top of page
  • 8 jul 2025
  • 12 minuten om te lezen

26 juni – 7 juli 2025, Rhêmes-saint-Georges , Sassello


Nadat we van de boot vanuit Palermo komen, slapen we op een parkeerplaats vlakbij een stadje op een uur rijden vanaf Genua. Dat blijkt een veel gekozen camperplek te zijn voor mensen die met de veerboot gaan. Onze buren komen net uit Corsica. ’s Nachts komen er nog campers aan, terwijl in de vroege ochtend er ook een aantal vertrekken. Niet zo gek, want in Genua komen en vertrekken dagelijks 48 schepen: naar Corsica, Sardinië, Tunesië, Spanje, Sicilië of Marokko. Zo’n bootreis zelf vind ik saai. Onze veerboot had drie restaurants (buffet, pizza en à la carte), een speeltuin en diverse kiosken en barretje. De beloofde cinema, zwembad en massage bleven gesloten en wifi is er alleen tegen betaling (1 GB voor 7 euro, voor 1 uniek apparaat). De positieve kant is dat we in 24 uur een grote afstand (ruim 1500 km) hebben overbrugt, terwijl de kosten voor reis en hut ongeveer gelijk zijn aan de diesel (ca 1,60 euro per liter). 


Terwijl anderen weten waar ze heen gaan, speuren wij naar een plek waar de temperatuur beneden de 30 blijft, en waar, als het even kan, een wasmachine is. Het is vrijdag en in het weekend ontsnappen veel Italianen hun steden om te gaan kamperen. Dus wij gaan eerst bellen voor een plek op een camping. Die eerste zit vol. Een volgende geeft op de site aan, dat ze pas vanaf maandag weer plek hebben. Wil René gaat toch bellen, want wie weet heeft iemand afgezegd. En ja, we kunnen komen. De camping ligt op 1150 meter hoogte in de Italiaanse Alpen, Natuurpark Gran Paradiso. We zien dat de dichtstbijzijnde supermarkt een half uur met de auto is, dus gaan we eerst voorraad inslaan voor een paar dagen. En dat is hoog nodig. De koelkast stond uit op de boot. We konden ’n niet op gas zetten (verboden) en elektra is er niet.


Onderweg zien we de Mont Blanc liggen, ruim 4800 meter hoog waar altijd sneeuw ligt. Nog wel

we kamperen in dat kleine vierkantje
we kamperen in dat kleine vierkantje

want, net als op veel plekken in de Alpen, is de 0-graden grens aan het stijgen. De hittegolf die wij omzeilen door in de Alpen te gaan kamperen, maakt dat het op de Mont Blanc zelfs 4 graden boven nul is[i]. Dat is weliswaar tijdelijk, maar de 0-gradengrens stijgt al jaren, en ligt nu gemiddeld al tussen de 4000 en 4500 meter.  Sneeuw zien we ook hoog op de bergen van de vallei van de Rhêmes, waar de camping halverwege ligt. De camping ligt prachtig. We hebben mooi uitzicht op een rotswand met watervalletjes, staan naast de sterk stromende Rhêmes-rivier (moet je wel vaker van plassen), staan op gras én ze hebben inderdaad 2 wasmachines. We vinden een plek onder een boom die zorgt dat we vanaf 10 uur in de schaduw staan. Terwijl Europa kreunt onder een hittegolf is het hier max. 25-28 graden. Door de bergen verdwijnt de zon om half zes en koelt het al wat af. De nachten zijn met 16 graden heerlijk. Hier blijven wel ‘n paar dagen, het worden er uiteindelijk zelfs tien.

 

Eindelijk heb ik tijd om mijn verhaal over Sicilië te schrijven terwijl Wil René zijn filmpje maakt. We doen de was, en genieten van het uitzicht. De drone kan niet zo hoog, en naar boven kijken kan die niet, dus je moet het met de foto’s doen.

