top of page

Terug naar Turkije

  • 9 aug
  • 16 minuten om te lezen

Vardzia, Hanak, Bayburt, Maçka, Pinarlar, Niksar  2- 9 augustus 2026

 

We kunnen nergens van Armenië naar Turkije de grens over. Turkije gooide de grens dicht vanwege de eis om erkenning van de genocide, en later weer vanwege de oorlog met de islamstaat Azerbeidzjan.

 

Dus rijden we van Gjumri naar de Georgische grens. In konvooi zodat we gezamenlijk de grens kunnen oversteken. Nog geen kilometer op weg of we moeten stapvoets rijden en zigzaggen om de diepe kuil te vermijden. De weg is opengebroken voor groot onderhoud. Riolering, asfalt wordt vervangen, dus hobbelen we 5 kilometer. Via de hoogvlakte op 2000 meter. We raken bedreven in

het grens ritueel. Dit keer is de controle van de campers grondiger. Iedere deur, ieder kast gaat open en zelfs met een zaklamp wordt er in gekeken. Waar ze naar zoeken, geen idee. De procedure verloopt vrij vlot en we mogen weer zelf onze route vervolgen. En meteen is het asfalt van erbarmelijke kwaliteit. Ogen op het asfalt. Nou de wegen in Armenië zijn echt beter dan in Georgië. Hoewel de reisorganisatie anders beweerde. Wil René schuift van links naar rechts over de weg om de ontbrekende stukken asfalt te omzeilen. Als we na een stadje de haarspeldbochten ingaan, zien we een zwaailicht achter ons. Politie en ambulance hebben hier altijd een blauw/rood zwaailicht aan. Alleen dit keer horen we een diep gekreun erbij. Ik denk dat we moeten stoppen - politie. Kentekenbewijs, paspoort, rijbewijs en of meneer even wil blazen. Ik vraag of ik een foto mag maken, wat niet mag. Jammer, hij weet ook niet dat hij net iemand heeft aangehouden die geen alcohol drinkt, nooit gedaan ook. De rest van het reisgezelschap drinkt wel maar niet zo vroeg.

 

Dan rijden we het mooie dal van de rivier de Koera in. Het fort Khertvisi bewaakt de kloof. Het kasteel mooi er uit maar ik voel met niet verleid om in de hitte de trappen op te lopen. Wij rijden

langs de rivier totdat het dal te smal wordt. Dan stijgen we en zie ik de rivier onder me in de kloof. Na de engte opent zich het dal en daar heb ik een prachtig uitzicht op de grottenstad van Vardzia. Ik besluit vooral van dat uitzicht te genieten. Met 30 graden ga ik niet naar boven. Het zweet loopt nu al over mijn rug. Ik ben niet de enige, iedereen besluit het bij het uitzicht te houden. Om vijf uur

verzamelen we en wandelen een klein stukje naar een hotel waar het afscheidsdiner is. Morgen reizen we alleen nog samen de grens over. Een diapresentatie frist het geheugen op. Regelmatig hoor ik – Oh ja. In die 50 dagen hebben we heel veel gezien. De wijn vloeit rijkelijk en het is gezellig.    

De volgende ochtend reizen we met een kleiner gezelschap naar de grens. De reisleiders blijven in Georgië. Hun kapotte camper blijkt onderdelen te hebben waar lastig aan te komen is. Herstel duurt nog een paar weken. Wederom rijden we weer in konvooi, dit keer naar de Georgisch-

Turkse grens. Dat gaat soepel totdat een van de campers onderweg wordt aangehouden voor, jawel, een blaastest. Gelukkig voor hem is de alcohol van gisteravond voldoende weggezakt. Wat verderop sluit iedereen weer aan.  De grens gaat redelijk soepel. Al is er veel efficiëntie te behalen, concludeert Wil René. De doos wijn die we voor een reisgenoot hebben meegenomen, is geen probleem. De regel is maximaal 6 liter wijn. En de mijne is bijna op. De reisgenoot zelf had nog wat meer doosjes wijn bij zich en moet 6 flessen inleveren.  Wil René heeft een vrolijkere grenscontrole bij Georgië. Ze vinden dat hij op Arjan Robben lijkt.


