Zigzaggend door de bergen van Turkije
- 15 aug
- 13 minuten om te lezen
Vezirköprü, Safranbolu, Çamlıpınar Göleti, Kazakburun, 9 – 13 augustus 2026
Even twijfelen we of niet nog een nachtje op de camping zullen blijven, maar de toiletten en

douche zijn zo smerig. Gisteren bij aankomst waarschuwt de buurman dat er waarschijnlijk geen warm water is, zo eind van de dag. Nou mag het water van mij best lauw zijn. Daar koel ik meer vanaf. Als ik wil gaan douchen is die bezet. Voor de 30 kampeerplekken en de 6 huisjes is er een douche voor de vrouwen en een voor de mannen beschikbaar. Als de mevrouw voor mij uit de douche komt waarschuwt ze mij. Iemand heeft zijn behoefte gedaan in het douchputje. Ze heeft er maar een laag papier opgelegd. Ik doe net of ik het niet zie en spoel me snel af. Wat nog niet eenvoudig is, want er is weinig waterdruk. De volgende ochtend is het water wel bloedheet, alleen zijn de wc’s en douche rond 10 uur nog steeds niet schoongemaakt. Met de zon die alweer flink brandt, wil ik wel weg. Er is een oude karavanserai annex bazaar ruim 150 km westelijk en aan het stuwmeer. Daar vlakbij is een picknickplek waar je mag overnachten.
Het is zondag en waar ik geen rekening mee gehouden heb, is dat de “overdekte” bazaar bijna uitgestorven is en de grote ruimte binnenin, waar vroeger de Karavan Serai zat, afgesloten.
Jammer want de bazaar heeft veel kleine werkplaatsen: schoenmaker, metaalbewerker, kleermaker ed. Er zijn een paar semaver verkopers open. Een semaver is een heetwaterketel die gebruikt wordt om de thee te maken waarvan de Turken liters per dag drinken. Vaak zit een eer keteltje aan vast waar sterke thee- extract zit en wordt aangelengd met heet water. Ik denk dat dankzij de armoede van Vezirköprü het complex er nog altijd is. Vergane glorie, zo kan je het ook omschrijven.
Door naar het picknickpark aan het stuwmeer. Aangezien het zondag is, is het er heel druk. Het is een heel groot natuurterrein met een betaalde entree. Het terrein loopt ook heel schuin naar het water. Er zijn niet zoveel parkeerplekken en de hoge stoeprand weerhoudt ons om het bos in te rijden zoals sommige auto’s en busjes. Hoe dichter bij het water, hoe voller. Terug naar boven, waar we nog een plekje vinden dat lang genoeg is voor ons. De campingstoelen zetten we in het bos en we worden (alweer) uitgenodigd voor de thee. Inmiddels zijn we gewend aan de gastvrijheid van de Turken. Ik bedank – hete thee is niet waar ik nu naar uitkijk. Na een tijdje worden we weer gevraagd voor de thee. Het is een klein gezin. Oma, opa, dochter en kleinkind. Hoewel Wil René al zijn charme uit de kast haalt wil het 2-jarige meisje geen handje geven. Zelfs niet als hij een bakje chips heeft gehaald, wat Leila heel graag wil, maar niet durft. Op oma’s arm pakt ze een chipje uit het bakje om snel weer tegen haar aan te kruipen. Dochter (30 jaar) heeft voor schooljuf geleerd maar tot nu toe heeft ze geen baan gekregen van de overheid. Het gesprek via de vertaal-app weerhoudt me om door te vragen, de spontaniteit ontbreekt en het risico om te beledigen, onbegrip is veel groter. Ze wonen in Vezirköprü en nodigen ons tot twee keer uit om in huis te komen slapen. “We hebben ons huis bij ons”, en bedanken na drie bakken thee uit de Semaver. Langzaam loopt het park leeg.

De volgende ochtend worden we vroeg door de zon gewekt. De route langs het meer en de rivier is mooi én aangezien ik rij, zie je een geleende foto[1]

Na deze schoonheid worden we weer geconfronteerd met de Turkse Rijkswaterstaat die het landschap op de schop neemt voor betere en bredere wegen. Ook fijn maar het zal wat jaren duren voordat de littekens door de natuur zijn weggemoffeld. Niet alleen de overheid maar ook het bedrijfsleven maakt gretig gebruik van de grondstoffen die in de bodem zitten. Vooral kalk, grind en zand. Wie zien cement- en baksteenfabrieken. Het land is ook zo groot dat het me minder stoort.
Sinds gisteren is de gasfles leeg. We hebben een kleine reserve fles dus geen paniek. Onderweg gaan we opzoek naar het merk Ipragaz, waar we deze fles hebben gekocht. Al snel ontdek ik dat het ook een leverancier is van LPG. Via internet word ik zo niet wijzer. “Ze koken hier op het platteland op gasflessen”, zegt Wil René. “En onze route gaat door dat platteland.” Inderdaad als we voor een stoplicht stilstaan, ziet hij ineens een bord aan de gevel. Het is een supermarkt en winkel van sinkel ineen die inderdaad gasflessen heeft staan. In de volle zon? Dat zijn de lege flessen. Naast het pand in de schaduw staan de volle.