Er staan op de camping, naast veel Italianen, best wel wat Nederlanders met wie we 'n praatje maken. De volgende ochtend als ik me voorgenomen heb om te gaan schilderen gebeurt iets waarvan je nooit hoopt, het zelf mee te maken. Als ik mijn kopjes omspoel zie ik in mijn ooghoek, dat het met de Limburgse vrouw die ik gisteren sprak, niet goed gaat. De campingbeheerster staat vlakbij de planten water te geven. Ik loop naar het Limburgse stel en zie de ontreddering op zijn gezicht. "Ik krijg geen lucht", piept de vrouw. En dan zakt ze weg. Ik roep naar de campingbeheerster dat ze een dokter moet halen. De campingbaas komt aan rennen, trekt de vrouw meteen op de grond, en begint met reanimeren. Ik pak de riemen van hun twee Golden retrievers, die blaffen naar de campingbaas, en trek ze mee naar onze camper. Geschrokken bind ik ze vast aan het hek, en probeer ze rustig te houden. Ondertussen blijkt een van de

Nederlandse campinggasten arts te zijn, die ook op de intensive care werkt. Ze neemt het meteen over, en samen met haar man reanimeren ze verder. Ik ga naar de Limburgse man die verslagen op zijn campingstoel zit. Met een arm om hem heen vraag ik of ik iets voor hem kan doen. “Ja, de honden uitlaten en te eten geven. We waren net op weg om ze uit te laten als Marije, mijn vrouw, bij de brug zich niet lekker voelt.” Ze blijkt longklachten te hebben en het lukt haar niet om zelf een pufje te nemen. Hij rent terug naar de camping, pakt de auto en brengt zijn vrouw naar de caravan. Waar het slechter met haar gaat. Van dat moment ben ik getuige. Ik beloof de honden uit te laten. Inmiddels arriveert er een defibrillator. Terwijl die wordt aangelegd, horen we een helikopter aankomen. Die landt aan de andere kant van de rivier en voordat het medisch team bij de caravan van het Limburgse stel is, lijkt dat echt uren te duren. Samen met de  Nederlandse arts doen ze wat ze kunnen, maar na een tijdje constateren ze dat het reanimeren geen zin meer heeft. De hartmassage wordt stopgezet, de luchtpomp uit haar mond gehaald en het infuus dat aan de luifel hangt, afgekoppeld. Ze is overleden. De echtgenoot kijkt ontredderd naar het ontzielde lichaam van zijn vrouw. “Een uur geleden was had ik nog een echtgenote, was er niks aan de hand.” Terwijl het lichaam van Marije naar een chalet wordt gedragen, gaan wij eindelijk de honden uitlaten en zien de helikopter weer vertrekken. 

Die dag passen we nog een paar keer op de honden zodat de man de politie te woord kan staan, afscheid kan nemen van zijn vrouw die naar het mortuarium wordt gebracht en als hij ‘s avonds daar nog een keer heen gaat. En alsof het weer, de zon niet passend vindt, betrekt de lucht en begint het te regenen. Pas aan het einde van de middag wordt het droog terwijl het blijft rommelen in de bergen. ’s Nachts komen de zwager en zijn dochter vanuit Nederland aan die de volgende ochtend naar Nederland gaan rijden. We zwaaien de weduwnaar en zijn honden uit. De caravan blijft staan, die wordt later door de verzekering naar Nederland gebracht. Ze rijden nog langs het mortuarium om kleding en paspoort af te geven. Vanochtend heeft hij, na de autopsie, gehoord dat ze naar Nederland mogen: de weduwnaar en het lichaam van zijn vrouw dat per vliegtuig naar huis zal gaan. Wil René en ik houden elkaar stevig vast, als willen we bezweren dat ons dat niet gaat gebeuren. De rest van de dag rommel ik wat rond, de gebeurtenissen herhalen zich in mijn hoofd. Zo droevig, én tegelijkertijd blij dat wij elkaar nog hebben. Een week later, net voordat we vertrekken, horen we dat het lichaam van Marije nog altijd in het mortuarium ligt. Poeh.


De bergen geven wat afleiding. Ik kijk graag naar de rotsen, de waterval, de dennenbomen. Wat zou ik graag naar boven wandelen zoals vroeger. Als twintiger liep ik met een rugzak van hut naar hut. Vandaag heeft Wil René een piepklein stukje van een route gewandeld (kwartier heen en kwartier terug). Dat stukje wil ik ook doen. We wandelen tussen weilanden en door een bos op een pad dat steeds steiler naar boven gaat. Als we terug willen lopen, zien we tussen de bomen een karrenspoor dat naar beneden leidt. Dat is een beter plan. We passeren een beekje en een kudde koeien die slechts gescheiden door een draadje, op ons toelopen. Het rund met de grootste horens draaft, luidt loeiend, naar het draadje, gevolgd door nieuwsgierige kalveren. We lopen stoïcijns door, enigszins gespannen en op onze hoede. Na een half uur zijn we weer terug. Dat ging goed. Op de camping zitten twee mannen met grote verrekijkers te turen naar een berg van 2900 meter hoog. Ze hebben steenbokken gespot, het dier dat het logo van het natuurpark Gran Paradiso vormt. Ze spotten twee groepen met jongen. Een van de kijkers blijkt van een Nederlander te zijn wiens verrekijker tot 65x kan vergroten. Hij maakt voor mij een foto met mijn mobiel van de steenbokken.   

