendelijk voor.

Als we de groene moskee willen bezoeken, klinkt net de oproep voor het middaggebed. Aan alle kanten komen mensen aansnellen. Mannen wassen buiten hun voeten en gezicht – geen enkele vrouw?!. De gelovigen zijn van alle leeftijden en alle stijlen. Van tulband, wijde broek tot strakke jeans, slippers en sportschoenen die je makkelijk kunt aanschieten.                 


We kijken ook nog even binnen bij het mausoleum van een Sultan Mehmed I. Een jongetje spreekt me in het Engels aan. Waar we vandaan komen, etc. Hij vertaalt de antwoorden voor twee andere jongens. Hij spreekt goed Engels. Zijn leraar voegt zich bij ons. Hij geeft Turkse les en heeft deze Syrische jongen onder zijn hoede. Hij vraagt of ik moslim ben. Nee. Waar geloof je in? In eigenlijk niks – al die oorlogen in naam van God maken dat ik ongelovig ben. “Maar Allah wil dat helemaal niet, het zijn de mensen die dat doen.” Tja en dan is dit mausoleum voor een Sultan met de bijnaam De beul …


We stuiten op een kraampje waar zelfgemaakte dingen worden verkocht om geld in te zamelen voor mensen in Gaza. Ik koop een sjaaltje en Wil René taart en koekjes. We hebben nog niet geluncht en na de lekkere taartjes hoeven we dat ook niet meer.   

Op de groentemarkt zoeken we naar venkel maar die vinden we niet. Het is duidelijk wat de oogst van de laatste tijd is: paprika, aubergine, sla, aardappels, uien, knoflook, tomaten en heel veel aardbeien, kersen en perziken.


Er is een portret van een man dat je in heel Turkije tegenkomt. Dat van Atatürk, oprichter van de Turkse republiek (1923), bracht westerse waarden in het land: democratie, onderwijs,

vrouwenemancipatie, alcohol. (Hij was zelf alcoholist – alleen mag je dat niet hardop zeggen- dus zet ik het tussen haakjes, want je kunt er voor aangeklaagd worden). Tot grote vreugde van de stedelingen in het westen van het land. In het oosten van Turkije waren ze niet zo blij. Daar waren de waarden van de islam veel belangrijker. Het leger is lange tijd de hoeder van het gedachtegoed van Atatürk geweest. Dat verklaart de coups in het verleden. Als het bestuur de nieuwe waarden verwaarloosde en de islam teveel invloed kreeg, grepen ze in. De huidige president (sinds 2014), heeft in de afgelopen tien jaar heel zorgvuldig die macht afgebouwd en zijn eigen macht aanzienlijk vergroot. Hij is een slimme politicus die Vernieuwing propageert en tegelijk een vroom moslim is en zo een brede steun van het volk heeft. Daarnaast heeft hij ook alle oppositie stapsgewijs monddood gemaakt. Niet alleen heeft hij het leger, maar ook de pers en de rechterlijke macht onder controle. Turkije lijkt de pogingen om volwaardig lid te worden van de EU langzaam los te laten. Ze proberen meer en meer een eigen positie te creëren op het wereldtoneel, door zich te positioneren tussen de westerse en Arabische wereld. De identiteit gebouwd op westerse waarde verschuift langzaam naar een eigen identiteit waarbij teruggegrepen wordt op hun wortels van Turkmenen en Ottomanen.[2]


Dat is ook de achtergrond van het museum Panorama 1326. Gebouwd in 2018, toont een 360° schilderij over de inname van Bursa door de Turkmenen, zonder bloedvergieten. Het is de eerste stad die ze innemen. Wat er niet bijstaat is dat de Byzantijnen die er woonden na een belegering van 9 jaar capituleerden. Het is een idyllisch, pastoraal plaatje. Dat maakt het schilderij in de koepel niet minder mooi. Het lijkt op Panorama Mesdag maar dan veel groter.    

Bezweet, warm en moe fietsen we terug naar het park waar de camper inmiddels toch wat in de zon is komen te staan. We verplaatsen ‘m, zetten alle ramen open en de stoelen in het gras. Lekker bijkomen na de stadsdrukte en de hitte.


We eten Turkse pizza met als toetje Künefe. Een hele jonge kaas (mozarelle-achtig) in een gebakken jasje van sliertjesdeeg waaroverheen een zoete siroop en gemalen pistache. Heel machtig, wel lekker.  


Begin van de avond rijden we een half uurtje verder naar een klein oud dorp aan de voet van het Uludaǧ gebergte. Voor 3 euro mogen we op een bijna lege parkeerplaats wel blijven slapen. Bij zonsondergang horen we de  gebedsoproepen in drievoud uit het dal. Daar worden we morgenvroeg  weer om half vijf door gewekt, denk ik. Blijkbaar doen ze dat in de stad niet want we worden om half zeven wakker van een touringcar die letterlijk naast ons, op een lege parkeerplaats parkeert. Een bus vol scholieren, grrr. Ik weet dat het een toeristisch dorp is, maar zo vroeg had ik dat niet verwacht.


Cumalıkızık gaat terug tot het begin van het Ottomaanse rijk in de 14e eeuw. Het sluit aan bij het verhaal in het Panorama museum. Dit dorp is de eerste nederzetting van de eerste Turkmeense Sultan en is door de ligging redelijk bewaard gebleven. Nadat een andere touringcar met scholieren er naast is heeft geparkeerd, sta ik op. De scholieren van de bus komen net terug. Een van hen spreekt me meteen aan in het Nederlands. Of het ons bevalt in Turkije, waar we heen gaan, etc. Hij woont sinds twee jaar in Turkije omdat zijn ouders terug wilden. “Het liefst zou ik weer terug naar Nederland willen.” De meeste moeite heeft hij met de hitte. “Daar wen ik nooit aan” Gelukkig heeft hij wel een Nederlands paspoort, als hij oud genoeg is, kan hij zelf terug.  

