- 27 feb
- 8 minuten om te lezen
El Berro, Cieza, 16 – 25 februari 2026
Na 4 dagen kattenwasjes en droogshampoo wil ik weer een douche. We hebben een campingplek geregeld in de bergen van Espuña. Een uur het binnenland inrijden. Maar eerst koffie. Althans dat was de bedoeling maar het gas is op. We hebben vier maanden met de fles gedaan. Bij de eerste beste benzinepomp zien we de oranje gasflessen staan. Voor 16 euro ruilen we de fles om. De nieuwe fles weer aansluiten in het kleine vak is altijd een gepruts. Je moet een regelaar met kracht op de fles drukken. Omdat de gasfles met regelaar 2 mm hoger is dan het vak, probeert Wil René de regelaar in het vak er op te drukken. Soms lukt dat, nu niet. Op dat moment loopt er een Marokkaanse man voorbij die in zijn beste Nederlands “Goedemorgen” roept. Ik groet terug en vraag of hij ons wil helpen. Natuurlijk. Hij blijkt alleen Duits te spreken, hij heeft familie in Rotterdam en Haarlem, vandaar. Ook hij krijgt de regelaar niet op de fles. We moeten de regelaar eerst ontkoppelen. De glasfles uit zijn vak en dan kan de regelaar er eenvoudig op. De man zet zonder problemen de zware fles weer in zijn vak. Nu kunnen we weer zo’n 4 maanden vooruit. Dan valt mijn oog op een gebouwtje achter het tankstation. Doucha (douche) – staat er in grote letters op. Dat had ik moeten weten, dan was ik hier eerder naartoe gefietst.
Om bij de camping te komen, kronkelen we de laatste 15 km naar een hoogte van 600 meter. Voor het dorpje El Berro staat een verbodsbord voor vrachtwagens langer dan 12 meter en bij de volgende splitsing staat verboden voor vrachtwagens langer dan 8 meter. Hoewel we maar 7 meter zijn, slaan we toch maar af, en volgen de campingbordjes, die ons om het dorpje leiden. Maar goed ook, want als we de volgende dag door het bergdorpje wandelen zien we hoe smal de hoofdstraat is. Daar wil je geen camper tegenkomen.

In El Berro is geen winkel, geen bar open, het restaurant alleen in het weekend. De camping heeft daarom een klein winkeltje en een bar waar je pizza en tapas kunt krijgen. Behalve campinggasten komen hier ook dorpelingen ontbijten en bergwandelaars pauzeren. Het enige waarvoor we dagelijks het dorp in lopen is de bakker. De eerste keer dat we daar binnen liepen, waren de schappen bijna leeg. We wilden eigenlijk twee stokbroden. Geen probleem. De bakker loopt naar achteren, en haalt daar twee broden uit de oven. Verser kan niet. We verwonderen ons dat er nog een bakker in dit dorp is, dat die zijn brood zelf maakt, want er wonen maar 130 mensen. Misschien omdat er nog ca 100 campinggasten brood kopen?
De camping is een terrassencamping en verschuilt zich tussen de bomen. Om hier mijn dagelijkse wandeling te maken, betekent dat helling op en af. Ik loop of een rondje rond het dorp,
of volg een kwartier lang een pad om datzelfde pad weer terug te lopen. Wel mooie vergezichten.
Eén pad is een opgedroogde rivierbedding met veel keien die door een kloof loopt met rondom

dennenbomen. Het is goed opletten, want je zwikt zo je enkels. Na een kwartier draaien we om en zien de Engelse buurman van de camping rennend de rivierbedding volgen. Later spreken we hem en blijkt hij aan trailrunning te doen - “so enjoyable”. Kan ik me niks bij voorstellen. Hij woont sinds 5 jaar in zijn camperbus. Daarvan zit hij 5 maanden in Spanje en Marokko, en 7 maanden in de UK om te werken en zo voldoende geld te hebben voor die 5 maanden. Hij werkt dan in de supermarkt voor minimumloon maar omdat hij in zijn bus woont, is dat genoeg. Nog 8 jaar te gaan.
En dan gaan we eindelijk het stuwmeer bekijken dat ik al twee keer wilde doen, maar wat tot nu toe mislukte. Het is 13 km naar beneden fietsen. Halverwege de route verruilen we asfalt voor gravel/zand. En dan ontvouwt zich een bijzonder en vooral prachtig landschap: Barrancos de Gebas – De ravijnen van Gebas. Water heeft in miljoenen jaren de bodem uitgesleten waardoor er een half woestijnlandschap is ontstaan met scherpe ruggen en kloven. We fietsen eerst naar het formele uitkijkpunt. Daar is ook een parkeerplaats voor wie minder zuinig is op zijn auto. We zien twee camperbusjes staan met tafel en stoelen buiten. Ze staan naast het bord verboden te kamperen. De Nederlandse en Vlaamse eigenaren gokken er waarschijnlijk op dat politie niet de 3 km slechte weg gaat rijden.
Het uitzicht is er adembenemend.

