Eindelijk Alhambra
- 6 mrt
- 9 minuten om te lezen
Playa Granada, Motril, Granada 24 februari – 6 maart 2026
Het Alhambra is de plek waar ik al heel lang heen wil. De afgelopen jaren was het klimaat spelbreker (of veel te heet, of veel te koud) en je moet vooraf kaartjes kopen. Minimaal twee weken van tevoren, eerder is het uitverkocht. Op woensdag 4 maart is er pas plek. Volgens de weersvoorspelling is het die week redelijk, voor zover je zo lang van te voren het weer kunt voorspellen. Dus boeken we al op 19 februari twee kaartjes Alhambra. Het Alhambra ligt in Granada wat weer naast de Sierra Nevada ligt – hoge bergen dus. Na twee weken bergen is Wil René wel weer toe aan strand en zee. We rijden we naar Motril. Althans zo heet de stad in de buurt. De camping ligt in Playa Granada – het strand van Granada. Daarvoor rijden we wel 4 uur naar de Zuidkust. We passeren daarbij de enorme Mar de plástico – de plastic zee. Door de weerkaatsing van de zon op al dat wit, is het vanuit de ruimte te zien [1]. Beter dan de Chinese

muur. Al dat wit plastic zijn kassen waaronder groentes als tomaten schuilgaan. De Vlaamse schrijver Stefan Brijs[2] vertelt dat er tot zijn ongeloof, een natuurpark in het hart van die plastic zee ligt. Als fanatiek vogelaar gaat hij toch kijken. Hij vindt er tot zijn verbazing diverse vogels die hij hier totaal niet verwacht had. Vanaf de snelweg zie ik de meren liggen en ik begrijp zijn ongeloof.

We rijden kilometers tussen de kassen. Kassen langs de zee, kassen op de hellingen. Sommigen liggen zo schuin en hoog maar het loont blijkbaar. Een auto van Koppert haalt ons in. Koppert, van Koppert Cress? Ik ontmoette directeur Rob Baan ooit toen ik een innovatiedag organiseerde voor landbouw. Zijn bedrijf produceert micro groente – niet in Spanje als ik het nazoek. Hij heeft het stokje inmiddels overgedragen aan zijn zoon lees ik en de oprichter was ene Gerrit Koppert. Waarschijnlijk familie van Jan Koppert, beide uit het Westland. Jan blijkt de oprichter te zijn van Koppert dat zich bezig houdt met biologische gewasbescherming en inmiddels over de hele wereld zit, waaronder Spanje. En die auto haalde ons in. Zo’n zoektocht maakt dat de verder saaie reis sneller lijkt te gaan.
De zon scheen toen we wegreden maar voorbij Almería wordt het mistig. En dan ziet het kiezelstrand bij onze bestemming er mistroostig uit. Gelukkig schijnt de volgende dag de zon en wandelen we ’s morgens langs de zee, met een kop koffie als tussenpunt. Eind van de middag
herhalen we deze wandeling maar dan pak ik een wijntje. Op die eerste zonnige dag zie ik de sneeuw van de Sierra Nevada. De dagen erna hangt er altijd bewolking en is het vaak grauw met weinig wind zodat de bewolking blijft hangen. Het is niet koud en we kunnen buiten schilderen.
Althans Wil René schildert, ik hou het nog bij tekenen. Schilderen, althans de statische houding is nog te zwaar voor mijn pijnlijke rug. Ik oefen met live-tekenen van mensen waarbij ik Wil René en mezelf als studieobjecten gebruik.
Dat wandelen is een verlichting voor mijn pijnlijke rug. Wat geen verlichting blijkt te zijn, is fietsen. Zelfs de 20 minuten naar Motril blijken pijnlijk te zijn. Iedere hobbel, ieder gat voel ik. Maar ik zet door want ik wil de voormalige Suikerfabriek bekijken[3]. In 1986 werden de stoommachines na 100 jaar productie, ontmanteld en verkocht. Toch staan ze weer in de voormalige fabriekshal. Met

veel moeite én geld zijn de oude machines weer aangekocht. Niet met de bedoeling het weer werkend te krijgen maar als erfgoed van de stad. Op het hoogtepunt stonden er 10 van die fabrieken in Motril. Van februari tot mei draaide de fabriek non stop om van suikerriet, suiker te maken. De rest van het jaar stond in het teken van onderhoud. Het moet er een tering herrie zijn geweest in de hal waar de rietstengels in stukken werden gehakt en leeg gewrongen. En dat het risicovol werk was, blijkt wel uit kapel die in de productiehal staat. Betaald door de werknemers om Maria om bescherming te smeken.
De geschiedenis van de suikerteelt is veel ouder. De Arabieren brachten het suikerriet mee (dat oorspronkelijk uit Zuidoost Azië komt). Het warme klimaat en de meegebrachte kennis van irrigatie maakte de teelt van suikerriet mogelijk. Dit gebied werd in de Middeleeuwen het centrum van het witte goud: suiker. De