 

 

Om half acht wandelen we al door het nog slapende dorp. Er zijn weinig toeristen want die scholieren ontbijten hier, de tientallen souvenirkramen zitten nog ingepakt. De zon staat nog laag, de steegjes zijn in schaduw gehuld. Het is een superklein, schattig dorp. Maar 700 inwoners, lees ik. Dus na een half uur lopen we de parkeerplaats op waar inmiddels meer touringcars staan. Tijd om verder te gaan.


Met het Uludaǧ gebergte rechts van ons rijden we verder naar het Oosten. Net als in Griekenland zie ik hier de sneeuw hoog op de toppen liggen ook al is het in het dal de afgelopen dagen rond

de 30. We rijden de hoogvlakte op (800 – 1000 meter) op waar we de komende dagen zullen reizen. Nog steeds is het landschap groen: naaldbossen met stukjes landbouw. De volgende grote stad Inegöl heeft, denk ik, de grootste meubelboulevard. Ruim 8 km, aan weerszijde van de weg

staan grote, glimmende winkels die meubels verkopen. Een logische plek want hier zit ook een grote  meubelindustrie die levert aan Oost-Europa en Turkije. Die industrie verpest wel de lucht. Een blauwe mist hangt over de stad en stinkt. We doen hier boodschappen en omdat we de camper onder een boom kunnen parkeren, neem ik de tijd om ook nog koffie te drinken en te schrijven.


Met deze warmte reizen we traag. Camping, camperplek of parkeerplaats, ze hebben geen of weinig schaduw. Geen reden om snel een overnachtingsplek te zoeken. De camper heeft airco op de motor dus rijden is met de hitte wel lekker. Tenzij je vol de zon op de voorruit hebt. Als we schaduwplek zien nemen we pauze. 


Tegen vieren rijden we een camping op. We worden met gebaren doorverwezen.  Een km

verderop  staat een auto, die gebaart dat we hem moeten volgen. We rijden langs een meer met tientallen picknickplekken. In het meer mag je niet zwemmen. Met de kleur die ik zie hadden ze dat bord niet hoeven plaatsen. Nog een kilometer verder, aan de andere kant van het meer, zijn caravanplekken. Er staan een heleboel kleine veelal kleurrijke caravannetjes

(te huur). De huurders zijn allemaal Turken. De afgelopen twee dagen hebben we nog geen buitenlandse toerist gezien. Ook hier zijn we de enige buitenlanders. Wat niet leidt tot extra aandacht of nieuwsgierigheid. Turken lijken erg op zichzelf, tenzij ik ze aanspreek. Dan pas breekt het ijs. 


’s Ochtends blijkt er toch een buitenlandse camper te staan. Oostenrijk. De eigenaar is Turks maar woont in Tirol en heeft sinds zijn pensioen een appartement in Ankara. Hij zal in beide landen blijven wonen. Zijn kinderen blijven immers in Oostenrijk en zijn eigen familie woont in Ankara. Als we vragen of we die stad moeten bezoeken, noemt hij alleen het Atatürk mausoleum - een gebouw in Oostblok stijl. Nee, we moeten de stad niet gaan bekijken, hij zou het zelf niet doen. Het is alleen een ambtenarenstad, is zijn conclusie. We willen verder naar het Oosten en dan is Ankara onvermijdbaar – route-technisch dan. We rijden op een snelweg die 20 tot 30 kilometer vanaf het centrum loopt.    


Overal zien we de hoge torenflats. Die nieuwe flats zijn onderdeel van Turkse steden. Klein (50.000) en groot. Vaak hoog boven de oude stad in nieuw aangelegde wijken.

 

Buiten die steden is het landschap heuvelachtig. Grote graanvelden, aardappelvelden, grote graslanden voor kuddes koeien die ook in hangar-grootte open stallen staan. Daartussen af en toe graansilo’s en regelmatig een tankstation. We rijden nog steeds op de hoogvlakte. Of dat de reden is dat er nauwelijks bomen staan of dat ze allemaal zijn gekapt voor de landbouw, weet ik niet.    

 Na 5 uur rijden, stoppen we bij een park bij de stad Kırıkkale. Er ligt een parkeerterrein naast. Aan de beveiliging vragen we of we er mogen blijven slapen. Dat mag. Wel moeten ze onze rijbewijzen en kentekenbewijs fotograferen en ons telefoonnummer noteren. Hoewel het al half zeven is, is het nog altijd 32 graden. Ik kan niet wachten tot de zon achter de heuvels verdwijnt. Om de tijd en de warmte te doden, wandelen we het park in. Er staan heel veel picknickbanken in die een uur later al bezet zijn door kleine en grote gezinnen. Met koelboxen en tassen, stepjes,

ballen en fietsen, koffie pruttelend op een gasstelletje. Wetend dat er zoveel mensen in flats wonen, snap ik de enorme hoeveelheid picknickhuisjes die we onderweg al hebben gezien. Rond 8 uur is de parkeerplaats helemaal vol en zodra iemand vertrekt, staat de volgende auto al klaar. Oude roestabakken tot een grote Toyota Helux. Wederom zijn we een bezienswaardigheid. Een vrouw met grijs, kort haar in een korte broek, dat zien ze niet ieder dag – vermoed ik. De rest van de avond zitten we in onze campingstoelen: mensen kijken. Langzaam neemt de hitte af en precies zoals de bewakers hadden gezegd gaat om middernacht het licht uit en rijden de laatste auto’s van het parkeerterrein af. Zij blijven waken, terwijl wij slapen.