Wil René stuurt zijn drone de lucht in, over de Barrancos naar het stuwmeer van Algeciras dat zo’n 3,5 km verderop ligt. Er loopt ook een pad naar toe. Even twijfelen of we die gaan fietsen want de regen van de afgelopen maanden heeft diepe sporen getrokken. We doen het. Dat


betekent ook 200 meter dalen en 100 meter stijgen deels door de kloven en deels boven langs. Pittig én prachtig. Opnieuw gaat de drone de lucht in om het blauwgroene water tussen de witte kloven te filmen.

Rond lunchtijd beginnen we aan de terugweg, wat 650 meter stijgen betekent. Via het gehucht Gebas. Daar zitten twee restaurants. Althans het ene gaat pas op vrijdag open, het andere is een hotel waarvan we verwachten dat daar wel wat te eten is. Dat blijkt al een jaar op zoek te zijn naar een nieuwe eigenaar… We eten een mueslikoek en een banaan op de picknickbank in de verwaarloosde hoteltuin. Dan trappen we gestaag langs de amandelboomgaarden naar het dorp aan het einde van het dal. Daar bestellen we een pizza. Het helpt dat ik honger heb want het zijn uiteraard diepvries-pizza’s.
Half februari en de amandelbloesem bloeit volop. Wit en roze bloemen zien we op plateaus

tussen de bergen en naast de kloven. Prachtige plaatjes, zeker als de bomen in weilanden met witte bloemen staan. Deze bloesem ruik je sterk. De geur doet denken aan goedkope wc-verfrisser. De bloesem doet me ook denken aan een stad dat een uurtje verder landinwaarts ligt. Cieza – centrum van de perzikteelt. Daar waren we twee jaar geleden eind maart. Te laat. De paarse bloesem was uitgebloeid, op een paar kleine veldjes na. Nu ik die amandel zo zie bloeien ben ik benieuwd hoe de vallei met de perzikbomen in volle bloei eruit ziet. Hopelijk zijn we niet te vroeg…..

Langs de route naar Cieza zien we heel veel amandel-boomgaarden. De ramen zijn dicht dus de geur blijft buiten. We kiezen voor dezelfde camperplaats als toen. Toen was het net geopend en nu zie ik dat de ielige boompjes tussen de plekken inmiddels bomen zijn die op een zonnige dag als vandaag wat schaduw geven. Het is even discussiëren hoe we de camper het beste kunnen neerzetten. Het is kiezen tussen de hele dag zon (met de deur naar het zuiden) of de stevig frisse wind blokken (de deur naar het oosten). Het wordt het laatste en als eind van de middag de wind gaat liggen zitten we achter de camper nog tot 6 uur in de zon. Ongelooflijk.
Reuze nieuwsgierig fietsen we naar Cieza, in ongeveer een half uur. Daar zoeken we een terras om onze schoonzoon te bellen die jarig is. Terwijl we bellen, hoor
ik een harmonie dichterbij komen. Het gesprek wordt gesmoord door koperblazers.

Tegenover ons is een groep mannen bezig om een plaquette te plaatsen. Althans twee mannen in werkkleding en nog zo’n zeven oudere mannen die aanwijzingen geven. De plaquette hangt in een paars puntige