Net na de grens nemen we afscheid van iedereen. Ieder gaat in zijn tempo terug naar Nederland. De ene wil in een week thuis zijn, terwijl wij het rustig aan gaan doen. Jammer dat het voorbij is, fijn dat het voorbij. Beide is even waar. Zelf waren we nooit hierheen gereden, en de reisorganisatie heeft prachtige routes, mooie bezienswaardigheden en “super” overnachtingsplekken uitgezocht. Het woord super valt vaak bij de reisorganisatie. Het was een kleine groep, zodat ik iedereen wel een beetje ken en regelmatig een glaasje met de een of de ander heb gedronken. Een vrolijk, divers gezelschap.  Anderzijds blij dat we ons eigen plan weer kunnen trekken, eigen tempo, vaker een camping (én douche) opzoeken. Zelf mooie (en lelijke) plekken ontdekken.


De route vanaf de grens is prachtig met de hoogste pas die we tot nu toe gepasseerd hebben:

2550 meter. Kolossale bergen, weidse velden.  We zien onderweg nog een paar campers die waarschijnlijk stoppen voor koffie. Wij zoeken Ekmek (brood) en vinden dat bij een behoorlijke bakker. Het lukt me om een paar woorden Turks uit mijn geheugen te vissen en ik bestel iki ekmek (2 broden) en moet altemis (60 lira= 1,10) betalen. Ondertussen loopt een (oud)reisgenoot binnen voor ook een brood. Ik mag wel een foto maken van haar en de bakker.


Vlak erna vinden we een schaduwrijke pauzeplaats – een Turkse picknick plek in een bos - op 2000 meter hoogte. Natuurlijk zijn wij een attractie en voorzichtig wordt er gezwaaid. Een vrouw uit Istanbul, Zeynep, is hier met haar man Mehmet op bezoek bij hun ouders. Ze zijn 15 dagen

hier en moeten morgen weer terug – het werk roept. Ik word voorgesteld aan Kemal (haar vader) en Georg (zijn vader). Althans zo versta ik dat. Van de mannen mag ik wel een foto maken. Van de vrouwen niet. Dan sluit ik me op in de camper want ik wil eindelijk mijn blog afmaken. Door de hitte en het reizen is me dat niet eerder gelukt. Mehmet brengt me een warm brood en wij geven ze brood met hagelslag terug. Mehmet vraagt met Google vertaal, waar we vanavond slapen. Wij hebben inmiddels bedacht dat we dat hier gaan doen. Nou, dat vindt hij geen goed idee. Er komen hier wilde dieren en adviseert om in het dorp te komen slapen. Dat is veel veiliger. Ik wuif het weg. We redden ons wel. Als het donker wordt, loopt de picknickplek leeg en zijn we nog alleen. Ik merk dat de opmerking van Mehmet me bezighoudt. Ik zoek op waar in Turkije beren voorkomen. Precies, deze regio wordt als eerste genoemd. Allerlei scenario’s duiken op in mijn fantasie[1]. Ik sluit de deur en ook de zijramen. Het is aardedonker buiten. Alleen de bovenramen staan open tot ergernis van Wil René die het warm heeft. Er komt politie het terrein oprijden. Ze staan even stil maar rijden dan toch door. We hebben nu ook stilzwijgend toestemming van de autoriteiten om te kamperen. We horen nog twee auto’s voorbijrijden en een zware motor. En dan is het doodstil. Ik ben zo moe dat ik binnen 5 minuten in slaapval en wakker wordt omdat ik het koud heb! Dat is lang geleden. Het is afgekoeld tot 15 graden, alleen een laken is dus te koud. Van de wilde dieren heb ik niets gemerkt, voor niks me zorgen gemaakt. Die motorrijder blijkt hier zelfs in een tentje geslapen te hebben. Of hij wist niet dat hier beren voorkomen of hij is niet bang voor ze. Ik zie alleen een eekhoorn met een witte staart rondscharrelen en een buizerd op een tak landen.