Na al die dagen tussen de 28 en 32 graden worden we verrast door donkere wolken. Mijn jurk verruil ik voor een lange broek. Het is nog maar 20 graden – heerlijk!!  En dan in de avond begint het te  regenen. We zijn op een uurtje na, in Bögazkale. Daar sluiten we aan bij een groep camperaars om verder te reizen naar het zuiden en oosten van Turkije. Met dezelfde organisatie waar we in twee jaar geleden mee naar Marokko zijn geweest. Morgen ontmoeten we ze en weten we met hoeveel andere campers we samen reizen, die net zoals wij niet van groepsreizen houden.    

Vandaag nog snel een was draaien, schrijven en een video maken op een kleine, hele keurige, luxe camping. Waar zelfs een afwasmachine is…

 

Noten

[1] Merhaba. Memnum Oldum. Şu güzel, çok güzel.

[2] Bronnen:  Lucas Waagmeester - Op drift: De ontwrichting van Turkije (2020) en Joost Lagendijk en Nevin Sungur - De Turken komen eraan! (2013)

 

Gekke dingen onderweg:


Scooter met kamelenzadel
Scooter met kamelenzadel
Gelukkig zijn we deze (nog) niet tegengekomen
Gelukkig zijn we deze (nog) niet tegengekomen
Er lijkt een paardentram voor ons te rijden die traag aan de linkerkant van onze weghelft rijdt. Als we dichterbij komen zien we dat het een oud geel trammetje is, dat links in een sleuf vast zit en rechts een wiel heeft.
Er lijkt een paardentram voor ons te rijden die traag aan de linkerkant van onze weghelft rijdt. Als we dichterbij komen zien we dat het een oud geel trammetje is, dat links in een sleuf vast zit en rechts een wiel heeft.


 

 


 

 






Trailer met caravan die alleen met een keukentrapje bereikbaar is
Trailer met caravan die alleen met een keukentrapje bereikbaar is




  • 7 jun
  • 18 minuten om te lezen

Igoementisa, Ioánnina, Meteora, Paralia Panteleimonos, Nea Moudania, Thessaloniki, Nea Karvali, Alexandroupolis 23 mei – 7 juni 2026


Voordat we naar de haven rijden, ruilen we eerst de Italiaanse gasfles om voor een volle. Dat is minder makkelijk dan in Spanje waar veel mensen koken en stoken met

gasflessen. We zoeken op internet naar bombola del gas. Het eerste adres blijkt een pomp te zijn waar je LPG kunt tanken. No, no bomboli. Het tweede adres blijkt een distributeur te zijn van verschillende merken gas voor bedrijven maar verkoopt geen flessen – in ieder geval niet aan ons. Maar volgens de distributeur is er een paar kilometer terug, een bedrijf dat zeker flessen verkoopt. Het bedrijf van Pirani Giuseppe ligt midden in het stadje Jesi en volgens de site leveren ze verwarmingsapparatuur. We proberen het gewoon. Zigzaggend door het stadje, rijden we een doodlopend straatje in. Ik zie lange gasflessen staan die ze gebruiken om te lassen. Twijfelend vragen we naar bombola del gas - camper. Si, en de man gebaart dat we door de poort het terrein moeten oprijden. In een schuurtje staan inderdaad dezelfde flessen als die wij hebben.



In de haven rijden we achter andere campers aan naar een parkeerterrein tussen twee grote veerboten. Hier staan kriskras door elkaar: vrachtauto’s, auto’s motoren, auto’s met aanhangers en dus ook campers. Om half zeven begint er wat te bewegen. Auto’s moeten draaien, wij moeten achteruitsteken, motoren moeten zich klaarmaken en mogen

dan 15 minuten in de zonovergoten parkeerplaats wachten. Kortom chaos. Als het terrein bijna leeg is, mogen wij de boot oprijden. We staan net in een baan geparkeerd met 10 cm voor ons een andere camper, als een grote vrachtwagen met een stevige snelheid de baan naast ons oprijdt. 1 cm van de spiegel vandaan. Die gasten kunnen we rijden, zeg. We staan letterlijk ingesloten, midden in de boot. We pakken slaap- en vermaakspullen in tassen en zoeken de weg naar onze hut. Het kleinste formaat hut dat we tot nu toe hebben gehad. Geen twee bedden naast elkaar maar een stapelbed. Geen TV, wel een douche.

Hoewel het schip 180 mtr is kunnen we er nauwelijks wandelen. Veel gangborden zijn afgesloten. Er is een restaurant/kiosk op de 5° etage en een dak met een paar bankjes. Allebei zuchten we: deze reis gaat een lange reis worden – een lange 24 uur. In de hut kijken we een film op onze tablet. Weer twee uur voorbij.

De boot is uitverkocht dus zitten we met zo’n 930 passagiers en 2,2 km aan (vracht)wagens in

hetzelfde schuitje. Die passagiers zijn vooral oude vrachtwagenchauffeurs en grijze toeristen, zoals wij. Ik spreek met een Griekse chauffeur die in 1997 toevallig chauffeur werd doordat een vriend door een ongeluk met zijn vrachtwagen niet verder kon. Een andere huren in Duitsland bleek onmogelijk te zijn, hij kreeg geen groene kaart (verzekering). Dus regelde deze man in Griekenland een vrachtwagen en zorgde dat lading op plaats van bestemming kwam. En sindsdien is hij vrachtwagenchauffeur. En deze bootreis heeft hij al ontelbare keren gemaakt. Aan de tafels wordt bijgepraat, sterke verhalen vertelt en gelachen. Deze boot is duidelijk een ontmoetingsplek voor (eenzame) chauffeurs.


