top of page

Georgië: koeien, prins en Kaukasus

  • 13 jul
  • 14 minuten om te lezen

Batumi, Zugdidi, Mestia, Ushguli, Martvili 7 juli -13 juli 2026


De grens. Kilometers van tevoren staan er vrachtwagens langs de weg geparkeerd. De oorlog met Oekraïne maakt deze grens cruciaal voor transport naar de Kaukasus en Rusland en daar

zijn ze niet op berekend. De grens is heel chaotisch. Hoewel wij als reisgezelschap de laatste 3 kilometer keurig in kolonne rijden worden we bij de eerste slagboom al uit elkaar getrokken. De eerste 3 worden doorgestuurd, wij en nog een andere moeten rechts wachten en de andere twee worden aangehouden, de bijrijder moet uitstappen. Een snelle inspectie op andere passagiers en de camper mag doorrijden. Even denken we dat de Turkse beambte ons is vergeten maar na 10 Turkse personenauto’s trekt hij onze zijdeur open en stapt naar binnen. Hij wijst naar mij: eruit en kijkt ondertussen rond. Ik pak mijn tas met paspoort en voeg me bij de andere reisgenoten die uit hun camper zijn gestuurd. Wij moeten te voet de grens passeren. Het lijkt op een vliegveld terminal. Al doen geen van de transportbanden het en zijn de gangen en traphuizen kaal. Ergens zie ik mensen aan een tafel een formulier invullen. Uiteraard in Turks en Georgisch. Ik vraag iemand en die legt uit wat ik moet invullen: naam, voornaam, geboortedatum, identiteitsbewijsnummer, man/vrouw en dag van binnenkomst en vertrek. Ik zie op haar briefje dezelfde datum bij binnenkomst als vertrek. Voordat ik ernaar kan vragen, is ze al doorgelopen. Bij de douane geef ik mijn paspoort en briefje aan de ambtenaar. Die kijkt naar het briefje verfrommelt het en gooit het in de prullenbak. Het formulier was alleen voor Turkse inwoners. Bij de Georgische douane staan we een tijd in de rij. Daar vertelt een Turkse gids dat hij een groep toeristen begeleidt die een dag naar Batumi gaan. Vanavond om 8 uur gaan ze weer teug.

Nou begrijp ik die data op het formulier van de vrouw. Een dagjesgast.

Als voetgangers zijn we sneller door de grenzen dan de campers. We kopen hier gelijk een prepaid telefoonkaart en wisselen euro’s in Lari’s (Grappig in Turkije zijn het Lira’s = de klinkers zijn omgekeerd). In 1,5 uur zijn we de grens gepasseerd. Niet slecht.


Aanvankelijk zouden we in Batumi overnachten. Alleen is de grote parkeerplaats een bouwput geworden. De nieuwe plek ligt 15 km noordelijk van de stad. Wij gaan eerst maar boodschappen doen en daarvoor moeten we de stad in. Met de hoop dat we daar de camper wel even kunnen laten staan en de stad verkennen. Via google maps heb ik een supermarkt gevonden met parkeerplaats. Man wat is het druk in die stad en het is dinsdagmiddag. De parkeerplaats van de supermarkt staat vol. Toch rijden we erop en zien in een hoek een gaatje waar de camper in past. Als we terugkomen staan er leverancierwagens voor. Het is een te hectische plek om de camper

onbeheerd achter te laten. We rijden het drukke verkeer in. Beetje hetzelfde rijgedrag als in Turkije behalve dat de meeste auto’s wel stoppen voor zebrapaden. We zien dat op alle wegen auto’s geparkeerd staan. Een plek vinden voor een camper zal niet meevallen. We proberen een parkeerplaats bij de haven die door andere camperaars als optie is gegeven in een app. We kruipen door het drukke verkeer. Als we daar aankomen, zwaait een man met een hesje dat we daar heen moeten. We parkeren naast een touringcar. We mogen 1 nacht staan voor omgerekend 50 euro, als we dreigen te vertrekken wordt minder en uiteindelijk zou het voor 20 euro mogen. Maar het is er zo druk en lawaaierig en na de hectiek van de grensovergang ga ik liever buiten de stad slapen.