Langs de weg verschijnen ineens geen kraampjes meer met meloenen en perziken maar met knoflook. En niet een paar maar zeker 50 kraampjes met duizenden strengen. Let bij de foto op de aanhanger die links in de achtergrond staat: afgeladen vol. Allemaal hangen ze hun knoflookstrengen op een rode achtergrond. Niet blauw of paars maar rood. Waarom? Geen idee. Tot aan de volgende grote stad Kastamonu en daarna verdwijnt ze weer uit het straatbeeld.
Die stad zien we van verre liggen met de grote flats aan de rand. We moeten nog boodschappen doen en ik heb in die stad een Starbucks gevonden. Als ik dat noem gaan Wil René’s ogen glanzen. Frapucchino Caramel. Geen enkel probleem meer om dwars door de stad te rijden.
Eindbestemming van vandaag is Safranbolu dat als stadje op de UNESCO erfgoedlijst staat. We hebben er bovendien een camping gevonden met douche en het oude centrum op loopafstand.

Als we eind van de middag aankomen is de temperatuur al gezakt tot 27. We kiezen een plek in de schaduw van een grote walnotenboom. Als we wat meer zijn afgekoeld, bezoeken we het oude stadje dat in een kloof

ligt. Vol met oude Ottomaanse huizen: stenen onderkant met een houten opbouw die vaak uitsteekt. Die bovenkant is een soort vakwerk. Donkere houtenbalken met daartussen bakstenen (arme variant) of gestukt. De oude wegen zijn onbegaanbaar. Ongelijke brokkensteen die me dwingen om de straat te bestuderen in plaats van mijn omgeving. Bovendien zijn ze in de loop van de tijd glad geworden en mijn schoenen hebben weinig profiel. Kortom: aandachtig lopen en bedacht zijn op uitglijden.
Er is een bazaar met veel horeca, kleding en natuurlijk saffraan-olie. De stad heet niet voor niets Safranbolu. Hoog boven me, zie ik mensen op een uitkijkpunt staan. Met open streetmap vind ik een route naar boven op de rand van de kloof. Langzaam loop ik de steile straatjes en trappen op.

Met als resultaat een prachtig uitzicht ook omdat de zon net ondergaat. Voor de terugweg kiezen we een omweg die wat minder steil is. Desondanks is het balanceren op die rot keien. Eenmaal terug op de camping trillen mijn benen van de inspanning. Gelukkig morgen weer rijden…
De plek die we op de camping uitgekozen hebben, zorgt dat we ook in de ochtend in de schaduw van een boom staan. Met prachtig uitzicht op een stukje kloof en stad. Pas tegen het middaguur
komen we weer in beweging verder richting het westen. We hebben geen haast dus kiezen we een weg binnendoor in plaats van de tolweg. Het is een rustige weg, een heel rustige weg, gelukkig! Grotendeels is die maar éénbaans. We stijgen en stijgen en rijden over een kam tussen de naaldbomen dwars door een natuurgebied. Uiteindelijk hebben we maar drie tegenliggers in 50 kilometer.
Bij de stad Bolu pakken we een stuk tolweg en ineens zien we op deze 2x driebaansweg dat er best wel wat Europese auto’s rondrijden. Wij zagen er tot nu toe zelden één, laat staan een camper. Aan deze tolweg zit een outlet en ik kan wel wat dunne katoenen bloesjes gebruiken met deze hitte. En kijkend naar het weer in Zuidoost-Europa wordt het er niet minder heet op. Turkije lijkt met temperaturen rond de 30 nog best koel te zijn. Ik scoor er drie en Wil René nog een poloshirt. En niet verrassend, er zit een Starbucks.
De overnachtingsplek ligt aan een ven op 1000 meter hoogte. Terwijl we daarheen rijden is de zon verdwenen en het zou kunnen regenen - daarboven. De weg blijft droog. Hoewel het zes uur is