Vier Nederlanders doden de tijd met een bordspel – de mannen tegen de vrouwen. De twee stellen gaan een rondreis maken door Griekenland. Voor één stel is het hun huwelijksreis (hij is 76 en zij 70). Moet er niet aan denken dat je dat dan met een ander stel doet. Dat zelf al 44 jaar getrouwd is. “Ja, we worden wel een beetje misselijk van dat eindeloze schatje, liefje. Maar dat slijt vast snel.“  Na een week zullen we ze opnieuw treffen, althans het langgetrouwde stel. Ze reizen dan alleen want ze hebben ruzie gehad met het pasgetrouwde koppel. Hij bleek een bazig type te zijn en toen ze daar wat van zeiden, was het bonje.  


Op het dek raak ik aan de praat met een huisjesbezitter op Corfu. Deze Nederlander is vier jaar geleden met zijn vriendin naar het eiland verhuisd. Zijn zoon van 23 woont nu in zijn flat. Op mijn vraag of hij Grieks spreekt, schudt hij zijn hoofd. “Nee, ik heb geen talenknobbel. Wel geprobeerd maar de woorden blijven niet hangen.” En hij wil hier niet definitief gaan wonen. Ouderen gaan terug naar Nederland. De zorg is hier slecht. Als je in het ziekenhuis komt te liggen, moet je familie je wassen, je eten regelen. En je Nederlandse pensioen wordt gekort. Maar voorlopig heeft

hij het erg naar zijn zin op Corfu. Hij zit in de bouw en werkt vooral met Albanezen en die spreken wel een beetje Engels. Nee, hij werkt niet met Grieken. Daar kun je niet van op aan. Ze beloven je dat ze morgen een badkamer komen tegelen. Dan vraag je of ze echt komen. “Ja, morgen kom ik. En dan komen ze niet. Kom je ze ‘s avonds tegen in de kroeg en vraag je waar ze waren? Dan zeggen ze gewoon: vergeten, maar morgen kom ik echt. En dan zijn er weer niet.

Nee, die Albanezen komen, ze komen op tijd en werken hard. Afspraak is afspraak. Ze zijn er ook 7 dagen per week, alleen met feestdagen gaan ze wel eens terug. Ze werken voor hun gezin en onderhouden vaak nog ouders en andere familieleden. Ze werken zo hard dat ze waarschijnlijk snel versleten zijn.” Zijn vriendin stuurt een appje met een foto van de boot die ze vanuit hun huis voorbij ziet varen. Hij wijst ons de plek aan waar hij woont (rode cirkel). Over 5 uur ziet hij haar pas. De veerboten uit Italië stoppen niet op Corfu.


Tegen die tijd hebben wij al boodschappen gedaan – met vertaalapp want van dat Grieks kun je echt niks maken. Naar een camping gereden en daar zitten we op het terras van het restaurant achter een bord Moussaka, uitkijkend over een baai. De bootreis ging uiteindelijk toch sneller ging dan we gisterenavond dachten.  


Vanaf de kust rijden we de bergen in. We komen nauwelijks auto’s tegen – wat fijn is want dan kan ik makkelijker gaten vermijden. Ik stop voor een prachtig uitzicht. Het is groener dan ik verwacht had.  


Dit is het gebied van de Zagori. Een herdersvolk dat door de steile bergen daar lang ongemoeid kon wonen, terwijl de Grieken 500 jaar lang bezet werden door de Ottomanen (Turken). Pas 400 jaar later vielen ze ook onder de bezetting. Dat maakt dat de dorpen er anders uitzien en met UNESCO label ook zo blijven. Dus geen wit gepleisterde muren met rode daken. Ze mogen alleen


oude huizen vervangen en dan alleen in dezelfde stijl. We bezoeken een van die dorpen: Monodendri. Vooral ook omdat er een voormalig klooster is dat op de rand van een kloof staat.

Niet alleen de huizen zijn met natuursteen gebouwd ook de wegen zijn nog origineel. Keien vormen een oneffen pad, alleen de hoofdweg heeft asfalt. Die paden lopen echt zwaar. Ook de weg naar het klooster heeft dezelfde rot-stenen. Het uitzicht maakt heel veel goed.

 

Het verlaten klooster is niet leeg. Een van de kamertjes is een souvenirwinkel waar je handgeschilderde iconen, gebedsnoeren en dergelijke kunt kopen. Een paar portretten vind ik mooi.

Helemaal aan het einde van het klooster is er een fantastisch uitzicht in de Vikoskloof. Die in het guinessbook of records staat als diepste kloof ter wereld.  Onzin natuurlijk. Ze hebben beetje gegoocheld met parameters.[1]

Zagora is niet alleen UNESCO maar ook een natuurgebied. Dus helaas, dubbel verboden voor de drone.


Rijden door dit bergachtige gebied is niet alleen verrassend groen, maar ik word ook verrast door dieren: ik rij voorbij een (dode) slang, rem voor een schildpad die oversteekt, ontwijk een dode eekhoorn en we duimen dat de koeien die langs de weg staan, niet plotseling oversteken

aangezien er hier geen hekken zijn. Er ligt een mus langs de weg. Het is niet zo warm dat die van een dak gevallen is. Een dode rat in het dorp. Zwerfhonden en katten lopen langs de weg. Als we stoppen dan komen ze schooien. Op de camping zijn waakzame ganzen met jongen, een aalscholver droogt zijn veren en de futen zwemmen in het meer. Al fietsend langs dat meer zien we zelfs een pelikaan. En in de schemer zingen nachtegalen.