    

Op een kaart van dit dal zie ik, dat er een eenvoudige route loopt langs de rivier, naar het volgende dorp. Ik schat dat het zo’n 5 km is, heen en terug. Dat is misschien wat ambitieus. Ik heb ook gezien dat er vier maal per dag een bus door het dal rijdt. Als we nou één halte meerijden en dan zo’n 3 km teruglopen? Ja dat gaan we doen. Om half tien staan we met een rugzakje bij de bushalte in het dorp. We wachten, maar geen bus. Ik overweeg om dan toch maar de hele route te lopen, als de bus vanaf de andere kant stopt. Blijk ik een uur te vroeg te zijn. Stom, stom, stom…. Boos op mezelf, lopen we terug naar de camping. Het is inmiddels al weer warm, en om dan over een uur pas te vertrekken, lijkt me geen goed plan. We besluiten met de camper naar

Aosta te rijden om boodschappen te doen. We parkeren de camper bij een hypermarkt, halen de fietsen eraf en pakken de regenjassen in de fietstas, want het spetterde al onderweg. We fietsen langs het industrieterrein, het spoor en de snelweg de stad in. Zo maakt de stad geen goede indruk. Het centrum is dan weer wel aardig. Een lang lint met winkeltjes dat aan beide uiteinde Romeinse poorten heeft. De stad doet me eerder aan Tirol denken dan aan Italië door de vele bloembakken met geraniums. Aosta is omgeven door bergen (oa Gran Paradiso, Mont Blanc, Matterhorn, Monte Rosa) dus de winkelstraat heeft veel (berg)sportzaken.  Onze timing is alleen niet zo best. De meeste winkels gaan dicht als we het centrum in fietsen, zelfs de kathedraal houdt middagpauze. Dat is dan weer wel Italiaans. Evenals de menukaart met bruchetta, panini, spaghetti ed.   


Als we het winkelkarretje bij de hypermarkt hebben volgeladen, zodat we weer een paar dagen kunnen koken, breekt de zon door. Het kwik stijgt snel voorbij de 30 graden. Snel terug naar de vallei van de Rhêmes. En we zien de temperatuur zakken. Aosta ligt op 500 meter, de camping op 1150. Niet alleen de temperatuur daalt, maar ook de wolken die de zon afschermen. Toch ben ik benieuwd naar het einde van het dal, en rijden we de camping voorbij. Na 13 kilometer zijn op bij het eindpunt: een parkeerplaats op 1875 meter hoogte waar veel wandelroutes  beginnen. Het uitzicht vinden we tegenvallen. De temperatuur is nog maar 20 graden en het begint te regenen, wat onze waardering voor de plek zeker negatief beïnvloedt. De weg zelf is opmerkelijk. Niet dat hij naar boven toe steeds smaller wordt, maar door de vele tunnels. Het is ons een raadsel waarom ze die dure tunnels hier aangelegd hebben. Deels zorgen ze ervoor dat de wegen in deze lawine-gevoelige vallei begaanbaar blijven. Maar zoveel mensen wonen er nou ook niet daarboven. Het toerisme is vooral in de zomer want het is maar een heel klein skigebied. Er is één lift die ook alleen in de winter open is. Maar verder geen liften of pistes. We kunnen ons niet veel wintertoerisme voorstellen in dit dal. De investering blijft een raadsel.


Als we nu toch hoger zijn, gaan we kijken bij een restaurant. Op de camping vertelde iemand dat er halverwege naar boven een goed restaurant is. We overwegen om erheen te fietsen, alleen staan de openingstijden niet op hun website. Jammer, de keuken gaat pas om half acht open. Dat is voor ons te laat, want dan zouden we in het donker terug moeten fietsen door schaars verlichtte

tunnels. We gaan zelf wel koken. Als we terug op de camping zijn, komt er een stank van verbrand rubber op ons af. Het blijken onze banden te zijn. Vooral de voorbanden zijn heet. Als we die koelen met water moeten we voorzichtig zijn met de remschijven. Daar komt de stoom vanaf.