stellage dat duidelijk tijdelijk is. Pas als het doek er af is en de plaat driftig wordt gepoetst, begrijp ik waar ik naar kijk. Het is het logo van de broederschappen van Cieza voor Semana Santa 2026. Gezien het zwarte doek dat er na de poetsbeurt weer overheen wordt gehangen, wordt het binnenkort onthuld. De heilige week, waarin het sterven van Jezus centraal staat, begint over ruim maand met processies en de bekende puntmutsen van de boetelingen. De plaquette is niet zo bijzonder, de poster van dit jaar is prachtig.
Dan fietsen we eindelijk de bloesemroute in de vallei van Cieza. Althans een van de routes met uitzichtpunten. Bij het toeristenbureau heeft Wil René gevraagd waar we het beste heen kunnen fietsen. Uitkijkpunt La Macetua is de plek waar de meeste bloesem op dit moment te zien is. Elf
kilometer fietsen we tussen boomgaarden waarvan sommige in volle bloei staan, terwijl andere nog helemaal kaal zijn. En ik zie ook hier en daar helemaal groene bomen die al uitgebloeid zijn. Maar het gros staat een beetje in bloei, nog niet uitbundig. Daar zijn we dan toch een beetje te vroeg voor. Maar de schaal is indrukwekkend. Zie video. Op een info bord staat dat hier jaarlijks op 13.000 ha maar liefst 200 miljoen kilo zacht fruit wordt gekweekt (perziken, abrikozen ed). Onvoorstelbaar. Zo’n industrieel landschap waar bomen in de kale grond staan, geeft ondanks de kleur een treurig gevoel. Ik kijk toch liever naar een klein veld in een mooie omgeving. Zie video
In een poging een kortere route terug te fietsen lopen we vast in de boomgaarden en zit er niets anders op dan keurig de route te volgen.
In El Berro schilderden we iedere middag. De wind werd door de vele bomen en de campers afgeschermd. Het huisje zetten we niet op zodat we in de ochtend (12 graden) in de zon buiten zitten. Ook in Cieza schilderen we regelmatig, tot ik tijdens het schilderen wil opstaan en een scherpe steek in mijn rug voel. Verdorie. Ik weet dat het goed mis is. We hebben net vanochtend afgesproken om in het campingrestaurant te eten. Ik beweeg me voorzichtig naar het restaurant met twee pijnstillers. Als ik eenmaal zit en me niet beweeg, gaat het goed. Ook deze keer vergis ik met in de omvang van de salade die als voorgerecht op de kaart staat. Weer een complete maaltijdsalade. De timing van het eten is slecht, het eten zelf is redelijk. Wil René zijn voorgerecht komt als eerste en omdat het warm is, eet hij die meteen op. Na een tijdje komt dus mijn salade en terwijl ik de eerste happen op heb, komt zijn hoofdgerecht. Halverwege mijn salade komt mijn hoofdgerecht. De halve moot vis is vermoedelijk voorgegaard en daarna op de gril van een bruin korstje voorzien. Daarmee is het visvlees gortdroog. Zonde van de vis. Het toetje sla ik over. Langzaam sta ik op en haal een paar keer adem. Ik loop krom als een oude vrouw met kleine stapjes richting de camper. Eenmaal ga ik op bed liggen en blijf de rest van de middag plat op mijn rug. Gggrrr. De avond moet ik wel mijn bed uit want zodra de zon is gezakt, zakt de temperatuur al snel. En dan wil Wil René niet meer buiten zitten.
’s Ochtends gaat het iets beter met mijn rug. Voorzichtig blijven bewegen. Ik weet dat ik ieder

moment weer een steek kan voelen bij een verkeerde beweging, zoals bij het aantrekken van mijn broek. Mijn sokken laat ik dus maar zitten, ook al is het nog maar 11 graden. Ik heb twee dagen terug een bindweefselmassage geboekt op de camping. Hoe verzin ik het. De vrouw spreekt geen Engels maar ik red me met mijn kleine beetje Spaans en kan uitleggen dat ze niet mijn onderrug moet masseren, alleen mijn schouders, nek en benen. Gelukkig is de massage liggend en kan ik me van de massagebank laten glijden. De rest van de zomerse dag (24 graden) lees en schrijf ik, afgewisseld met korte wandelingetjes. Nee, geen 30 minuten wandeling naar het café naast de bezinepomp voor een kop koffie, zoals eergisteren. We waren net weg bij de bar toen ik me realiseerde dat we onze bodywarmers waren vergeten. We keren om en even later stopt er een auto. Het is de man die aan de bar zat en met wie ik een paar Spaanse woorden heb gewisseld. Hij vist onze jasjes van de passagiersstoel. “Muchas gracías” zeg ik. De nada (geen moeite). En hij keert zijn auto en rijdt terug naar het café. Wauw wat een vriendelijkheid.
Na twee weken bergen en heuvels vertrekken we richting zee én naar een plek waar ik al heel lang heen wil. Nu duimen dat mijn rugpijn snel verdwijnt.
Schilderwerk:






































































































































































