top of page

Groen Turkije

  • 14 jun
  • 15 minuten om te lezen

Daylan, Daǧyenice, Bursa, Cumalıkızık, Takmak, Kırıkkale, Çatallı  7 – 14 juni 2026


Van Alexandroupolis naar de Turkse grens is ongeveer een half uur. De grens passeren kost net zoveel tijd. Griekenland verlaten, blijkt al niet makkelijk. Campers en bussen moeten in een andere baan dan auto’s. Bij het eerste loket wapperen ze dat we door kunnen rijden naar het volgende loket. Daar is de slagboom gesloten – net als het loket. We wachten een paar minuten maar er gebeurt niets. Er komt niemand en het loket is leeg. Ik ga op onderzoek uit en zie dat er bij de personenauto’s mensen uitstappen en in de rij staan om hun paspoort te laten zien. Ik ga ook maar in die rij staan. Dat blijkt de juiste stap te zijn. Paspoorten worden gescand en ik wijs naar de slagboom. En zonder blikken of blozen doet hij de slagboom open. Er volgt een stuk niemandsland tot op de brug  over de grensrivier. Daar staan veel Turkse militairen. Een groot

poortgebouw doemt op en door een van de bogen rijden we naar de Turkse grens. Paspoortcontrole. Uitstappen en kijken naar een camera. Stempel in het paspoort en we mogen door naar de volgende slagboom. De douane. Alle auto’s moeten hun kofferbak openen en een douanier loopt langs. Ik moet de achterdeur en de zijdeur van de camper openen. Geen idee waar hij naar kijkt maar het is in orde. We mogen verder naar het volgende loket. Paspoort, autopapieren en groene kaart overhandigen. De camper is geregistreerd. We mogen verder. Alleen een rij oranje paaltjes belemmert de doorgang. Wil René probeert te steken maar het is gewoon te smal. Ik loop terug naar de douanier en vraag of hij kan helpen. In het Engels, in het Duits en met handen en voeten maar hij snapt het niet. Hij loopt wel mee en ziet dat de camper vaststaat. Glimlacht dan, en duwt met zijn voet een paaltje plat. Ze zijn niet van metaal maar hol plastic. We kunnen er gewoon overheen rijden… Op naar het laatste loket met de laatste slagboom. Daar wachten we even en dan gaat de slagboom zomaar open. Dan rijden we Turkije binnen, langs de rijstvelden over een mooie vierbaans weg naar het eerste dorp.



In dat dorp gaan we op zoek naar een postkantoor voor een tolvignet, een pinautomaat om Turkse Lira te pinnen en naar een telefoonwinkel om simkaarten te regelen. Het postkantoor is snel gevonden, herkenbaar als PTT. Daar staan mensen buiten in de rij – dat gaat wel even duren, denk ik. Dat klopt. De oorzaak van de rij is een blijkbaar ingewikkelde casus van een man en een vrouw. De rij groeit. Een dame met kort haar en dito broek sluit aan, een vrouw met lange rok en hoofddoek, een jonge man met wit shirt en zonnebril op zijn hoofd, een vrouw met drie kinderen, een militair. Als ingewikkelde zaak is opgelost, gaan de volgende klanten wat sneller. Voor het tolvignet moeten we een formulier invullen. Gelukkig heeft de beambte ook een Engelse versie. We komen een heel eind. Behalve dat we de registratie ID van de auto niet weten en niet bij ons hebben. Terug naar de auto. Het ontbrekende vakje ingevuld en samen met paspoort en kentekenbewijs is het voldoende om een tolvignet te krijgen.

Bij de PTT kunnen we ook wat cash geld tegen een nette koers inwisselen. Nu nog pinnen en een Turkse simkaart want onze provider heeft alleen Europa-dekking. Er is in het dorp een winkel van Vodafone, die geeft een redelijk goede dekking in dit land. Vanaf dan heeft Wil René een Turks telefoonnummer. Ik wil een andere provider want de dekking in Oost Turkije is ook bij Vodafone matig tot slecht. Via internet probeer ik dat te regelen maar ik moet eerst lid worden of zo. Dan zie ik dat mijn provider, het net gebruikt van Türkcell. Die provider geeft net iets meer dekking in Oost Turkije. Dus regel ik online een vakantiepakket. Geld pinnen is ingewikkelder. Ik ben namelijk vergeten bij mijn rekening Wereld aan te zetten. De pinautomaten weigeren. Pas na twee uur, werkt Werelddekking. Ik betaal de eerste tankbeurt maar met mijn creditkaart. Brandstof in Turkije is veel goedkoper dan in NL of de 2 euro in Griekenland. Diesel is hier maar 1,25 euro per liter.