De camping heeft een bar, waar op een grote tafel geplastificeerde wandelkaarten van het hele gebied liggen. Ik bekijk de route die ik nog altijd wil lopen, en zie dat deze kaart een andere route aangeeft en een ander nummer heeft dan op de kaart op het bord in het dorp. De campingbaas vertelt dat het niet uitmaakt, want de route is, vanwege een lawine in het voorjaar nog afgesloten. Ze moeten het pad nog repareren. Oh, ik blij dat ik gisteren de bustijd verkeerd had. We hadden anders voor een geblokkeerd pad gestaan. Ze wijst een andere route aan die goed te lopen is en die is maar 10 km. Als ze hoort dat ik niet zo goed kan lopen, wijst ze aan, dat we halverwege de route naar beneden kunnen, of daar beginnen: “het is maar tien minuten stevig naar boven lopen”. Ik laat me niet ontmoedigen en de volgende ochtend vertrekken we met rugzak en stokken naar de kerk in het dorp die al 50 meter hoger ligt. Vandaar loopt er een karrespoor dat heel langzaam stijgt. We lopen aan de schaduwzijde van het dal tussen de hoge bomen. Af en toe hebben we uitzicht op het hele dal, we zien de camping in de zon baden. Als we na driekwartier al bij de short cut komen – ongeveer op de helft van de hele route, wik en weeg ik of we naar beneden gaan, of

toch de hele route lopen. Het lopen gaat prima, het is er koel. Anderzijds is de terugweg wel aan de overzijde tussen de weilanden, dus in de volle zon. Dat pad gaat dan wel weer naar beneden wat lichter lopen is. Ik blijf een tijdje op een hek zitten uitrusten en dubben. Ja, ik ga het gewoon proberen, eh nee dat kan niet, ik ga het doen! Op driekwart van de route pauzeren we weer en steken daarna de weg en de rivier over.  Het eerste stuk gaat stevig naar beneden. Het pad zit vol met vlinders, kleine blauwe, oranje en zwarte.  Ze snoepen van de mineralen die op het pad liggen. We lopen langs een ondergrondse gang. Het blijkt een waterkrachtcentrale te zijn die energie opwekt door het snelstromende rivierwater dat naar beneden stort. Acht kilometer hogerop wordt een deel van het rivierwater in ondergrondse pijpen geleidt en stroomt hier weer in de rivier. Met de opgewekte energie wordt een stadje verderop voorzien van stroom. Na 6,5 kilometer en 2 uur wandelen (én rusten), zijn we terug op de camping. De laatste kilometer was erg zwaar en warm. Ik plof op mijn stoel en ben trots dat ik dit heb gedaan. Uiteraard heb ik (spier)pijn, maar het is minder dan ik verwacht had. Dus loop ik voortaan iedere dag half uur, wel met mijn nordic walking stokken voor balans.


En dan hebben we weer een K-klus. Een van de draden van de hor is (weer) geknapt. Inmiddels is het routine: hor losschroeven, demonteren, nieuwe vlieger-draad rijgen, in elkaar zetten, monteren en afstellen. Wel weer anderhalf uur bezig.  


En uiteraard schilderen we veel. Ik maak een portret van mijn broer met drie kleuren: groen, geel en roze. Roze mengen

met groen geeft een heel donker paars terwijl geel en roze een oranje kleur geeft, groen met geel geeft natuurlijk licht groen. Niet dat mijn broer een kleurrijk figuur is maar ik had zin om met spatels te werken en dan is zo’n beperkt kleurenpalet lekker werken. Hij is wel een beetje ijdel, ik ben benieuwd wat hij er van vindt. Nee, hij weet nog van niets. Wil René schildert de vrouw van mijn broer. Gewoon met kwast. En nee, zij weet ook niet

dat ze geschilderd is.  Wil René maakt bij een ander portret - dat nog niet af is – gebruik van aanwijzing van ChatGPT. Hij heeft moeite met de juiste kleur te vinden van huid, dus heeft hij ChatGPT gevraagd met welke kleuren olieverf - merk Cobra - hij het portret moet maken. Tot zijn verrassing krijgt hij zeer gedetailleerd uitleg welke kleuren hij moet gebruiken, en wat de mengverhouding moet zijn voor onderdelen van het portret. Ik moet zeggen het hem echt helpt. (volgende blog te zien – denk ik)

Zelf maak ik nog een portret waarbij ik geen foto als voorbeeld heb, maar een schilderij van Derain [ii]. Al schilderend, besluit ik er mijn eigen beeld van te maken. Ik verander de emotie in verdrietig/machteloos toezien, met behulp van mijn eigen gezicht en plaatjes kijkend op internet. Het meisje is wat ouder geworden dan ik wilde, maar a la, ik ben wel tevreden. Een dag later schilder ik de achtergrond die moet passen bij dat verdriet. Benieuwd hoe je het naar dit schilderij kijkt.     