lijkt de schemer al in te vallen. Nog een klein stukje. De laatste 2 kilometer is er geen asfalt maar gravel. Het is dat er een bordje staat dat verwijst naar het ven, anders waren we er niet ingereden. De weg zit vol kuilen en stijgt. Af en toe slipt de band even. Maar de weg is nog altijd beter dan bij de grottenstad in Armenië. Het is een prachtig meertje. Eromheen staan nog vier Turkse stellen/gezinnen. Een tent die er al een al een tijdje staat. De anderen - een 4-wheel drive pick-up, een stelletje in een auto en een gezin met auto en tractor-kar - vertrekken als het donker wordt. Die tractor-kar reed voor ons in het dorp met in de laadbak een kindertent. De kinderen zitten er gezellig in. Het tentje wordt naast de picknicktafel gezet.
Als het donker is komt er nog een Turkse camperbus en twee motoren aan. In het donker manoeuvreren tussen bomen is niet eenvoudig, blijkt. Aanwijzingen worden geroepen, het busje rijdt verschillende malen op en neer. Ze willen vlak bij het meer staan, zie ik de volgende dag en dat vraagt inderdaad wel wat precisie. Het was vannacht koud, 16 graden. Lekker onder mijn dekbed. Trots dat ik weer een goede overnachtingsplek heb uitgezocht. Rond acht uur schijnt de

zon op de camper en verplaatsen we ‘m toch in de schaduw van het bos. De stoelen zetten we in de zon om een beetje op te warmen. Tot mijn verrassing krijgen we vandaag geen thee aangeboden, maar de twee jongens uit het busje vragen om koffie. Ze hebben het busje pas net en proberen het uit. Nog geen koffiepot aan boord. Natuurlijk zet ik koffie.
Wederom vertrekken we eind van de ochtend en rijden een omweg over een groene route van de kaart. Het blijft een verrassing of wij de route ook mooi vinden. Hij voert in ieder geval langs een prachtig meer tussen de bergen. Dicht bij de tolweg en goed bereikbaar voor Istanbul en Ankara.
Daarmee is weg naar het meer een uitgelezen kans voor horeca-ondernemers. Het is een aaneenschakeling van hotels, restaurants, bungalows, ressorts en straatverkopers. Uiteraard is het meer ook voorzien van twee betaalde toegangen. Eenmaal daar voorbij, rijden we de pas over met een prachtig uitzicht. Hier geen horeca. Duidelijk dat de bezoekers van het meer niet de moeite nemen om een paar kilometer verder te rijden. We volgen een berggebied met dezelfde naam als het natuurgebied en het meer: Abanta. De rest van de middag slingeren we door die bergen verder naar het westen. Uiteindelijk zijn we maar 100 km westelijk gereden. Belangrijker: we zijn 1000 meter gedaald. Dat merken we meteen aan de temperatuur. Om zes uur is het nog 30 graden, vannacht zal het niet hard afkoelen vermoed ik.
Als overnachtingsplek heb ik weer een picknickplek uitgezocht. Het hek is dicht, het is pas 18 uur. De parkeerplekken waar caravans en campers kunnen staan, is vol. Ook voor de picknickers en kampeerders. Voor hun staan er bolderkarren om hun spullen naar binnen te rijden. Parkeren kan op de grote parkeerplaats aan de grote weg. Ik pas. We zitten in de buurt van een groot meer en als ik het woord “kamp” in Maps intik, verschijnen er verschillende mogelijke overnachtingsplekken. Een snelle scan levert er twee op waarvan ik denk dat wij er als camper kunnen staan. De eerste is een kleine camping waarvan de eigenaar enthousiast gebaart naar