Nu we de noodzakelijke praktische dingen hebben geregeld rijden we naar Gallipoli, vlak bij de brug die Azië met Europa verbindt. We bekijken een camper-gedoogplek in de stad maar het is een smerige, zonovergoten vlakte. Wel vlak bij zee, maar alleen mooi uitzicht maakt het niet genoeg. Het is nog een paar uur licht dus steken we de zeestraat tussen de middellandse zee en de Bosporus over. Een hele hoge en lange tolbrug (op de foto rijdt in het groene vierkantje een vrachtwagen). Aan die Aziatische kust zoeken we een betere overnachtingsplek.

Het wordt Dalyan. Daar is een beachcafé waar volgens andere camperaars, overnachten gedoogd wordt. Op de kaart is het een park, in het echt is het kuststrook met

wat bomen en hoog onkruid. Althans tot voor een paar dagen. Door de aanleg van een leiding en lantaarnpalen is het een zandvlakte waar de geul nog open ligt.  We zien een Turks camperbusje onder de bomen staan, met het uitzicht op het water, vissers en in de verte de brug. Wij zijn verkocht. We zetten de camper ook onder de bomen. We wandelen naar de beachclub om te vragen of het oké is om bij hun te parkeren. Die wijzen echter naar een parkeerplaats van asfalt, zonder schaduw, die naast hun club ligt. Niet heel aantrekkelijk. We gaan eerst op hun terras wat  drinken en eten. De muziek met een stevige beat, staat op een redelijk volume. Dan blijkt dat die muziek tot 3 uur ’s nachts aanblijft. Ze kunnen ‘m wel wat zachter zetten…Het is duidelijk. Wij blijven aan de kust staan.

Daar begroeten we onze Turkse buren. Twee oudere mannen die met een biertje genieten van het uitzicht. Ik kan meteen mijn paar woorden Turks gebruiken: “Hallo, Aangenaam kennis te maken. Wat is het hier mooi. Heel mooi.”[1] En het ijs is gebroken. Het lukt niet om veel meer uit te wisselen, want de vertaal-app kan weinig met de zinnen die ze uitspreken.


Die avond maken we direct kennis met de islam: met zonsondergang roept de imam via een luidspreker op tot gebed. Dat herhaalt hij als het donker is. Ik haal mijn schouders op. Nog niet bekend met de Fadjr – het ochtendgebed - waarvan de oproep voor zonsopgang is. Half vijf! Ik ben meteen klaarwakker. Het is alsof de imam hier in de straat staat te zingen. Nou zingen. De oproep duurt lang, een paar keer denk ik: nu kan ik verder slapen en dan komt er nog een stuk. Ik doe vast ooglappen op. Gelukkig val ik weer in slaap, en met de ooglappen slaap ik ongestoord tot half negen.      


De islam hebben we gehoord. De islam zie ik door de minaretten en moskeeën die in ieder dorp staan zoals bij ons de kerken. Het aantal hoofddoeken is klein. Meestal zijn dat oudere vrouwen. We zien vrouwen met een schop graven langs de weg, vegen in de stad en het postkantoor in het eerste dorp werd bewaakt door een kordate en stevige Turkse.   


We volgende de E90. Een redelijk goede weg. In Griekenland was het een 2-baansweg zonder afscheiding waar ik mijn ogen op het asfalt moest houden om gaten te ontwijken. Diezelfde E90, die van Lissabon naar de Zuidoostgrens hier in Turkije met Irak loopt, is hier een vierbaansweg. Met gescheiden rijstroken, wel met kruispunten en stoplichten. Dat weer wel. Onderweg zie ik vrachtwagens met Iraanse nummerborden. Die moeten nog verder, helemaal naar Oostgrens met Turkije. Blijkbaar gaat transport gewoon door, oorlog of niet.    


Landbouwvelden domineren het landschap dat glooit. Je zou ook kunnen denken dat je in Zuid-Duitsland of Frankrijk rijdt. Alleen de dorpen waar we doorheen rijden passen niet in die landen.