Vlak bij de overnachtingsplek is een grote botanische tuin. Dat is een stuk beter dan een stad. We wandelen in gezelschap van twee medereizigers door de zeker 100 jaar oude tuin. Tuin klinkt wel een beetje klein voor een 100ha groot terrein. Ooit aangelegd door een Rus toen Georgië onderdeel was van het Tsarenrijk. We wandelen door het deel Noord-Amerika, Japan, Himalaya. Er zitten flinke hoogteverschillen in en met de vochtige warmte lijkt het of we een subtropisch klimaat zitten.

Mijn blouse plakt aan mijn rug.  We kijken naar medewerkers die bomen in vormen knippen en naar bezoekers die met de zip-lijn hun wandeling een stuk korter maken. Ik heb gezien dat er golfkarretjes rondrijden. Daarmee durf ik naar de andere ingang te wandelen die zo’n 2,5 km is. De tuin is net als het uitzicht op de zwarte zee en de stad prachtig. Het golfkarretje is een verademing voor mijn lijf en door de snelheid vang ik ook wat wind.


De campers staan dicht op elkaar bij een picknickplek. Als vanzelf schuiven we in een

picknickbank met een glas. Er komen kaasjes, noten, brood en tomaatjes op tafel. Wil René besluit toch te gaan koken. Na een maand zonder varkensvlees heeft hij zich zo verheugd op een zelfgemaakte schnitzel dat hij dat niet wil uitstellen. Ik mag blijven zitten, en krijg een bord met bietensalade, frietjes en een schnitzel geserveerd – tot jaloezie van de andere reizigers. Die nog wel een blik knakworsten warm maken. Iemand heeft een boxje bij zich en om beurten spelen we een lievelingsnummer af. De wijn vloeit rijkelijk en de muziek verandert in meezingers en dansnummers. Voor reizigers die niet van groepsreizen houden, zijn we vanavond toch een groep. Absoluut niet vervelend. Uitgeput val ik in snel in slaap.   


Ik regel via Bolt-app een taxi naar de stad. Voor 5 euro staan we 25 minuten later in het centrum van de stad. Het is een stad van contrasten. Supermoderne hotels en armoedige flats. Gokpaleizen met klatergoud en armoedige winkeltjes. Sinds 2003 is in deze stad enorm ingezet

op toerisme vandaar die supernieuwe gebouwen, een brede boulevard langs het kiezelstrand waar wij toch badgasten zien ondanks het gebrek aan zon. Wij dwalen rond. Op zoek naar koffie, lopen we een klein koffiehuis binnen die niet had misstaan in de Utrechtse binnenstad. Beetje

alternatief. De deurpost, hond, telefoontoestel en planten zijn op de muur getekend en de muziek is wat zweverig. De rijst van mijn Pokebowl is vers gekookt (en nog een beetje warm). We dwalen verder terwijl de warmte toeneemt ondanks de weinige zon. Het wordt broeierig. We zien diverse Thaise massagesalons. Die hebben misschien we een douche. Dat lijkt ons een heerlijke combi aangezien de overnachtingsplek geen douche heeft. Die combinatie blijkt niet vanzelfsprekend. De rest van de middag lopen we bij iedere massagesalon naar binnen maar nee, geen douche. Rond 4 uur als ik de stad zat ben en terug naar de camper wil, zien we weer een massagesalon. Met weinig hoop stappen we binnen. Ja! Een douche en tijd om ons beide nu te masseren. Daar knap ik van op en een hapje eten in de stad lijkt me toch wel leuk.


Ik heb een restaurantje met terras gevonden waar ik een Georgisch proeverij kies en Wil René gewoon kip met friet kan eten. Ik moet meteen denken aan Krakau waar ik een Poolse mix van gevulde deegkussentjes (Pierogi) voorgeschoteld kreeg. En die vond ik niet lekker. Met een lage verwachting begin ik aan mijn schoteltjes. Het is echt lekker. Lobio (bonenschotel), Jonjoli (ingelegde bloemknoppen) Ajapsandali (aubergine stoofpotje), salade en Tone (een soort flatbread). En uiteraard een glas Georgische wijn erbij. Een beetje rozig stap ik in de taxi.