een plek waar de camper wel kan staan. Er is groen gras, elektra, water en ja ook een warme douche. Het is op zijn Turks: rommelig, shabby en ook wel charmant. Er hangt wel een stevig prijskaartje aan 1500 lira (30 euro). Eigenlijk veel te veel maar ik heb geen zin om te onderhandelen of verder te zoeken. We ploffen neer. Rond 22 uur ga ik toch maar douchen, ook al is het nog altijd 26 graden en windstil. Dat wordt een warme nacht. Exit dekbed.
We overleggen wat we morgen gaan doen. Hier wordt het heet en we hebben geen schaduw. Istanbul, Edirne worden 35 graden. Geen weer voor een camperplaats in de stad. Ze blijven op mijn lijstje “ooit te bezoeken” staan - met koeler weer. Ik bekijk de Europese weerkaart en ook daar word ik niet blij van. Heel Zuidoost-Europa kleurt dieprood. Alleen langs de Bulgaarse kust is het “maar” 28 tot 30 graden. Da’s wel een eindje rijden. We zien morgen wel hoe ver we komen.
Bij het afrekenen blijken we alleen met cash te kunnen betalen. Probleem. Ik heb niet genoeg. Ik leg al de cash dat ik nog heb, in zijn handen en kom tot 1070 lira. Hij knikt het is oké. Waarschijnlijk was 1500 zijn onderhandelingsprijs gisteren en dik tevreden dat ik meteen instemde.
We gaan de tolweg op waar we zeker overal met pin kunnen betalen, dat komt goed. We zoeken op wat de munteenheid is van Bulgarije. Lev meende ik me te herinneren. Blijkt dat ze sinds 1 januari de euro hebben. Hoeven we straks ook niet te wisselen.
Dit deel van Turkije is een stuk drukker. Een aaneenschakeling van steden en dorpen aan de linkerkant van de tolweg totdat we noordelijker gaan en vooral heuvels, en eindeloze landbouwvelden zien. De routeapp geeft ineens aan dat de weg voor ons geblokkeerd is en zoekt een andere weg. Ik check voor de zekerheid Maps en zie dat er een ongeluk gebeurd is over 135 km op de noordelijke Tolweg, ruim om Istanbul heen. Nog geen reden om direct af te slaan. Over 100 kilometer kunnen we nog kiezen om via de middelste tolweg langs Istanbul te rijden. Ik check regelmatig en zie dat de file groeit, weer afneemt, weer groeit want op een andere plek is een ongeluk gebeurd. Hij groeit nog verder want er is nog een ongeluk gebeurt. Na 100 kilometer is de middelste tolweg sneller dus ik stuur Wil René die kant op. Het scheelt maar een paar minuten – deze tolweg geeft ook files. Eigenlijk hoop ik dat de omgeving van deze weg wat interessanter is dan heuvels en weilanden. Dat klopt en aangezien Wil René rijdt, kan ik rondkijken. We gaan straks over de Bosporus naar de Europese kant van Turkije. Ik verheug me om de stad te zien. “Er staan vast van die windschermen op de brug”, tempert Wil René mijn verwachting. Het blijkt een
laag hekje te zijn. Wat een enorme stad is dit. En dat zeg ik de volgende 50 km regelmatig. 2x vierbanen auto’s wurmen zich zigzaggend door het verkeer. Grote flats om ons heen. Ineens zit er een gesluierde vrouw met een kind naast de linkerbaan te bedelen. Wil René schrikt zich rot. Even later biedt een jongen ringbroden met een stok aan. Hij staat op de weg tussen de rijen auto’s die in een korte file staan, een eind verderop weer, ook water te koop. Blijkbaar weten deze mensen waar de dagelijkse files staan – bij de opritten. En toch, ze wagen zich over 4 rijbanen naar het midden van de snelweg.

Ik schrik nog een keer flink, en zit bijna bij Wil René op schoot. We worden ingehaald door een auto met zeker 150 km/u, over de vluchtstrook. De snelweg voorbij Istanbul is “nog maar” 2x tweebaans en met meer vrachtverkeer. Deze auto zigzagt met hoge snelheid door het verkeer. Dat gaat zeker nog eens mis want