Na wildkamperen kiezen we weer voor een camping. Vlak bij Bursa, dat ik graag wil bezoeken.  De camping ligt in de bergen en is onderdeel van een groot vakantiepark aan een meer. Vandaaruit kunnen we het stadscentrum in een half uur bereiken. Andere pluspunten zijn:

een warme douche, het is er stil (geen gebedsoproepen) en de nachttemperatuur daalt tot ca 15 graden. Het vakantiepark is bijna verlaten. Misschien is daarom het badhuis niet schoon. Gelukkig zie ik dat niet als ik mijn bril af zet. (en dat zal ik op volgende campings ook vaker denken). Als ik de volgende ochtend mijn handen wil wassen, blijkt er geen water meer te zijn. Hoogste tijd om af te dalen en ons in de ochtendspits te begeven.


Op de camping spreek ik een jonge Duitse vrouw met Turkse wortels. Ze woonde met haar ouders in Hannover. Sinds 5 jaar woont ze in Turkije omdat haar man geen Duits sprak en in Duitsland geen werk vond. Zij werkt hier online voor een Duitse klantenservice. “Mensen denken vaak dat ik in Duitsland ben.” Ze zou graag willen reizen bijvoorbeeld naar Nederland of Afrika, maar haar man kan geen visum krijgen. Want hij heeft geen vast contract, geen ondernemer, geen kinderen, kortom geen bewijs van sociale of economische binding aan zijn land. De autoriteiten zijn bang dat hij, eenmaal in NL, daar wil blijven. “Nou echt niet, want anders waren we wel in Duitsland gebleven.”


Bursa is een stad waar meer dan 3 miljoen mensen wonen. En inderdaad, rond 9 uur is er een  ochtendspits. Wij rijden langs grote kantoren op de E90, die 4-baansweg, die dwars door de stad loopt. Vlakbij het centrum parkeren we in een heel groot park. Tegen betaling van 5 euro kunnen we de hele dag staan. “Maar niet overnachten”, zeggen ze bij de toegangspoort. Dat had ik inderdaad al

gelezen op internet. Daar had ik ook gelezen dat er hoge bomen staan en dat betekent schaduw. Dat klopt. In dit  cultuurpark zit horeca, opluchttheater, speeltuinen en dus parkeerplaatsen. Ik zie een groep moeders met kinderen richting de speeltuin lopen. Een groot kleed wordt in het gras neergelegd, de koelboxen er op, de schoenen er naast. Tegenover ons parkeert een Turkse busje waar ook een koelbox en kleed uitkomt. Het oudere stel zal de hele dag naast hun busje picknicken.


Wij halen de fietsen van de camper af en wagen ons in het Turkse verkeer richting het oude centrum. Het is maar 20 minuten fietsen, wat we deels op de stoep, en deels op de weg doen. Taxi’s en bussen zijn het lompst omdat zij vaak exclusief de rechter baan mogen gebruiken. En die exclusiviteit delen ze niet graag met twee fietsen. Ik zie de hele dag maar zo’n tien fietsers waarvan de meeste kinderen zijn die rondcirkelen op een plein. Zoals verwacht is het heel druk met winkelende mensen en vooral binnenlandse toeristen. De buitenlanders westerse kun je op een hand tellen. Of beter de westerse. Ik herken geen toeristen uit Arabische landen. Wat mij meteen opvalt is dat er meer vrouwen met hoofddoeken rondlopen. Zeker de helft – misschien toch islamitische buitenlanders?


We bezoeken een aantal moskeeën. Ik heb mijn sjaal in de camper laten liggen maar bij de ingang liggen hoofddoeken. Als ik hannes met mijn doek, wordt ik geholpen door een jonge dame, die de doek ook nog even goed over mijn schouders legt. Mijn schoenen zet ik keurig in een kast en loop over een dik rood tapijt rond een grote fontein die midden in de Grote Moskee (Ulu Cami) staat. Het gebouw is imposant hoog, net zoals bij kathedralen. Ik krijg een Nederlandstalige folder mee met uitleg over de basis van de islam. Ik kan zelfs een koran meekrijgen. Maar daar bedank ik vriendelijk voor.

Als we de groene moskee willen bezoeken, klinkt net de oproep voor het middaggebed. Aan alle kanten komen mensen aansnellen. Mannen wassen buiten hun voeten en gezicht – geen enkele vrouw?!. De gelovigen zijn van alle leeftijden en alle stijlen. Van tulband, wijde broek tot strakke jeans, slippers en sportschoenen die je makkelijk kunt aanschieten.                 