Na de grote stad (Batumi heeft 235.000 inwoners) rijden we de komende dagen door het platteland en bergen. Eerst maar eens eten inslaan bij de supermarkt in het eerste dorp die volgens Chat-GPT een behoorlijk assortiment heeft. Nou dat valt tegen. Nauwelijks groenten, geen vlees (zelfs geen diepvries), geen vers brood. Aan de overkant zie ik groenten en fruit en reken ik af in een klein kruideniertje. Daar staat ook een kastje met brood. Ik vraag of er ook een slager is? Nee. “Nou dat wordt dan vegetarisch de komende dagen”, grinnik ik. “Nou, we kijken wel onderweg of we een slager zien,” antwoordt Wil René.” Nou die kleine dorpen die we passeren hebben ook geen slager. Dan ontdekt Wil René in een stadje een grote Carrefour. En ja die heeft een slager.


Koe op de weg. Niet één maar een paar. Niet één keer maar tientallen keren. Ze grazen langs de weg, staan een beetje te herkauwen, steken over als het gras aan de overkant groener is. Auto’s rijden eromheen. De koeien schrikken niet. Ik zie een vrachtwagen zelfs een koe een zetje geven zodat hij er door kan. Er staan geen herders bij zoals we in Turkije zagen. Heel Georgië is losloopgebied voor koeien, varkens en honden. De consequentie is dat ieder huis een hek om zijn tuin heeft want anders is het er snel kaal. En we ontdekken dat koeien een voorkeur hebben om op de brug te herkauwen. Meer wind, minder vliegen.


Turkije vond ik al groen maar Georgië is nog veel groener. Af en toe lijkt het wel Nederland: vlakke weg, bomen langs de kant. De bomen blijven alleen komen er bergen bij.


Jippie! Ik heb eindelijk een film/fotocamera gekocht. In heel Turkije was deze camera (nog) niet

leverbaar, alleen de oude versie en bovendien schrikbarend duur (door de belastingen). En in een winkelcentrum waar ook die Carrefour zit, zien we een grote telefoonwinkel. En die heeft een DJI pocket 4, het nichtje van Wil René zijn drone. Tot nu toe kan hij vaak niet vliegen (UNESCO label, te dicht bij de grens, etc. etc. Bovendien was Wil René mijn gemopper over het filmen met mijn mobiel ook wel zat. Nu leren filmen of beter gezegd de mini joystick leren besturen. Bij de eerste pogingen vliegt camerakop van links naar rechts. Nee ik heb nog niet het fingerspitze gefühl. Het paleis dat we bezoeken is een prima oefenobject. Zeker omdat ik het interieur niet zo boeiend vindt.


Nee je vindt geen filmpje van het Dadiani paleis. Als onderwerp is het wel boeiend want we ontmoeten deze avond de nakomelingen van Dadiani én van Napoleon (althans van diens zus): prins Alain Murat en zijn vrouw prinses Veronika (77).[1] Prins Alain is een 83-jarige Fransman die

sinds 20 jaar de Georgische familiebezittingen probeert terug te krijgen die door de communisten in 1917. De grond met daarop enkele panden, hebben ze zwaar verwaarloosd verkregen en met hulp van hun kinderen, weer bewoonbaar gemaakt. Min of meer in prinselijke stijl, en duidelijk een voorbeeld van

verarmde adel. En wij ervaren hoe zij hun afkomst omzetten in inkomsten. We kamperen op hun terrein – met jawel een hete douche. We worden ontvangen in de salon voor een aperitief waarbij de oude prins een onsamenhangend verhaal vertelt over zijn voorvaderen, over zijn landing in Georgië. Totdat zijn kordate vrouw daar een einde aan maakt en ons uitnodigt aan tafel voor het diner. Met rollende ogen laat ze ons weten dat het verhaal niet beter gaat worden en laat haar nasputterende echtgenoot achter in de salon. Het voorgerecht wordt geserveerd. Gevulde eieren met munt en koriander op een schelp,