ongetwijfeld kunnen die gasten goed rijden, alleen zijn er andere weggebruikers die net zoals ik totaal niet bedacht zijn op deze manoeuvres. Regelmatig staan er auto’s op de vluchtstrook met pech. Een kwartier later worden we weer rechts ingehaald op de vluchtstrook. Ik begrijp die vele ongelukken op de tolweg nu wel. De uitgebrande auto op de sleepwagen zou een reminder voor die gasten moeten zijn.
We rijden lekker door. Bulgarije gaan we halen vandaag. We verlaten Turkije via een kleinere grenspost bij de Zwarte Zee. Er staan rode borden langs de weg met een gewapende soldaat met in vier talen: verboden gebied. Hier hebben vele Syrische vluchtelingen geprobeerd de grens te passeren. En misschien nog steeds wel. We staan in een overzichtelijke rij auto’s te wachten. Ik
zie acht auto’s de grenspost inrijden. En dan stopt het en begint het wachten. We speculeren maar hebben geen idee waarom het zo lang duurt. Als we eindelijk ook de grenspost binnenrijden zien we dat er zeker 25 auto’s in twee rijen staan die hun papieren bij een loket moeten laten zien. De rij naast ons schuift langzaam door, wij staan stil. Opmerkelijk veel Belgische en Duitse auto’s. Wil René’s ongeduld en frustratie groeit. Waarom duurt het zo lang, wat is er met deze rij aan de hand? Hij stapt uit en gaat kijken. Alle passagiers van een bus blijken in “onze” rij hun paspoort te moeten tonen, stempelen etc. De rechter rij blijft sneller gaan. Ik rij de camper eindelijk een autolengte naar voren. En weer wachten. Wil René roept ineens naar mij: “Rij naar de rechterrij”, en hij blokkeert de auto in die rij. “Wat maakt het uit?” “Nee zet de auto in deze rij.” Met een ongemakkelijk gevoel, rij ik de camper naar rechts wat uiteraard tot getoeter leidt. Met de autopapieren en zijn paspoort loopt drie auto’s voorbij naar het loket. Dan gebaart hij dat ik ook met mijn paspoort moet komen. Met een stempel erin kunnen we verder alleen staan er auto’s voor ons. Wil René start de auto en wil de voorgangers inhalen. Maar een politieagent maant hem te wachten. De Oekraïense auto voor ons hoort bij de auto achter ons. Daar blijkt een heel team van turnstertjes inzitten die zoals je al raad – allemaal hun paspoort moeten laten zien, laten stempelen. Al we dan eindelijk verder kunnen rijden worden we door de politieagent aangehouden – we moeten onze pasporten nog laten stempelen. Hebben we gedaan, legt Wil René uit. Hij moet uit de auto komen en alle deuren van de camper openen. Pas dan mag hij door. Van een Belgische automobilist horen we dat de grens bij Erdine zeker 4 uur wachttijd heeft. De vakantie van mensen met Turkse wortels is afgelopen en iedereen wil dit weekend naar huis. Na anderhalf uur zijn we door de Turkse grens. We rijden door een desinfecteertunnel, grenscontrole (in de camper kijken), paspoortcontrole, douane: rookt u? Nee. En klaar. Binnen 10 minuten staan we in Bulgarije.
We reden 2500 kilometer van de grens van Georgië naar de grens van Bulgarije. In elf dagen. Wat een eind. Wel een mooi eind 😉
Ondertussen zijn de meeste medereizigers wel terug in Nederland. Het lijkt een ongewoon zware reis te zijn geweest voor de campers. Camper 1 raakte oververhit en stopte er vervolgens mee in Georgië waar die nog altijd staat om gerepareerd te worden. Camper 2 begon in Turkije al met een haperend zonnepaneel, kreeg daar een kapotte deur bij en in Bulgarije begaf íe de geest. Hij

staat op een vrachtwagen terug naar huis. Camper 3 had ventilatieproblemen, versnellingsbakproblemen en op de terugweg hield de toevoer van de LPG er mee op. Camper 4 worstelde in het begin met luchtvering en kreeg een rood lampje in Roemenië, verstopt oliefilter constateerden ze zelf en met behulp van internet konden ze toch verder rijden. Camper 4 werd in een slootje in Georgië geparkeerd waar hij door de brandweer werd uitgetrokken, op de terugweg in Ankara 6 uur vertraging omdat de motor gereset moest worden. Camper 6 had een tikje van een graafmachine gekregen, hefboomwerking deed het niet meer, maar is in Turkije weer gerepareerd. Camper 7, de kleinste had slechts een kapotte hor die we zelf konden maken. En wij, camper 8, hadden een spijker in een band, een aanrijding met een meloen die uit de bak van tegenligger viel en onze grill raakte. Allemaal klein bier vergeleken met camper 1, 2 en 3.
Bijzondere beelden
Twee minaretten. Minaretten zijn de lange uitroeptorens van een moskee. Ze zijn eigenlijk altijd van wit steen. Ik zag er een die helemaal van hout is. En bij de tweede begon Wil René hard te lachen. De toren is gemaakt van aluminiumpijpen die ze in fabrieken gebruiken voor luchtafvoer.
Grappig is ook dat er geen levend persoon op al die torens staat die mensen oproept tot gebed. Het zijn megafoons waar een imam via een telefoon de oproep doet. Dat zingen klinkt metalig en je hoort de klik als de verbinding wordt verbroken.

Als ik door een stadje wandel zie ik kleden op een muurtje liggen. Als ik dichterbij ben, zie ik dat het een waterplaats is waar twee jongens op aanwijzingen van hun moeder de kleden schrobben.

Verbaasd ben ik als ik een motorrijder zie waar twee kinderen meerijden zonder helm! Zonder helm zie ik ze wel vaker rijden, vaak heeft de passagier er geen op maar zelf wel een helm en je kinderen niet, vind ik onbegrijpelijk.
Voetnoot
[1] Maker is Vezirköprü55, de facebook pagina van het district.




Opmerkingen