We kijken ook nog even binnen bij het mausoleum van een Sultan Mehmed I. Een jongetje spreekt me in het Engels aan. Waar we vandaan komen, etc. Hij vertaalt de antwoorden voor twee andere jongens. Hij spreekt goed Engels. Zijn leraar voegt zich bij ons. Hij geeft Turkse les en heeft deze Syrische jongen onder zijn hoede. Hij vraagt of ik moslim ben. Nee. Waar geloof je in? In eigenlijk niks – al die oorlogen in naam van God maken dat ik ongelovig ben. “Maar Allah wil dat helemaal niet, het zijn de mensen die dat doen.” Tja en dan is dit mausoleum voor een Sultan met de bijnaam De beul …


We stuiten op een kraampje waar zelfgemaakte dingen worden verkocht om geld in te zamelen voor mensen in Gaza. Ik koop een sjaaltje en Wil René taart en koekjes. We hebben nog niet geluncht en na de lekkere taartjes hoeven we dat ook niet meer.   

Op de groentemarkt zoeken we naar venkel maar die vinden we niet. Het is duidelijk wat de oogst van de laatste tijd is: paprika, aubergine, sla, aardappels, uien, knoflook, tomaten en heel veel aardbeien, kersen en perziken.


Er is een portret van een man dat je in heel Turkije tegenkomt. Dat van Atatürk, oprichter van de Turkse republiek (1923), bracht westerse waarden in het land: democratie, onderwijs,

vrouwenemancipatie, alcohol. (Hij was zelf alcoholist – alleen mag je dat niet hardop zeggen- dus zet ik het tussen haakjes, want je kunt er voor aangeklaagd worden). Tot grote vreugde van de stedelingen in het westen van het land. In het oosten van Turkije waren ze niet zo blij. Daar waren de waarden van de islam veel belangrijker. Het leger is lange tijd de hoeder van het gedachtegoed van Atatürk geweest. Dat verklaart de coups in het verleden. Als het bestuur de nieuwe waarden verwaarloosde en de islam teveel invloed kreeg, grepen ze in. De huidige president (sinds 2014), heeft in de afgelopen tien jaar heel zorgvuldig die macht afgebouwd en zijn eigen macht aanzienlijk vergroot. Hij is een slimme politicus die Vernieuwing propageert en tegelijk een vroom moslim is en zo een brede steun van het volk heeft. Daarnaast heeft hij ook alle oppositie stapsgewijs monddood gemaakt. Niet alleen heeft hij het leger, maar ook de pers en de rechterlijke macht onder controle. Turkije lijkt de pogingen om volwaardig lid te worden van de EU langzaam los te laten. Ze proberen meer en meer een eigen positie te creëren op het wereldtoneel, door zich te positioneren tussen de westerse en Arabische wereld. De identiteit gebouwd op westerse waarde verschuift langzaam naar een eigen identiteit waarbij teruggegrepen wordt op hun wortels van Turkmenen en Ottomanen.[2]


Dat is ook de achtergrond van het museum Panorama 1326. Gebouwd in 2018, toont een 360° schilderij over de inname van Bursa door de Turkmenen, zonder bloedvergieten. Het is de eerste stad die ze innemen. Wat er niet bijstaat is dat de Byzantijnen die er woonden na een belegering van 9 jaar capituleerden. Het is een idyllisch, pastoraal plaatje. Dat maakt het schilderij in de koepel niet minder mooi. Het lijkt op Panorama Mesdag maar dan veel groter.    

Bezweet, warm en moe fietsen we terug naar het park waar de camper inmiddels toch wat in de zon is komen te staan. We verplaatsen ‘m, zetten alle ramen open en de stoelen in het gras. Lekker bijkomen na de stadsdrukte en de hitte.


We eten Turkse pizza met als toetje Künefe. Een hele jonge kaas (mozarelle-achtig) in een gebakken jasje van sliertjesdeeg waaroverheen een zoete siroop en gemalen pistache. Heel machtig, wel lekker.  


Begin van de avond rijden we een half uurtje verder naar een klein oud dorp aan de voet van het Uludaǧ gebergte. Voor 3 euro mogen we op een bijna lege parkeerplaats wel blijven slapen. Bij zonsondergang horen we de  gebedsoproepen in drievoud uit het dal. Daar worden we morgenvroeg  weer om half vijf door gewekt, denk ik. Blijkbaar doen ze dat in de stad niet want we worden om half zeven wakker van een touringcar die letterlijk naast ons, op een lege parkeerplaats parkeert. Een bus vol scholieren, grrr. Ik weet dat het een toeristisch dorp is, maar zo vroeg had ik dat niet verwacht.