Nog niet gewend dat de klok een uur vroeger staat, vertrekken we al om 8 uur al. We kiezen ervoor om niet langs de kust te reizen maar parallel door de hoogvlakte met behulp van de papieren kaart. Die hebben we gekregen van de reisorganisatie. Er zijn routes met groene stippen die mooi zouden zijn. Eerst dalen we van de groene hoogvlakte met zijn weidsheid naar 1500 meter. Die hoogte blijven we de hele dag zo ongeveer rijden. Die mooie route begint bij Göle.

Dennenbomen in een kloof, daarna gekleurde rotsen met smalle hoge populieren. We slaan af en volgen de rivier Çoruh stroomopwaarts en komen bij een stuwmeer. Dat stuwmeer staat zeker 10 meter te laag, gezien de witte rand. Er lijkt geen einde te komen aan het stuwmeer, het is letterlijk een gevuld dal. Een compleet verlaten dal met bergen waar nauwelijks iets op groeit. Op de kaart

was het gewoon een  rivier. Na 15 km en heel veel bochten zien we de dam. Aan de achterzijde zien we hoe kolossaal de wand is. En hoe klein de rivier. We volgen opnieuw de rivier.

Een paar bochten verder rijden we een tunnel in van 5 km.  Gloed-je-nieuw. Als we daar uitrijden, zijn we alweer bij een stuwmeer. Er volgt tweede tunnel, een derde. We rijden bijna 45 km door tunnels met korte stukjes daglicht. En al die tijd komen we nauwelijks een tegenligger tegen. Voor wie hebben ze die tunnels aangelegd? We pauzeren op het gravel aan de rand van het derde stuwmeer waar het 38 graden is. Wat een verschil met die 15 van vanochtend.

 

Mijn oog valt op een verderop gelegen museum voor moderne kunst gecombineerd met oude ambacht. Initiatiefnemer is een voormalige prof aan de kunstacademie in Istanbul die hier geboren is. Er staat een modern gebouw dat een museum, een conferentieoord, een restaurant en sinds dit jaar ook guesthouses. Met dit centrum wil hij zijn geboortestreek een boost geven. De route blijft op hoogte maar het landschap verandert weer. Het is er droger en golvender. De hoge bergen van Kaçkar hebben we achter ons gelaten. De rivier kronkelt nog altijd, net als de weg die we volgen. Die weg wordt wel steeds smaller maar er is weinig verkeer.  



Om bij het museum te komen dat op een berg aan de overkant van de rivier ligt, moeten we dwars door een gehucht. Het is dat er bordjes staan, anders waren we omgedraaid: tussen een huis en een schuur, dit is toch niet de weg…? 


Bij het museum worden in het Nederlands aangesproken door een Turkse Nederlander (nu tour guide in Trabzon) die met zijn ouders en vrouw rondloopt. Zijn moeder denkt diep na, en zegt dan “Ik heb 30 jaar geleden in den Haag gewoond.” Ze is trots dat ze de woorden nog herinnert. Haar andere zoon woont nog altijd in Den Haag en werkt op het consulaat. We krijgen een rondleiding van een Turkse jongen die in Polen psychologie heeft gestudeerd. Nu is hij in-between-jobs. Zijn baan waarin hij met Turkse jongeren in Polen werkte, heeft hij opgezegd. Dat was het niet. Om geld te verdienen werkt hij nu in de zomer hier. Het museum is deels een allegaartje van volkskunst[2], moderne kunst, gehaakte kleedjes, oude vazen, glazen mondkapjes. Niet echt een geheel maar wel een paar leuke stukken.