Ioánnina heet de stad waar we langs het meer kamperen. Het is het terrein van de roeivereniging. We zien de skiffs in de hal staan en over het meer zoeven. Het kamperen lijkt een bijzaak te zijn: toiletten en douches zijn oud en vervallen. We mogen gaan staan waar we willen, voor 30 euro per nacht. Tja locatie, locatie, locatie en gebrek aan concurrentie. Alternatief zou een zandplaat zijn in de volle zon zonder voorzieningen. Hier staan we onder de bomen. En het douchewater is heet.


Op de kaart kijkend, kunnen we rond het meer fietsen: zo’n 26 km. Al weten we niet wat de

kwaliteit en de drukte zal zijn. De asfaltwegen zijn rustig qua verkeer, en de zandpaden zo ongelijk dat we met liefde wat extra kilometers fietsen over asfalt. Het meer is maar af en toe te zien. Het riet blokkeert het zicht. Van boven bekeken lijken de rieteilanden ze wel een

topografische kaart. Dat uitzicht hebben we van een nonnenklooster. Er is een donker kerkje vol met fresco’s, iconen en kandelaars. Een binnenplein met veel rozen. Verder is het klooster ontoegankelijk. In een ooghoek zie ik een non voorbij schuifelen in een zwart habijt. (foto van internet gebruikt). 

 Het rondje rond het meer eindigt in de stad waar we een bezoek brengen aan het folklore museum Epirus (een gebied dat in vroegere tijden een deel van Griekenland (oa Zagora) en Albanië omvatte). Het is kleine tentoonstelling met veel klederdracht van de verschillende

volkeren en enkele ingerichte stijlkamers die het leven in verschillende periodes laat zien. We zijn de eerste bezoekers vandaag en aangezien het over een half uur dicht gaat ook de enige. Het museumpje ligt te ver van het toeristisch centrum, een ommuurde wijk met een kasteelruïne, moskee omgebouwd tot museum en aangevuld met een zilvermuseum. We fietsen door de uiteraard smalle straatjes en langs toeristenwinkels.


Een van de top 3 van Griekse bezienswaardigheden staat in Noord-Griekenland: de kloosters van Meteora. We mijden de tolwegen daar naar toe. Dat levert behalve een langere reistijd ook een mooiere route. We komen nauwelijks verkeer tegen. Tot we moeten afremmen voor een kudde schapen. Daar zien we een hele rij campers, die blijkbaar in colonne rijden. Dat lijkt me een nachtmerrie. Pas als we voorbijrijden, zien we de Aziatische bestuurders die een grote kaart op de zijkant van de camper hebben. Mogelijk dat ze de zijderoute volgen vanuit China.

We zigzaggen de bergen in en bereiken een pas van 1700 meter. Het gebied is verlaten, de aangekondigde post van sneeuwschuivers is al heel lang verlaten net als de cafés op de route. Dat zien we vaker als er tolwegen in de buurt liggen. Weer prachtige vergezichten die soms schuilgaan achter de gele bloeiende brem.  


Dan verschijnt het landschap dat in alle reisfolders over Griekenland te zien is. De rotsen met daarop kloosters. Ik heb er één uitgezocht om te gaan bekijken. Het is rond 12 uur en zoals

verwacht staan er overal langs de weg auto’s en touringcars. Zoek dan maar eens een parkeerplek voor een camper. Aan het einde van de weg is het een chaos van komende en vertrekkende bussen. Wil René ziet een touringcar net vertrekken, en parkeert snel onze camper.

We staan nu vlak bij een ander klooster waar mensen eenvoudig kunnen omdat er een brug is. Dat klooster gaat over driekwartier dicht. Ik    sta in dubio. Het klooster dat ik heb uitgezocht is vanaf deze plek 40 minuten lopen en omdat het bovenop de rots ligt, gaat het eerst 100 meter naar beneden en 50 meter trappen naar boven. Het is

waarschijnlijk wel rustiger. Anderzijds is het bloedheet (32 graden). Ik eet een boterham en laat de balans doorslaan naar het klooster met de trappen. Rugzak op, wandelstok en water mee, pet op

en jurk aan. Want er zijn kledingvoorschriften: Geen korte broek voor mannen, rok/jurk voor vrouwen en de schouders bedekt. De wandeling valt reuze mee. Het is korter dan de planner aangaf. Bovendien is de trap uitgehakt in de rots en zodoende is daar schaduw. Het uitzicht is adembenemend, het klooster zelf is klein en niet bijzonder.

De terugweg doe ik op mijn dooie gemak, stap voor stap. Wil René loopt voorruit en haalt de camper vast op. Het zweet parelt van mijn voorhoofd maar ik heb het toch maar gedaan! We rijden naar een camping in het dal. Een paar bochten verderop is een uitzichtspunt waar ook de andere kloosters te zien zijn. Ik klauter op rotsen en het is werkelijk ADEMBENEMEND. Ook in dit

gebied kan Wil René geen drone de lucht insturen. Dus ik maak filmpjes met mijn mobiel. Daar hebben we een filmpje van gemaakt. zie VIDEO'S. Wil René heeft ondertussen een parkeerplek gevonden en kijkt waar ik ben. Dan roept hij me terug.  “Ik krijg buikpijn als ik je zo zie staan zonder hek met de diepte beneden je.” Ik sta meer dan een meter van de rand maar a la. Ook als er een muur zou staan waar ik overheen kijk, zou ik een hand voelen die me terugtrekt. Zo werkt hoogtevrees dus.