gevolgd door een rolletje gehakt in deeg op aardappelpuree, daarna een salade van tomaat, komkommer en koriander en tot slot ijs als dessert. Halverwege het diner komt een beroemde gast binnen. Een in Georgië beroemde zanger/muzikant die ook in Europa heeft opgetreden: Beso Chitanava. Hij speelt oude Georgische liederen en begeleidt zichzelf op een chomguri en later op de piano. De prinses zingt af en toe de tweede stem mee en vertelt als gastvrouw tussendoor korte verhalen over verschillende onderwerpen. We hebben een filmpje van het zingen gemaakt. Na het diner wordt er koffie geserveerd in de salon waar we verder luisteren naar de prachtige stem van de zanger. Om 9 uur worden we allervriendelijkst de deur gewezen. Het was een bijzondere, wonderlijke en zeker vermakelijke avond. Prinses of niet maar de volgende dag moet gewoon het wc-papier aangevuld worden en de kippen, ganzen en eenden gevoerd worden.


Dan rijden we de bergen in: de Kaukasus. We volgen de hele dag de rivier Enguri, dat in het begin een stuwmeer is. Na een paar kilometer ligt dat stuwmeer vol met houten planken en boomstammen. Stroomopwaarts zien we houtzagerijen. De rivier wordt smaller en het stroomt harder. Langs de weg staan honderden bijenkasten. Bewaakt door vogelverschrikkers (misschien om vogels weg te houden die bijen lusten zoals de bijeneter). Als we pauze houden bij een café hoor ik pas hoeveel lawaai die rivier maakt. Je zult er maar eens naast wonen. Het water beukt met een razend geweld op de rotsen.


Wil René moet zijn ogen op het asfalt houden vanwege de gaten. Het asfalt wordt hier blijkbaar regelmatig weggespoeld of weggeschoven. Een lintje om de ontbrekende rand is als

waarschuwing voldoende – blijkbaar. Hele stukken zijn onverhard. Ondertussen wordt er aan de weg gewerkt of beter aan de ondertunneling voor de stromen die uit de bergen komen. En dat zijn er veel. Daarnaast is het uitkijken voor loslopende koeien, varkens en honden. Ook al kijkt hij vaak in de zijspiegels, regelmatig wordt hij verrast door de hardrijdende 4 wheeldrives die ons zelfs in de bocht voorbij scheuren. Ik geniet van het uitzicht en oefen vooral met mijn nieuwe film-fotoapparaat. Als ik ‘s avonds de filmpjes download heb ik 1,5 uur aan film (waarvan veel meteen weg kan). We zijn ’s morgens om half negen vertrokken en komen eind van de middag aan op de overnachtingsplek. En dan hebben we 123 kilometer gereden en 1000 meter gestegen…. En hoewel we rustig gereden hebben, is het brandstof verbruik 1 op 7,5 (normaal 1 op 10).


Was de temperatuur de afgelopen dagen rond de 25 en 27 graden, is die hier in de bergen hetzelfde. Dat had ik niet verwacht. Gelukkig koelt het ’s nachts af tot 15. Met hier bedoel ik het dorp Mestia. Ik herken meteen de sfeer van de bergdorpen uit de alpen. Hoge kroegdichtheid, veel backpackers, jonge gasten die hun mail checken op het wifi terras. Reclame voor skiën, verhuur van mountainbikes en paarden. Ik had hier ook wel rafting verwacht maar waarschijnlijk alleen voor de echte diehards.


Eenmaal op het wildcamp blijkt er van alles aan de hand. De hor van de camper die we de laatste keer gemaakt hebben is kapot (het andere touwtje is geknapt). Een andere campers zit vast in een greppel vlak bij het dorp, van een ander stel is de hond gebeten door een andere hond en is niet in orde, de camper van de reisleiding is kapot, zij zijn langzaam teruggereden naar de stad waar we vanochtend vertrokken zijn op zoek naar een garage. Hoeveel pech past er in één dag?


De hor is inmiddels gemaakt, de camper is uit de greppel getrokken en heeft verder geen schade. De hond is nagekeken door een dierenarts in het dorp, die net vandaag met zijn praktijk is begonnen en de hond zeer kundig heeft geopereerd en dag later scharrelt ze weer voorzichtig rond. Zover het goede nieuws. Helaas is de camper van de reisleiding zo stuk dat die niet in Georgië te repareren is en wordt afgesleept naar Turkije… En geluk bij een ongeluk: de reisorganisatie die meerijdt om nieuwe, mooie plekken te vinden, wordt onze nieuwe reisleider.