Bij navraag is alleen het guesthouse dat boven de vallei hangt beschikbaar - niet geschikt voor mensen met hoogtevrees. 110 euro per nacht vind ik te veel voor een plek in de middle of nowhere. We rijden nog 50 km naar Bayburt en het landschap verandert in een groener, vlakker landschap met landbouw en dorpjes.


In Bayburt is weer een picknickplek waar we als camperaar kunnen overnachten. Het is 7 uur ’s avonds als we een plekje naast het gras en bomen weten te bemachtigen. De zon is al achter de bergen gezakt. We eten buiten op onze campingstoelen terwijl de Bayburters picknicken aan picknickbanken of op een kleed. Hier zijn ze minder nieuwsgierig.

En dan ineens zijn er grote zwermen met kraaien die met veel gekras landen in de bomen. Voor degenen die Birds van Hitchcock hebben gezien, een benauwend tafereel. Hier blijven ze in de bomen. Alhoewel ik ’s morgens wakker wordt van zo’n kraai die op het dak rondscharrelt. De zwarte vogels hebben nu het gras en de picknickbanken in bezit genomen en foerageren in de prullenbakken en op de grond. De sproeiers zorgen voor drinken en wasgelegenheid. Na beter kijken zijn de zwarte vogels een verzameling van roeken (de grootste), bonte kraaien en kauwen (de kleinste). En net zo plotseling als ze gisteren kwamen, vertrekken ze vanochtend. Wel nadat ik schoten hoor.


Ik verheug me op het volgende rit richting Trabzon, volgens de kaart weer met groene punten (mooie route). Ik rij het eerste deel dat na gisteren wel aardig is maar niet bijzonder. Het tweede deel rijdt Wil René en heb ik mijn camera in mijn hand. Maar de waarschijnlijk ooit mooie route, is

vervangen door een weg met aaneengeschakelde tunnels. De langste tunnel is zelfs 15 km. Wel een goede want deze is wel voorzien van nooduitgangen, goed licht en ventilatie - volgens Wil René die bij Rijkswaterstaat een tijdje met tunnels te maken heeft gehad. Om de paar kilometer wordt de tunnel blauwverlicht wat ik wel mooi vind. Het enige mooie op deze route.


We slaan af om naar een camping te rijden en komen meteen in een file. Veroorzaakt door de geparkeerde auto’s van bezoekers aan de weekmarkt. De weg is wat smaller geworden dan normaal. Het leuke is dat je rustig naar de mensen langs de weg kunt kijken en kunt fotograferen. 

  

Eindbestemming is een camping, nou ja een plek waar ze een warme douche hebben. Als restaurant in 1994 begonnen en twee jaar later ook een camping, vertelt de zoon van de eigenaar. Die leeftijd is af te lezen aan de staat van het restaurant. De douche en wc zijn van latere datum, gelukkig. Als we de camper op een plek hebben staan waar geen takken de lak er af schuren en de schaduw redelijk is, pakken we de fiets naar de weekmarkt. 3 kilometer naar beneden. De markt waar in de file stond is klein met vooral kleding. Waarom er zoveel mensen op afkomen is me een raadsel. Het antwoord ligt een stukje verder terug in het dorp. In een zijweg van de doorgaande weg staan alle kramen, vol met groente, fruit, pannen ed. Ik proef een stuk Pestil. Langs de weg stonden overal reclameborden met het woord Pestil. In het Nederlands heet het fruitleer. Ik proef het ingedikt fruitsap met walnoten. Welk fruit – geen idee. De noten maken het wel lekker. Ik heb het eerder geproefd toen we in Kars waren en medereizigers kaas kochten waar dit bij zat en niemand wist wat het precies was. Pestil dus. 