Na tien dagen, die we wandelend en schilderend hier doorbrengen, vertrekken we. Regen is de spelbreker. We zijn twee dagen langer gebleven dan onze voedselvoorraad. Dus zijn we maar een keer uiteten gegaan, en de andere keer halen we pizza bij een foodtruck, die sinds vandaag in het dorp staat. Voordat we de pizza eten,

wandelen we naar een boer die melk, yoghurt en kaas verkoopt. Misschien kan ik hier iets wat op kwark lijkt, scoren. Italië kent namelijk geen kwark. Ik koop meestal 1 kilo Griekse yoghurt bij de Lidl. In de supermercato betaal je daarvoor de hoofdprijs: 3,50 euro voor 500 gram. De boer verkoopt wel een fromage fresco, alleen is die niet lepelbaar. Dus koop ik maar gewone yoghurt. In de stallen zie ik een aantal koeien die de basis van de yogurt hebben geleverd. Ze zijn net gemolken en staan met hun staarten opgeknoopt in de stal wat hen niet lijkt te hinderen, ze zwaaien er mee.


De weersvoorspelling is een belangrijk richtsnoer geworden voor onze reis. Als we zien dat het vanaf zondag tot zeker dinsdag gaat regenen, is het tijd om de bergen weer te verlaten. We besluiten maandag te gaan, want als het regent, kunnen we toch niet veel en dan is rijden wel een goede invulling. Zondag spettert het een beetje s’avonds, maar maandagochtend is het verrassend genoeg stralend weer. We gaan eerst hier maar wandelen, want als het straks regent, heb ik daar geen zin in. We rijden weer in de richting van Genua naar een naturistencamping waar het de komende dagen rond de 25 zal zijn. De reis van bijna 250 kilometer is ook, tot onze verbazing, onder een bijna strakke blauwe hemel. Nu duimen dat de beloofde temperatuur wel klopt.      

 

 Voetnoten

 

 

 

 

 

 

  • 29 jun 2025
  • 13 minuten om te lezen

19 - 26 juni 2025 – Taormina, Siracusa, Agrigento, Palermo


De straat van Messina ken ik alleen van aardrijkskunde, maar nu steek ik ‘m over met de veerboot. Het waait er zo hard, dat ik mijn zonnebril niet durf op te zetten, bang dat die van mijn neus waait. De oversteek is maar 20 minuten. Dan rijden we Sicilië op, de verkeerschaos in. We zijn gewaarschuwd dat Siciliaanse chauffeurs agressief rijden. Agressiever dan in de rest van Italië. Wil René vindt dat het wel meevalt. Het lijkt op Marokko, waar je ook je plek moet innemen in het verkeer. En net als daar, moet je bedacht zijn op links én rechts inhalende scooters, motoren en auto’s; plotseling overstekende voetgangers; en verkeer dat spontaan invoegt. Beetje flexibel rijden, is zijn devies. De automobilisten geven je echt wel ruimte, al is het soms maar n paar centimeter.

Ik ga hier niet achter het stuur zitten en ik ben blij toe want we komen regelmatig in situaties waar het millimeterwerk is. Bijvoorbeeld in een dorp waar het markt blijkt te zijn, en we langs bezoekers, vrachtwagens kruipen. Of waar een tegemoetkomend busje en het vrachtwagentje voor ons, allebei tegelijk door een smalle straat willen, waar ook auto’s geparkeerd staan en scooters zich er tussenwurmen. Dat inschatten van de breedte van de camper, daar ben ik niet goed in.

Ondanks al die situaties die goed aflopen, gaat het toch 'n keertje mis. Een stom geel paaltje bij een supermarkt. Zoekend naar een parkeerplek, ontstaat er chaos met auto’s die aan verschillende kanten om de camper heen (willen) rijden. In een poging tussen die auto’s te manoeuvreren, ziet Wil René de betonnen voet van het paaltje over het hoofd. Gevolg is een scheur in de zijkant. En dan moeten we nog bekijken wat die andere schade is.