Spanjaarden namen zelf dat suikerriet weer mee naar Zuid en Midden-Amerika waar goedkope arbeidskrachten waren (lees: slaven). Behalve dat de productie overzee goedkoper werd, verbouwden ze in Catalonië inmiddels suikerbieten en met de komst van het toerisme in de ’70er jaren werden de velden als bouwkavels voor hotels veel meer waard dan suikerrietteelt. Deze uitleg krijg ik in het suikermuseum dat in een van die middeleeuws suiker”fabrieken” is gevestigd. Vooral de immense rietsuikerpers van ca 15 meter maakt indruk.
De bijnaam van deze kust is Costa Tropical. Ze zeggen vanwege het klimaat en de teelt van

tropisch fruit zoals mango, avocado, banaan en papaya. Het is uiteraard een toeristische marketingterm. De “normale” naam is costa Granadina. De kust van Granada. Een half uur rijden voor die 500.000 inwoners. En dat merken we. Aanvankelijk was het een vrij rustig strand met hier en daar een wandelaar, maar in het weekend komen de Spanjaarden massaal naar de kust. Gezinnen picknicken op het strand, terrassen puilen uit, parkeerplaatsen staan vol en ’s avonds gaat de volumeknop in de strandtenten omhoog.
Onze laatste dag aan zee is het wederom bewolkt en dit maal wel met stevig wind. Dus niet schilderen maar naar de golven kijken die beuken op de zeewering en op het terras. Net als kampvuur kan ik er uren naar kijken. Wil René vliegt met zijn drone langs de kust om de golven in beeld te vangen. En als je die beelden ziet denk je niet meteen aan een tropische kust, zoals de marketeers ons willen doen geloven. Zie video.

Dan is het tijd om naar Granada te reizen. Hoewel er laaghangende bewolking is, vind ik de 60 kilometer de bergen in, prachtig. Morgen gaan we weliswaar naar het Alhambra, vandaag wil ik alvast vanaf een berg naar het beroemde kasteel kijken. Ik heb op de kaart een oud klooster gevonden met een parkeerplaats. Dat betekent wel dwars door de stad rijden, wat Wil René gelukkig wel leuk vind. De borden van de parkeerplaats geven aan dat het verboden is voor caravans en campers. Ik ga er gemakshalve maar vanuit, dat ze bedoelen niet kamperen. Ondanks de mistachtige bewolking is het uitzicht indrukwekkend. Zowel van de stad, als het Alhambra, als de bergen waarvan ik weet dat ze met sneeuw zijn bedekt. Het is waarschijnlijk Saharazand in de lucht dat de mist veroorzaakt.

Omdat het fietsen me zo slecht is bevallen, heb ik een camperplaats gevonden die dicht bij een metrohalte ligt. In een half uur ben je in het centrum, zeggen ze. En ze hebben een plek voor ons. De voorspellingen zijn inmiddels minder rooskleurig dan twee weken geleden, toen ik de kaartjes voor het Alhambra kocht. ’s Nachts regent het en de dag begint grauw. Ik trek een dikke trui aan onder mijn jas. Zo had ik het me niet voorgesteld.
Bij de metro/ tramhalte kopen we een herbruikbaar kaartje en zetten er twee ritten op. Voor de terugreis pakken we wel een taxi want dan ben ik waarschijnlijk gesloopt. Eenmaal in de metro ontdekken we dat je niet twee keer kunt inchecken. Iedere reiziger moet een eigen kaartje hebben. Gelukkig hebben we geen controle en op het station loop ik dicht achter Wil René door de poortjes.
We lopen het centrum in en na de lunch nemen we een bus naar de ingang van het Alhambra. Het is zo’n klein rood busje en er willen veel mensen mee. Als sardientjes in een blik, rijden we zigzag ophoog. Deze weg is zo smal dat voetgangers zich tegen de gevels drukken als het busje passeert. Wil René kijkt benauwd: “Hier zou ik niet met de camper willen of kunnen rijden.”

Bij de ingang wemelt het van de mensen, ook met dit slechte weer. Om de poort binnen te komen, is een kaartje niet genoeg. Ik moet ook mijn paspoort laten scannen. Vooraf heb ik het nummer al moeten doorgeven. En blijkbaar heb ik een fout gemaakt bij Wil René. Hij moet zijn kaartje alsnog laten scannen. Dit ritueel herhalen we nog drie maal bij de toegang van verschillende onderdelen. Het is terrein is enorm. We wandelen 10 minuten om aan de andere kant te komen. We passeren vooral de muur, binnentuinen en veel groepen met gidsen. Ik merk dat ik nog niet onder de indruk ben, het sombere weer helpt niet. Uiteraard heb ik vooraf de vele mooie – zonnige- foto’s gezien. Daar baal ik toch wel van. Na het tweede checkpoint gaan we het Alcazar binnen. Vroeger het domein van de soldaten dat hoog boven de stad ligt. Vandaaruit kun je waarschijnlijk heel ver kijken. Ik ga de toren niet op – ik wil voorzichtig zijn met mijn heupen en het mooiste komt nog. Door de laaghangende bewolking is de verleiding van de toren ook niet zo groot.