Het is zomer en dan komen er op de camping vooral Turkse gasten. De rest van het jaar zijn het vooral Europeanen en Russen, vertelt de campingbaas. Het is zomer, dus bouwen - als het al donker is - twee gezinnen en een motorrijder hun tenten op. Voor één nacht. Wij blijven er twee want het waait er en de tweede dag is het bewolkt waardoor de temperatuur niet hoger komt dan 24 graden – heerlijk! Ik rommel wat, doe een wasje, schrijf een stukje en de dag is zo om.


We volgen de vallei naar Trabzon. Ik wil graag het graf en de moskee zien van Gülbahar Hatun, de moeder van Selim, de Osmaanse Sultan die in de acht jaar dat hij heerste het rijk 70% groter maakte. Het verhaal[3] dat ik las voor we op reis gingen was dat ze een bijzit was in de harem van de Sultan, geroofd uit Albanië. In de harem waren meerdere vrouwen die zonen baarden en dat waren geen broers maar concurrenten. De sterkste/slimste overwon en dat betekende in de praktijk broedermoord. Als moeder was ze verantwoordelijk voor de opvoeding van haar zoon, een kroonpretendent. Ze ging mee toen haar zoon gouverneur werd van Trabzon als onderdeel van zijn opvoeding. Hij was de vierde zoon. Zij zou al zijn strategisch, politiek inzicht nodig hebben om sultan te worden. Ze heeft niet meer meegemaakt dat die functie veroverde. Niet door te wachten op het overlijden van zijn vader maar door zijn vader af te zetten en zijn broers te vermoorden.    

De graftombe is sober en gesloten, ik kan alleen door het raam haar graf fotograferen. De moskee is door haar zoon gebouwd en heeft een mooi portaal. Het is vrijdag, 30 graden en het plein zit vol biddende mannen. Voor ik denk dat dat een mooi plaatje kan zijn, staan ze op en verspreiden zich. Ik doe mijn schoenen uit en vraag of ik binnen mag kijken. Natuurlijk. Zonder

hoofddoek stap ik in de grote ruimte waar nog een enkele man zit/staat te bidden. Ze lijken erg op elkaar die moskeeën. Bovendien ruikt het sterk naar zweetvoeten. Ik ben zo weer buiten. Terwijl ik mijn veters strik, heet een oudere man me welkom in deze zeer oude moskee. In 1514 opgeleverd.



We hebben de camper geparkeerd bij een hele grote, nieuwe moskee. 500 jaar later opgeleverd dan die van Gülbahar Hatun. Daar hoef ik niet zo nodig in. Achter deze joekel staat sinds dit jaar een schaalmodel van de El Aqsa moskee in Jerusalem. Opmerkelijk. Een stichting van broeders met gelijke waarde heeft het laten bouwen.

 

De fietsen gaan eraf en fietsen naar de Hagia Sofia – de tweede deze reis (de eerste was in Griekenland). Deze is kleiner, lichter en de voormalige Byzantijns christelijke kerk is nu ingericht als moskee. Het vloerkleed ligt nog opgerold zodat de mozaïekvloer te zien is. We hebben 20 minuten voordat het vrijdaggebed begint en het tapijt teruggerold wordt. De koepel is niet meer zichtbaar door een soort paraplu’s. Ik gok dat ze het gruis opvangen dat naar beneden komt. Een dame uit Kazachstaan bezweerd me dat ze (moslims) dat expres hebben gedaan zodat we de muurschilderingen in de koepel niet kunnen zien. Ze is een tot Christendom bekeerde moslim, legt ze uit. Nog snel kijken naar prachtig herstelde plafondschilderingen in de zijbeuk. Sultan Selim is trouwens ook degene die de Islam in dit gebied heeft hier ingevoerd. Uit de doos bij de ingang heb ik een oranje sjaal gevist. Staat me best goed. Maar blij dat ik ‘m weer af mag doen en de wind in mijn nek voel.