Op de camping vinden we een plek in de schaduw– net naast een moerbeiboom die enthousiast zijn donkerpaarse vruchten naar beneden laat vallen (ze lijken op bramen). We springen op de fiets om avondeten en water in te slaan. De rotsen torenen boven ons uit. Ik moet mijn best doen om op de weg te blijven kijken.


De volgende dag protesteert mijn lijf. Geen spierpijn zoals verwacht  maar knallende koppijn die ondanks de pijnstillers niet wenst te wijken. Vandaag rij ik dus niet. Wil René rijdt een best saai route. Voor het eerst zie ik een geel, droog landschap. Een landschap zoals ik eigenlijk bij Griekenland verwacht had. Wederom kiezen we voor tolvrij, en dit keer mislukt dat. Onze routeplanner voor campers wil ons een route laten rijden die ruim een uur langer duurt. Eigenwijs volg Google maps tot we een hoogtebord zien van 2,80 m. Tja wij zijn 3 meter. Dan toch maar een stukje tolweg.


We rijden in een kustplaats een camping op waar we worden direct doorverwezen naar het strand. We kunnen nog uit vier plekken kiezen. En ja met wat bomen want ook vandaag is het 32 graden. Mijn koppijn is hardnekkig en ik hang de rest van de dag in een stoel met een koelelement. Ik kruip vroeg mijn bed in. Alle ramen staan open, een ventilator zorgt voor een beetje verkoeling. Het is donker buiten maar desondanks is het nog 26 graden.

Om ons heen zijn er nog veel andere campings. Vaak nog gesloten. Ze hebben voornamelijk vaste plekken in een lange rij, allemaal met dezelfde inrichting: een caravan met voortent of huisje, betegeld terras, tuinhek ervoor en over de hele plaats een zeil.

Her en der zien we  mensen bezig om het campingseizoen te beginnen. Net als de strandtenten. Strandstoelen worden afgespoten, parasols in de grond verankerd, nieuwe menu’s geprint. Het seizoen begint overmorgen, op 1 juni.  


Bij een kleine strandtent met schaduw van een boom spreek ik met de uitbaatster van het terras.


Inmiddels weet ik hoe ik dank je zegt in Grieks (efcharistó) en ja = nè. En sinds vandaag vergeet ik het woord nee ook nooit meer: Óchi. Lachend vertel ik haar dat Orgie in Nederland seks met veel mensen is…. Grieks is lastig omdat ik niet alle letters ken en het klinkt in mijn oren meer Slavisch. Ze schrijven gelukkig veel ook met Latijnse letters en veel in het Engels. Boodschappen doen we ook echt met een vertaal-app. Onderweg is het soms raden wat er op een bord staat.

Vanaf het strand zien we tot onze verrassing besneeuwde toppen. In Griekenland, in mei! We kijken naar de Olympus (2918m), daar waar de goden wonen, althans in de oude Griekse verhalen. Het is zo’n contrast als je aan het strand zit met 30 graden met besneeuwde bergen achter je…


Eind van de middag fietsen we naar een dorp verderop via een oude spoortunnel. Scheelt 80 meter stijgen. Het grappige is dat ze van de ingang van die spoortunnel een café hebben gemaakt. De uitbaadster van het terras van vanochtend, heeft verteld dat ze je gewoon door moeten laten. Dus wandelen we met onze fietsen tussen de tafels en stoelen door en waarachtig achterin zit de ingang van de tunnel (oranje pijl op de foto). Er gaat zelfs een licht branden. Het oude trein tracé loopt vlak langs de zee. De bielsen zijn vervangen door kiezels die soms wel heel losliggen. Met een elektrische fiets lukt het, een beetje slippend, het dorp te bereiken dat vele malen toeristischer is dan het gehucht van de camping. Daar eten we aan het strand Souvlaki. 


Eigenlijk wil ik graag Thessaloniki zien. Het is echter Pinksteren – topdrukte in de stad, vermoed ik. Thessaloniki kent geen campings noch formele camperplekken. We zouden kunnen parkeren bij de IKEA en dan 12 km terug naar de stad fietsen. Met deze hitte lijkt ons dat geen goed plan. Ik heb daarom een camping ten Zuiden van de stad geregeld voor het weekend. Daar gaan we wel uitzoeken hoe we de stad kunnen zien.


De weg rond Thessaloniki staat vol met files. Het alternatief van de routeplanner is dwars door de stad. Gelukkig het is de beurt van Wil René om te rijden want hier komen auto’s van een zijweg zonder invoegstrook, bijna stilstaand, de driebaansweg op waar 90 km wordt gereden. Bij de haven wordt die weg smaller, drukken auto’s zich ertussen. Rechts én links worden we ingehaald, aan beide kanten staan auto’s geparkeerd. Motoren laveren daar weer tussen. Stapvoets persen we ons in een zijweg die 2-baans is, zie ik, maar met drie auto’s naast elkaar schuiven we erin.

We kamperen aan het begin van één van de drie landtongen ten zuiden van Thessaloniki. Van mensen hoorden we dat die erg mooi zijn, idyllische stranden en leuke vissersplaatsjes. De kleine camping heeft een strand, klein winkeltje en restaurant. Verder ligt het in de middle of nowhere.  Links en recht wat hotels en huisjes, voor ons de zee, achter ons de grote weg. Ik ben niet lyrisch. Al is de zonsondergang prachtig.


We gaan op de fiets de landtong Kassandra bekijken, op zoek naar die leuke vissersplaatjes. Daarvoor moeten we een kanaal oversteken naar het schiereiland. We zoeken waar we met de fiets de brug over kunnen. Dat kan dus niet. Er is een 4-baans brug waar auto’s 70 km per uur mogen rijden. De oprit ligt een 1 km verderop waar er zelfs 100 km/u gereden mag worden en een vluchtstrook ontbreekt. Kortom de idylle van de schiereilanden is voor een volgende reis. We vermaken ons op de camping weer met schilderen en lezen.