Cumalıkızık gaat terug tot het begin van het Ottomaanse rijk in de 14e eeuw. Het sluit aan bij het verhaal in het Panorama museum. Dit dorp is de eerste nederzetting van de eerste Turkmeense Sultan en is door de ligging redelijk bewaard gebleven. Nadat een andere touringcar met scholieren er naast is heeft geparkeerd, sta ik op. De scholieren van de bus komen net terug. Een van hen spreekt me meteen aan in het Nederlands. Of het ons bevalt in Turkije, waar we heen gaan, etc. Hij woont sinds twee jaar in Turkije omdat zijn ouders terug wilden. “Het liefst zou ik weer terug naar Nederland willen.” De meeste moeite heeft hij met de hitte. “Daar wen ik nooit aan” Gelukkig heeft hij wel een Nederlands paspoort, als hij oud genoeg is, kan hij zelf terug.  

 

 

Om half acht wandelen we al door het nog slapende dorp. Er zijn weinig toeristen want die scholieren ontbijten hier, de tientallen souvenirkramen zitten nog ingepakt. De zon staat nog laag, de steegjes zijn in schaduw gehuld. Het is een superklein, schattig dorp. Maar 700 inwoners, lees ik. Dus na een half uur lopen we de parkeerplaats op waar inmiddels meer touringcars staan. Tijd om verder te gaan.


Met het Uludaǧ gebergte rechts van ons rijden we verder naar het Oosten. Net als in Griekenland zie ik hier de sneeuw hoog op de toppen liggen ook al is het in het dal de afgelopen dagen rond

de 30. We rijden de hoogvlakte op (800 – 1000 meter) op waar we de komende dagen zullen reizen. Nog steeds is het landschap groen: naaldbossen met stukjes landbouw. De volgende grote stad Inegöl heeft, denk ik, de grootste meubelboulevard. Ruim 8 km, aan weerszijde van de weg

staan grote, glimmende winkels die meubels verkopen. Een logische plek want hier zit ook een grote  meubelindustrie die levert aan Oost-Europa en Turkije. Die industrie verpest wel de lucht. Een blauwe mist hangt over de stad en stinkt. We doen hier boodschappen en omdat we de camper onder een boom kunnen parkeren, neem ik de tijd om ook nog koffie te drinken en te schrijven.


Met deze warmte reizen we traag. Camping, camperplek of parkeerplaats, ze hebben geen of weinig schaduw. Geen reden om snel een overnachtingsplek te zoeken. De camper heeft airco op de motor dus rijden is met de hitte wel lekker. Tenzij je vol de zon op de voorruit hebt. Als we schaduwplek zien nemen we pauze. 


Tegen vieren rijden we een camping op. We worden met gebaren doorverwezen.  Een km

verderop  staat een auto, die gebaart dat we hem moeten volgen. We rijden langs een meer met tientallen picknickplekken. In het meer mag je niet zwemmen. Met de kleur die ik zie hadden ze dat bord niet hoeven plaatsen. Nog een kilometer verder, aan de andere kant van het meer, zijn caravanplekken. Er staan een heleboel kleine veelal kleurrijke caravannetjes

(te huur). De huurders zijn allemaal Turken. De afgelopen twee dagen hebben we nog geen buitenlandse toerist gezien. Ook hier zijn we de enige buitenlanders. Wat niet leidt tot extra aandacht of nieuwsgierigheid. Turken lijken erg op zichzelf, tenzij ik ze aanspreek. Dan pas breekt het ijs. 


’s Ochtends blijkt er toch een buitenlandse camper te staan. Oostenrijk. De eigenaar is Turks maar woont in Tirol en heeft sinds zijn pensioen een appartement in Ankara. Hij zal in beide landen blijven wonen. Zijn kinderen blijven immers in Oostenrijk en zijn eigen familie woont in Ankara. Als we vragen of we die stad moeten bezoeken, noemt hij alleen het Atatürk mausoleum - een gebouw in Oostblok stijl. Nee, we moeten de stad niet gaan bekijken, hij zou het zelf niet doen. Het is alleen een ambtenarenstad, is zijn conclusie. We willen verder naar het Oosten en dan is Ankara onvermijdbaar – route-technisch dan. We rijden op een snelweg die 20 tot 30 kilometer vanaf het centrum loopt.    