We rijden nog door het centrum waar oude wijken zijn gesloopt en de oude stadsmuren deels zichtbaar worden waar de Ottomaanse huizen bovenuit steken. We fietsen zoveel mogelijk in rustige straten – soms tegen het verkeer in maar dat lijkt iedereen normaal te vinden, inclusief politie. Bijna gaat het mis als een auto Wil René over het hoofd ziet en rechts af wil slaan. Gelukkig stopt hij op tijd maar mijn hart zit wel in mijn keel.

 

Het centrum is verder niet zo boeiend dus besluiten we verder te rijden langs de zwarte zee. De plek waar veel Turken nu vakantie houden. Ik zie tenten en caravans staan net achter de vangrail, uitkijkend over zee. We zien veel zwart stenen aan de kust, zou de Zwarte zee daar haar naam aan te danken hebben?    


Het is inmiddels bewolkt en het regent soms een beetje. De temperatuur zakt al iets. Op zoek naar een koelere overnachtingsplek slaan we na 2 uur weer een dal in en rijden de bergen in. Er

zijn daar watervallen en dat betekent parkeerplaatsen waar we waarschijnlijk wel kunnen overnachten. Bij de eerste wandelen we naar de waterval die uiteraard tegen betaling van dichterbij te zien is. Bij de volgende waterval zie we politie nummerborden fotograferen van auto’s die langs de kant staat, ondanks stopverbod. De parkeerplaats staat vol. De derde parkeerplaats is bij een Travertijn-waterval. Vanaf

een grote, vrijwel lege parkeerplaats zie ik de rijen bezoekers boven me de trap afdalen. De parkeerplaats boven is vol, we overnachten hier en dan gaan we morgenvroeg wel als er nog weinig bezoekers zijn. Een busje uit Macedonië komt vragen of we hier gaan overnachten. Ja. Oh, dan blijft hij hier ook staan. Later komt er nog een Turks busje bij. 

De volgende ochtend rijden we naar boven, betalen 2 euro en trekken onze slippers uit. Alleen op blote voeten mag je het witte travertijn betreden. Een beetje aarzelend zet ik mijn voeten op de glimmende stenen trap. Koud is het water, maar de trap is niet glad. Ik wandel naar beneden nog altijd bedacht op uitglijden. Beneden zijn bekkens uitgehakt waarin het water lichtblauw water kleurt. We hebben mazzel, de zon schijnt. Wil René probeert me nog in een diep bekken te laten stappen voor een “foto” maar de eerste trede is al zo diep dat ik mijn korte broek snel nog hoger trek. Ik loop over een rand terwijl Wil René stiekem filmt in de hoop dat ik omkukel. Hij heeft pech. Er zijn genoeg fotomomenten. Om mij heen zijn gezinnen elkaar ook aan het fotograferen. We nemen de trappen zonder reling naar boven en moeten via een paar bekkens terug naar de ingang. Nu zie ik Wil René zijn korte broek omhoogtrekken. Het is pas half negen en voel ik de warmte van de zon, die mijn koude voeten compenseert. Vanmiddag gaan er beslist mensen vrijwillig een nat pak halen.


We rijden verder landinwaarts en zodra we een mooie schaduwplek zien stoppen we voor een kop koffie. Even later stopt er zo’n oude rode vrachtwagen, vlak achter ons. Nieuwsgierig als ik ben ga ik toch even kijken. Er stapt net een vrouw uit met een knapzak over haar schouder. Ik groet Merhaba en zij rebbelt in het Turks tegen me. Ook als ik in het Turks vertel dat ik de taal slecht ken, rebbelt ze gewoon door alsof ik het dan wel ga begrijpen. Ze loopt direct door naar de andere kant van de weg en verdwijnt tussen de struiken de toch wel steile helling omhoog. Ze lijkt net een kaboutervrouwtje. De zoon spreekt een paar woorden Engels. Maar net onvoldoende om mijn vragen te beantwoorden. Wil René helpt met Google Vertaal. Ze zijn onderweg naar hun weiland om gras voor de koeien te maaien. Die staan bij hun huis een eind verderop. Boven bezitten ze niet alleen grasland maar ook hazelnootstruiken. Vandaag gaan ze die ook plukken voor de markt[4]. En terwijl moeder de vrouw al lang en breed boven is maken nu vader en zoon ook aanstalten. Hij met een grasmaaier en rugzak, pa met zijn jasje die hij net heeft aangetrokken.