De Nasrid paleizen vormen inderdaad het hoogtepunt. Prachtige bogen, pilaren, bewerkte muren en plafonds. De Arabische geschiedenis van het kasteel is hier in volle glorie zichtbaar. Enerzijds is het zo overdadig dat ik niet weet waar ik kijken moet, anderzijds is het niet nieuw. Ik zag deze kunst ook in Marrakesh en Fez. Toch blijft

het prachtig, indrukwekkend knap gemaakt en gerenoveerd. Ik zie foto’s van de ruïne die het Alhambra 100 jaar geleden was. Ook vandaag zijn er stukken afgesloten vanwege de renovatie. Ik weet (gelukkig) niet wat ik daaraan mis. Wat ik wel jammer vind, zijn al die mensen die het ook willen zien, en me voortstuwen door de zalen en gangen. Maar ik snap wel dat ze het ook willen zien.
Ik sla de tuinen over. Genoeg gelopen. Het rode busje brengt ons terug naar het centrum. Het spetteren gaat over in een beetje regenen. De verkopers bij de kathedraal brengen hun

uitgestalde spullen snel naar binnen. Het zijn dezelfde soort winkeltjes die we in de soeks van de toeristische steden in Marokko zagen. De regen begint steviger te vallen en de gladde straatstenen worden een uitdaging. Zo glad en oneffen. Na drie pogingen vinden we een tafel in

een koffietentje. De eerste bodega ging net sluiten, in de tweede konden we alleen staand wat drinken, de zitplaatsen zijn voor eters. Na een uurtje met nog steeds regen, vragen we of ze taxi voor ons kunnen bellen. Helaas na een aantal pogingen is het antwoord dat er geen taxi’s beschikbaar zijn. Iedereen wil nu een taxi. Er zit niets anders op dan nog 10 minuten naar een metrohalte te lopen. Ik trek mijn muts over mijn hoofd, mijn handen in mijn mouwen en loop mopperend de grootste plassen te ontwijken. Desondanks worden mijn broek en schoenen donkerder van al het water. Eenmaal terug bij de camper, zetten we de verwarming aan en stroop ik de natte kleren van mijn lijf. Ik heb het erg koud gekregen. Het is buiten nog maar 10 graden. Wel heb ik vandaag bijna 15.000 stappen gezet. Een record!
Tegen middernacht wordt het droog. De voorspelling voor morgen is droog, wel koud (13 graden max). Ik wil nog wel een keer door Granada dwalen, door de oude Moorse wijk. We regelen een nachtje extra op de camperplaats.
Als we opstaan is het 6 graden en de mist is nog dikker dan gisteren. Doen we er goed aan om te blijven? In grote delen van Spanje regent het vandaag. Het is kouder en natter dan in Nederland – het moet niet gekker worden. Rond de middag wordt het lichter. Jas en trui aan en we gaan weer

met de Metro naar het centrum. Dit keer met ieder een eigen kaartje. De oude Moorse wijk ligt op een heuvel tegenover het Alhambra. De wijk begint bij de poort van Elvira en daarna trap lopen.
Eerst 100 meter omhoog zwoegen terwijl de zon de mist en wolken oplost. De jas knoop ik al snel om mijn middel en zoek de schaduwkant van de straatjes op. We dwalen door Albaicín, het moorse stadsdeel met witte huisjes en smalle straatjes. We stuiten op de toeristische route. Iedereen wil naar het balkon van Sint Nicolaas waar je het Alhambra goed kunt zien. Ik ook. Om er een foto te maken.
Het is volgens mij de plek waar vrienden een foto maakten. En met die foto vroegen ze mij of ik ze

wilde schilderen. En de plek klopt. Ik vraag een andere toerist of ze de foto wil maken zoals het schilderij. Ik moet diep door mijn knieën om een vergelijkbaar plaatje te maken. Missie geslaagd.
Op het balkon zijn er muzikanten en straatverkopers. Het zorgt voor een relaxte sfeer. De verkopers hier dringen zich niet op.
Rustig wandelen we de heuvel af door de smalle straatjes. Af en toe een pauze op een bankje in de zon. Want hoewel het er heerlijk uitziet, komt de thermometer niet boven de 13. We scoren venkel in een biologische winkeltje – een groente die Spanjaarden blijkbaar niet veel eten, aangezien ze in de supermarkt niet te vinden zijn. Met wederom 12.000 stappen op de teller brengt de metro ons weer naar de camperplaats. Ik maak een venkelschotel.
Hier gaat het de komende dagen vaak regenen. Net als in het noorden en westen. Dus rijden wij weer richting oost waar het de komende dagen nog redelijk droog weer schijnt te zijn. En rijden betekent gelukkig ook zitten en mijn benen laten uitrusten. Dat is hard nodig. Mijn rug heeft zich trouwens goed gehouden.
Voetnoten
[1] De foto is van Nasa en de oppervlakte van het kassengebied is 480 km2 (vergelijkbaar met Texel)
[2] Stefan Brijs, Het geduld van bloemen, 2025.
[3] Fábrica del Pilar














































Opmerkingen