Overal zien we de hoge torenflats. Die nieuwe flats zijn onderdeel van Turkse steden. Klein (50.000) en groot. Vaak hoog boven de oude stad in nieuw aangelegde wijken.

 

Buiten die steden is het landschap heuvelachtig. Grote graanvelden, aardappelvelden, grote graslanden voor kuddes koeien die ook in hangar-grootte open stallen staan. Daartussen af en toe graansilo’s en regelmatig een tankstation. We rijden nog steeds op de hoogvlakte. Of dat de reden is dat er nauwelijks bomen staan of dat ze allemaal zijn gekapt voor de landbouw, weet ik niet.    

 Na 5 uur rijden, stoppen we bij een park bij de stad Kırıkkale. Er ligt een parkeerterrein naast. Aan de beveiliging vragen we of we er mogen blijven slapen. Dat mag. Wel moeten ze onze rijbewijzen en kentekenbewijs fotograferen en ons telefoonnummer noteren. Hoewel het al half zeven is, is het nog altijd 32 graden. Ik kan niet wachten tot de zon achter de heuvels verdwijnt. Om de tijd en de warmte te doden, wandelen we het park in. Er staan heel veel picknickbanken in die een uur later al bezet zijn door kleine en grote gezinnen. Met koelboxen en tassen, stepjes,

ballen en fietsen, koffie pruttelend op een gasstelletje. Wetend dat er zoveel mensen in flats wonen, snap ik de enorme hoeveelheid picknickhuisjes die we onderweg al hebben gezien. Rond 8 uur is de parkeerplaats helemaal vol en zodra iemand vertrekt, staat de volgende auto al klaar. Oude roestabakken tot een grote Toyota Helux. Wederom zijn we een bezienswaardigheid. Een vrouw met grijs, kort haar in een korte broek, dat zien ze niet ieder dag – vermoed ik. De rest van de avond zitten we in onze campingstoelen: mensen kijken. Langzaam neemt de hitte af en precies zoals de bewakers hadden gezegd gaat om middernacht het licht uit en rijden de laatste auto’s van het parkeerterrein af. Zij blijven waken, terwijl wij slapen.


Na al die dagen tussen de 28 en 32 graden worden we verrast door donkere wolken. Mijn jurk verruil ik voor een lange broek. Het is nog maar 20 graden – heerlijk!!  En dan in de avond begint het te  regenen. We zijn op een uurtje na, in Bögazkale. Daar sluiten we aan bij een groep camperaars om verder te reizen naar het zuiden en oosten van Turkije. Met dezelfde organisatie waar we in twee jaar geleden mee naar Marokko zijn geweest. Morgen ontmoeten we ze en weten we met hoeveel andere campers we samen reizen, die net zoals wij niet van groepsreizen houden.    

Vandaag nog snel een was draaien, schrijven en een video maken op een kleine, hele keurige, luxe camping. Waar zelfs een afwasmachine is…

 

Noten

[1] Merhaba. Memnum Oldum. Şu güzel, çok güzel.

[2] Bronnen:  Lucas Waagmeester - Op drift: De ontwrichting van Turkije (2020) en Joost Lagendijk en Nevin Sungur - De Turken komen eraan! (2013)

 

Gekke dingen onderweg:


Scooter met kamelenzadel
Scooter met kamelenzadel
Gelukkig zijn we deze (nog) niet tegengekomen
Gelukkig zijn we deze (nog) niet tegengekomen
Er lijkt een paardentram voor ons te rijden die traag aan de linkerkant van onze weghelft rijdt. Als we dichterbij komen zien we dat het een oud geel trammetje is, dat links in een sleuf vast zit en rechts een wiel heeft.
Er lijkt een paardentram voor ons te rijden die traag aan de linkerkant van onze weghelft rijdt. Als we dichterbij komen zien we dat het een oud geel trammetje is, dat links in een sleuf vast zit en rechts een wiel heeft.


 

 


 

 






Trailer met caravan die alleen met een keukentrapje bereikbaar is
Trailer met caravan die alleen met een keukentrapje bereikbaar is




 
 
 

Opmerkingen


© 2026 Hellie van Hout

bottom of page