Wij gaan nu toch maar de band laten plakken. Ik zit niet te wachten op een klapband in de bergen

– ook al is de kans klein. In dit dorp zit een bandenservice wat gezien de wegen hier best een lucratieve handel moet zijn. Terwijl een deel van de groep wandelen naar een gletsjer, rijden we het dal in. Daar blijkt de schroef een schroefje te zijn. Helaas blijkt de machine ongeschikt te zijn om onze band van de velg te krijgen. De monteur probeert het verschillende keren maar de velg is te hoog. Hij doet er een plug in. Die reparatieset hebben we ook bij ons maar als ik zie met hoeveel kracht hij die plug in de band ramt, dat hadden wij nooit voor elkaar gekregen. Ik betaal graag de tien euro die hij vraagt.


We rijden terug via een klein maar mooi museum over de Svaneti. De Svan zijn een bergvolk dat

al eeuwen in deze regio woont. Het museum toont mooie voorwerpen waarvan vele het christendom raken. Ondanks de Osmanen die Georgiërs dwongen tot de islam en later de communisten die geloof verboden is de bevolking overwegend orthodoxchristelijk (80-85%). Dat zijn dan zo’n drie miljoen mensen. Al sinds de 4e eeuw. Bonifatius die in Nederland mensen tot het christelijke geloof probeerde te bekeren, deed dat pas in de 7e eeuw.  De voorwerpen in het museum vertellen me weinig over dit volk dat volgens de romeinen al vechters waren. Deze foto vond met in de stoel een professor die in de 19e eeuw onderzoek doet, gaf nog enigszins een beeld. Al weet ik niet of het representatief is.


Van Mestia steken we een bergrug over en volgen we opnieuw de rivier de Enguri, verder

stroomopwaarts. Doel is een van ’s werelds hoogstgelegen dorpen. Om daar te komen steken we een paar keer een rivier over zonder brug en worden we verrast door 500 meter onverhard weg. Die is waarschijnlijk weggeschoven door stukken berg. Een spannende 500 meter met een tijdelijk houten brug, veel kuilen, tegenliggers. Ik film net als gisteren en Wil René maakt er een filmpje van – zo rijd je een stukje met ons mee door de Kaukasus.


Het dorp Ushguli ligt op 2200 meter. Niet de hoogte maar zijn torens trekken veel toeristen.

Zoveel dat ieder huisje wel een museum of café is. Wandelend door het dorp met de torens waan ik me in de middeleeuwen. Smalle, halfverharde, modderige, hellende paden, vol met koeien/paarden-stront, huizen zijn van gestapelde stenen. Alleen de metalen platen zijn niet middeleeuws. Net als de enkele auto’s die er geparkeerd staan. Dat zijn goede middenklassers. Het toerisme brengt hier geld in het laadje. De torens zijn door de Svans gebouwd voor verdediging bij indringers van buiten. De ingang zit op de 2e etage. Ze gebruiken een ladder die ze naar binnen halen zodat de toegang onbereikbaar is. En daarmee was de toren ook een bewaarplaats voor kostbaarheden. Met vuren hielden ze bij dreiging contact met de andere torens in de regio. Niet alleen voor indringers van buiten maar ook bij ruzie met andere clans waren deze torens een veilige haven. [2]In het verleden was bloedwraak een “traditie” bij de Svan. Deze dodelijke vete tussen families hield vele generaties stand. In een van die gestapelde stenen-huis- met-toren draait er een film, zesmaal per dag, genaamd Dede[3]. Ik zag de filmposter ook in Mestia. Bloedwraak en bruidkidnapping zijn het onderwerp.  


Zeker 6 maanden is het dorp bedekt met sneeuw en nauwelijks bereikbaar, desondanks wonen er het hele jaar mensen. Ik moet er niet aan denken.