Ondertussen hebben wij bedacht hoe we Thessaloniki gaan bezoeken. Bij het station in het centrum is een bewaakte en betaalde parkeerplaats. Om er te komen heeft onze route-app wel weer een bijzondere route uitgestippeld. Wederom om een file te vermijden, worden we dwars door te stad gestuurd. Het levert verbaasde blikken op van wijkbewoners en tegenliggers. Zien we in ieder geval al wat van de niet toeristische buurten. Op de parkeerplaats is plek en we mogen er

ook overnachten. We laden de fietsen af en wagen ons in het Griekse stadsverkeer. Een uitdaging is het asfalt: een lappendeken is met bulten, gaten en verdiepte putdeksels. Een andere is het laden en lossen van auto’s en bussen op de rechterbaan van de brede avenues. Hierdoor moeten we om de auto’s

laveren tussen het verkeer van de twee baan. Zeker taxi’s halen ons krap in. Toch is het heerlijk om zo de stad te bekijken. We fietsen langs de

zee. Er passeert een rode Ferrari die onder grote belangstelling een plein oprijdt. Daar staan meer dure auto’s geparkeerd. Over een uur start de rally van de Mod Ball die over een week eindigt in Monaco tijdens het Formule 1 weekend. Prijskaartje voor deelname is ruim 5000 euro per persoon[2]!  


Thessaloniki is een relaxte, studenten stad met een eeuwenlange geschiedenis. Gezien de snel stijgende temperaturen beperken ons tot een bezoekje aan de kleine kopie van de Hagia Sofia (die in Istanbul staat en inmiddels de Blauwe Moskee heet). Mochten we daar niet komen, dan heeft Wil René die alvast gezien. Nou kleiner is die zeker en veel minder mooi. Al put ik uit mijn herinneringen van 40 jaar terug. Er loopt een hoogblonde dame binnen die naar de eerste icoon loopt en het glas twee zoenen geeft. Een kruisje slaat en vervolgens naar een ander icoon loopt die ze ook zoent en een derde ook. Ik vraag aan de jongen die souvenirs verkoopt in de kerk waarom ze de schilderijen zoent. “Het is een gewoonte: je kunt het beschouwen als begroeten, het tonen van respect. We zoenen vrienden ook twee keer op de wangen.” 


We wandelen door de stad, lunchen en in de middag kijken we rond in het byzantijnse museum. Ik weet heel weinig van dat rijk dat volgde op het Romeinse rijk. Een bestaan van ruim 1000 jaar met Constantinopel (nu Istanbul) als hoofdstad. En die 1000 jaar wordt in 10 zalen gevangen. Ik zie veel mozaïeken, fresco’s, vazen, scherven, munten. Veel komt uit de grond bij Thessaloniki. Ik ben niet veel wijzer geworden. De religieuze schilderkunst vind ik echt anders: harde kleuren en scherpe lijnen waardoor de panelen modern, strip-achtig lijken.

 

In de middag wandelen over de markt wat me doet denken aan een soek in Marokko. Bij de slager hangen koppen die laten zien welke dier geslacht is. Het vlees wordt buiten op een blok in stukken gehakt. Smalle pijpenla-winkels met kleding, keukenspullen, kruiden etc.    

Die Marokkaanse sfeer zie ik ook in de Hammam waar we een massage boeken voor vanavond. We ontvluchten de camper die vol in de zon staat.  Het is 40 graden binnen. Als je in de schaduw blijft is de 31 graden in de stad wel te doen.


Als de zon achter de wolken verdwijnt, bekijken we de skyline vanaf een roof top bar. Daar zie je hoe groot de stad is – en hoe hoog dit gebouw… 


De massage is gecombineerd met een  hammam. Dat is hier een Turks stoombad waar we niet geschrobd worden maar een scrub meekrijgen om het zelf te doen. De massage is goed pittig en ik voel dat we vandaag ook veel geslenterd hebben. Het is donker als we terugwandelen naar onze warme camper. Alle ramen open en met een ventilator aan, vallen we in slaap. De stad slaapt niet, dus het is wel een onrustige nacht.    

    

Verder naar het oosten van Grieks-Macedonië neemt het aantal campings en camperplekken af. We kiezen een camping op fietsafstand van een leuke stad We laten onze route-app weer de route bepalen. Normaliter check ik met Google maps of het logisch lijkt. Vandaag niet. We laten ons verrassen. En de route-app stelt ons niet teleur. Dwars door de binnenlanden. Weinig tegenliggers, af en toe een overstekende schildpad of een tractor. Wij zijn hier de bezienswaardigheid. Het is landbouw in vlakte, bossen op de heuvels met af en toe een dorp met witte huizen en rode pannendaken zoals bijna in heel Griekenland. We vinden een pauzeplek bij een kapelletje. In Griekenland staan er héél veel. Kleintjes op een sokkel. Van verroest metaal tot een gezellig pastelkleurig kerkje. Ze heten ekklisaki, wat kerkje betekent. Standaardinrichting: een

of meerdere iconen, kaars met aansteker of lucifers. Ze staan verrassend vaak in bochten van wegen. Neergezet door familie van een overleden weggebruiker ter nagedachtenis en als bescherming voor andere weggebruikers. Zoveel als er staan, zou er geen ongeluk meer kunnen gebeuren. Die kleine staan ook bij de poort van huizen en bedrijven. [3] 