De vallei is groen met steile wanden en veel naaldbomen. We stijgen weer tot 1850 meter, zien nog een restje sneeuw en rijden dan via een 5 km lange tunnel naar de Zuidkant. Die is meteen droger en lelijker. Het landschap is door de Turkse weg en waterbouwministerie aangepakt. De weg is verbreed en bovenin wordt de vallei klaar gemaakt voor een stuw. Deze vallei eindigt in een breed dal dat naar het westen loopt. Daar zien we een groot stuwmeer met daarin viskweek. Van die grote cirkels. Als pauzeplek kiezen we een haven waar je verse vis kunt kopen. Sterker nog je kunt met een schepnet je verse zalm of forel uit een kweekbak in het meer halen. Verser krijg je het niet. Ze springen nog in de emmer. Nou lust ik best vis maar om zelf de vis de kop af te snijden en de ingewanden eruit te halen. Nou nee. Ik eet vanavond Haloumi.   


Aan het einde van het stuwmeer zien we een aftakking van het rivierwater in een kanaal verdwijnen. Dat kanaal daalt net als wij. En hoewel wij dit keer geen tunnels hebben, zien we het kanaal af en toe verdwijnen in de rots om even verder weer tevoorschijn te komen. Het passeert zo bergen, wegen en dorpen. Voor de volgende stuw wordt het water via een energiecentrale weer in de rivier gestort. Bij de iedere dam zien we dan opnieuw een aftakking in een betonnen kanaal gaan, parallel aan de weg of hoger. Weinig verval. Het lijkt een soort open waterleiding.

Het is een sport om onderweg de leiding te volgen in een verder saai landschap en met de zon op de voorruit is het ook een manier om wakker te blijven. We zijn gedaald tot 350 meter. Vlak voor onze afslag bij Niksar zien we ‘m niet meer. Maar liefst 100 km kanaal reken ik later uit. We steken de rivier Kelkit over en doen boodschappen met 36 graden. Gelukkig ligt de camping op 1000 meter. Het is een resort met camping, huisjes en picknickplekken. Op het campingdeel staan alleen Turkse kampeerders. We staan nog niet of de buren hebben ons uitgenodigd voor thee en krijgen we aanwijzingen van de andere buurman over zon en windrichting.


We zijn ongeveer halverwege Turkije ook al hebben we alweer 1200 km gereden. Ik ben benieuwd hoe het noordwestelijke deel er uit zal zien.  

 

Bijzondere en gekke dingen:


Een afgedankte treinwagon als brug over de rivier. In Maçka zagen we er drie. Slim hergebruik.


 

 

Voetnoten

[1] Bijvoorbeeld dat van de Grizzly-man, docu van Werner Herzog uit 2005. https://www.cinema.nl/db/1924122-grizzly-man

[2] Het tapijt (Gabbeh) toont het mythologische wezen şahmaran voor. Figuur uit de anatolische folklore. Benieuwd naar het verhaal? Kijk dan https://youtu.be/yUn4JsQ-1_U?si=dPX64h-nnZAuvhw1

[3] Gods schaduw: hoe sultan Selim I de loop van de geschiedenis bepaalde. Alain Mikhail 2020

[4] Turkije is ’s werelds grootste hazelnoot producent – 70 tot 80% komt uit Zwarte Zee Oostelijke kustregio . Langs de weg, bij de benzinepomp overal kun je zakjes tot balen (ongepelde) hazelnoten kopen. https://nl.atlasbig.com/landen-op-basis-van-de-hazelnootproductie

 
 
 

Opmerkingen


© 2026 Hellie van Hout

bottom of page