Het dorp is te klein en te vol om er te overnachten. Daarvoor rijden we weer een prachtige weg. We zien de sneeuw onder en naast ons. De Zagaro pas over op 2600 meter met minder uitzicht dan gehoopt. De wolken hangen laag. Overnachten doen we 400 meter lager langs de weg met uitzicht op een enorm gebergte en een gletsjer.  Van beide is weinig te zien door laag hangende bewolking.  De volgende ochtend is het helder en de zon schijnt. Het uitzicht is adembenemend. Die berg rechtsachter is zo’n 4500 meter hoog! En daarachter ligt Rusland.      


Hier ontspringt een rivier die samenvoegt met de Tskhenistskali. En deze rivier volgen we de hele dag tot Martvili. We dalen stevig vanaf 2200 meter naar 1900 als we ineens een rood alarm van de motor krijgen. We moeten ‘m laten controleren, staat er op het display. We zetten de motor uit. Geen bereik hier. Dus een Fiatgarage kan ik niet opzoeken. Als we opnieuw starten, is het rood vervangen door oranje. Nog steeds moeten we ‘m laten controleren maar het acute probleem lijkt verdwenen. Helemaal ontspannen rijden we niet. Wat jammer is want het is weer een prachtige route. De weg is ook ditmaal een uitdaging. Om de paar kilometer staat er een bordje Landslide area. Hier zijn de betonplaten verdwenen en de weg bestaat uit zand, stenen en gaten. Na de lunch is ineens ook het oranje alarm verdwenen. Vrolijk rijden we verder, nog steeds dalend tot 200 meter waarbij we het laatste stuk zelfs uitstekend asfalt hebben.

We maken een film van het rijden door de Kaukasus van de afgelopen dagen.


Dalen betekent jammer genoeg ook dat dat de temperatuur stijgt en het weer klef is. We hebben de douche omgebouwd tot kastruimte. Met zo weinig campings moeten we creatief zijn. We hopen er een te vinden bij een plek waar ze raften. Maar helaas geen douche. Dus gebruiken we een sproeier die aan de buitenkant van de camper zit en wassen ons met koud water. Gelukkig is het warm buiten….    


Onderweg zag ik grafstenen – althans dat denk ik - met grote foto’s er op. Een hek eromheen, een dak erboven. Ik moest denken aan de picknickhuisjes die ik Turkije zag.  Als ik weer een aantal van die huisjes naast de weg zie, ga ik dichterbij kijken. De eerste omheinde plek heeft geen dakje. Wel een grafsteen met een grote foto van een jongen (24) met naast hem een fles cola, halfvol en een vol geschonken glas. Naast hem een staat grafsteen met een oude dame

(oma? 88). Op een stenentafel naast haar staat een fles wijn en een bord. Ik loop een ander trapje op en zie drie graven onder een golfplaten-dak. Ook hier staan flessen wijn op tafeltjes naast de graven. Hier staat zelfs een tafel met kleed en een bankje. Na wat zoeken op internet, vind ik uitleg. Dat van picknick blijkt te kloppen. Bij ons is er een koffietafel, daar zijn er maaltijden bij het graf. En eens per jaar is hier ook een soort dodendag (paasmaandag) waarbij Georgiërs overleden familieleden eten en drinken met de doden. Ik vind een oude BBC docu van deze feestdag op een “normale” begraafplaats in Tbilisi. [4]      

    

Andere bijzondere, rare fotomomenten:

  Gele buizen lopen in een aantal dorpen langs de weg, net als de elektriciteitsdraden, boven de grond. Het zijn waterleidingen en ieder huis heeft een eigen aftakking én een meter. 

  


Werken aan de weg, je zet een pion neer op de snelweg en gaat aan de slag! De grootste schrik kreeg ik in een onverlichte tunnel waar drie mannen rechts op weg staan!

 

De loslopende honden hebben hier vaak een oormerk en zijn ook niet mager. Hoewel ze van niemand zijn worden ze waarschijnlijk wel gevoerd.  Ik zie zelfs een paar keer een hondenhok, midden in de bergen (dat rode huisje op deze foto). 


Voetnoten

[1] Een interview met Veronik over hun komst naar Georgië, de eigendom claims en relaties met Europese vorstendommen, kun je lezen op: https://frontnews.ge/en/news/princess-murat-first-came-to-kyiv De vertaling is krom maar het is wel grappig

 
 
 

Opmerkingen


© 2026 Hellie van Hout

bottom of page