Er staan ook regelmatig grote kapellen zoals de Mariakapellen in het zuiden van Nederland. We zien ze als bouwpakketten staan in Doe-het-zelfzaken. Naast de kapel waar we pauze houden hangen kleren in de boom. Veel kleren en sommige hangen hier al heel lang. Ik vraag een Grieks echtpaar wat de betekenis is van al die kleren. Het zijn geschenken die de verzoeken om gezondheid moeten versterken. Het is een lokale gewoonte. De man vertelt over zijn oma van  vaderskant. Zij kon niet meer lopen. Ze is hier met paard en wagen heengebracht (in die tijd had je nog geen auto, verduidelijkt de man). Ze baden hier en vulden flessen bronwater. Dagen later kon ze weer lopen. Dat soort wonderverhalen doet mensen hier stoppen.  Ze wonen 10 kilometer verderop en stoppen altijd om een kaarsje op te steken voor iemand. Hier wordt gebeden tot de

heilige Paraskevi Ik lees het verhaal over deze heilige uit de 2e eeuw[4]. Uiteraard ook een wonderverhaal. Terwijl wij pauze houden stoppen meerdere auto’s die met het bronwater hun gezicht of hoofd aantikken, een kruisje slaan, even de kapel inlopen en doorrijden. Ik zie niemand iets in de boom hangen.  


Na 120 km en ruim twee uur later komen we weer in de “bewoonde wereld” aan de kust. Hier rijdt weer veel vakantieverkeer. Voor de volgende pauze loodst Wil René me een klein weggetje in dat steil naar beneden gaat. Het asfalt wordt al snel zand met diepe kuilen. Ik moet zelfs door een klein riviertje klotsen. Zelfs de 7 km per uur is een te hoge snelheid. Maar we kunnen wel vlak bij een leeg strand parkeren.

We volgende weg langs de kust en rijden dwars door een leuk stadje (Kavala) dat op een rots op een landtong is gebouwd en dat via een aquaduct van water werd voorzien. Ik maak snel wat foto’s.  Morgen fietsen we hier wel heen en maak ik wel betere. Het is maar 12 km. Als we de weg vervolgen, ontdekken we dat er maar één weg loopt, zonder vluchtstrook met veel vrachtverkeer. Als we bij de camping zijn, hebben we de conclusie al getrokken: dit gaan we niet fietsen.


De camping ligt aan zee, heeft een veldje voor toeristen. Verder zijn het Bulgaren die hier het jaar door kamperen. De grens is hemelsbreed ook maar 25 km. We zijn gaar van het rijden. We besluiten hier te eten. Er is een groot restaurant dat uitkijkt op zee, waar de vissersboten terugvaren naar de haven. De volgende dag zie ik in de haven de garnalenvisser zijn netten boeten, waarschijnlijk heeft hij mijn garnalen van gisteren gevangen.  Een ander bootje zet zakken met mosselen aan land.

Het dorp waar we kamperen heeft behalve een camping ook wat eenvoudige verhuur-appartementen. Het is vooral een gewoon dorp, geen rijk dorp. De meeste huizen hebben een moestuin, sommige ook kippen. De werkeloosheid in Griekenland is hoog – Grieks statistiekbureau noemt 12%, het arbeidsbureau heeft het dubbele aantal werkzoekende. Waarheid? Toerisme en landbouw zijn belangrijkste sectoren dus veel seizoenswerk. Verschillende momenten waarop de werkloosheid is gepeild? Het minimum uurloon is hier 5 euro (in NL is dat 15). Het levensonderhoud is wel 30% goedkoper (aldus verkopers van huizen in Griekenland) maar dat maakt het plaatje er niet beter op.


Nu we niet gaan fietsen, vullen we de middag met schrijven en schilderen. De hele dag dreigt er regen dus verplaatsen we naar het restaurant. Aan het eind van de middag komen er nieuwe campinggasten. Een Nederlands busje heeft een voor ons bekend sticker op de zijkant. Ze zijn met dezelfde organisatie naar Marokko geweest. Al snel drinken we samen een wijntje en wisselen verhalen uit.


De laatste camping in Griekenland ligt ook aan het strand. En ook hier veel kamperende Bulgaren die van de zon genieten. Het regent daar dit weekend, weet mijn buurman te vertellen. Hij is vrachtwagenchauffeur die maandag met z’n truck naar Duitsland en Denemarken rijdt om meubels af te leveren. Of ik Jeffrey Herlings ken? Toevallig wel. Ik zag eens een interview gezien met deze motorrally-rijder die een paar keer wereldkampioen is geweest. Nou hij gaat vaak kijken. En ik krijg een video te zien van een wedstrijd van vorig weekend in Duitsland.



We fietsen naar Alexandroupolis, een aardig stadje zonder bezienswaardigheden. We stuiten op de markt waar we de fiets bij de bakker zetten. Op het terrasje zijn nog twee stoelen vrij. Er zit een groep gepensioneerde Grieken die wel in zijn voor een babbeltje. Waar we vandaan komen? Dame 1: Oh mijn zoon woont in Rotterdam. Hij was gisteren nog in Utrecht voor een fietsevenement. (In het Engels). Dame 2: Of ik kinderen heb. Zij heeft 2 dochters (in het Engels/gebarentaal). Een is lerares Frans. Samen grappen we wat Franse woorden die we geleerd hebben. De derde dame heeft als meisje 7 jaar in Zwitserland gewoond. Haar huwelijk bracht haar weer terug. Haar ouders zijn gebleven en kwamen pas na 40 jaar terug. Het Duits is roestig maar al pratend gaat het steeds vlotter.  

Terugfietsend zie op een bord günlük taze staan. Dat is Turks voor dagelijks vers. En Turkije is de volgende bestemming.  

 

Voetnoten

© 2026 Hellie van Hout

bottom of page