Onderweg, op een van de weinige snelwegen van Sicilie, worden we ingehaald door een auto. Die auto gaat even later steeds langzamer rijden. Wil René haalt in en ik zie een jonge man, die net als veel automobilisten zonder airco, met het raam open rijdt, elleboog naar buiten. Als we ‘m bijna ingehaald hebben, horen we een klap. In de zijspiegel zie ik niets, maar ik weet meteen dat dit de spiegeltruc is. En ja hoor, de auto haalt ons weer in, druk gebarend dat we naar de kant moeten. Hij rijdt naar de vluchtstrook, en inmiddels is zijn gebaar “betalen” geworden. Ik schud mijn hoofd ontkennend, en gebruik het typische Hollandse vingertje. We rijden hem voorbij. Even volgt hij ons nog, maar als hij ziet dat we niet gaan stoppen om ter plekke de schade te bekijken, laat hij ons gaan. Wat hij hoopte te bereiken, is dat wij stoppen na de klap, en dat hij met veel misbaar eist dat we de (oude) schade aan zijn auto vergoeden. Uiteraard ter plekke, en in cash.  Op internet wordt er vaak gewaarschuwd voor deze en vergelijkbare trucs in het Middellands zeegebied.  Dus wij rijden door en vervolgen onze route. De gaan de schade wel bekijken bij de supermarkt, onze volgende stop over 20 minuten. Als we de parkeerplaats van de supermarkt oprijden, raken we dus dat paaltje. En dat blijkt de enige schade te zijn. Wat de klap, die we hoorde, veroorzaakt heeft, weten we niet. In ieder geval geen steen, zoals ik op verschillende sites lees. 


Dus geen camperrijden voor mij op Sicilië. Fietsen in dat drukke verkeer, vind ik dan wel weer grappig. Uitdagend om zigzaggend door het verkeer te rijden, en vaak haal ik drie keer de zelfde auto in. Het is wel zo, dat ik dan weinig van de omgeving kan zien, omdat ook het asfalt (of het gebrek er aan) mijn aandacht opeist.  Ik ben wel een bezienswaardigheid. Er zijn niet veel fietsers op dit eiland en die enkeling is een man. Met mijn jurk ben ik direct herkenbaar, en krijg regelmatig een duimpje, van mannen uiteraard.


Maar voor ik op de fiets stap in Sicilië, rijden we door de regen!?! naar Taormina. Dat is een vreemde gewaarwording. De laaghangende bewolking verhult de bergen die we passeren. We rijden langs de kust, een lange strook met (vakantie)huizen, vanaf Messina naar het zuiden. Vlakbij Taormina is een camperplek van waaruit we misschien fietsend naar de stad in de heuvels kunnen gaan, mits het droog is. Onze Zwitserse buren raden het af, want allereerst is het een drukke weg met touringcars en ten tweede kun je in Taormina zelf niet fietsen vanwege de drom toeristen die zich door de straatjes persen. Allebei geen reden voor ons om het niet te proberen. Het is 4 uur in de middag en droog genoeg om de helling naar boven te fietsen. We komen geen bussen tegen en de automobilisten passeren ruim genoeg. De helling is een stevigere uitdaging dan gedacht, zeker voor Wil René die niet tijdig genoeg heeft teruggeschakeld en een stukje moet afstappen.

Boven bij de stad zien we inderdaad de drukte en parkeren toch de fiets. Taormina is beroemd om het Grieks/Romeinse amfitheater met een werkelijk fantastisch uitzicht (drones verboden). Daarvoor wil ik wel een keer in de rij om een entreekaartje te bemachtigen. en zit een tijdje op de bovenste tribune te genieten. We wandelen verder door een gezellig, drukke en luxe winkelstraat. We passeren twee kerken en in beide is een trouwerij. Als ik de gasten zie, voel ik me pas echt in Sicilië (als in film). Mannen met brillantine in het haar en zwarte dure pakken. Een jongetje op de schouders van zijn vader heeft een speelgoed mitrailleur.  

Eigenlijk wil ik graag de Etna zien, maar ook vandaag is het bewolkt en, hoewel onze Zwitserse buren al twee keer met de stadsbus naar de Taormina zijn gegaan, hebben wij het hier wel gezien. De camperplaats is ook geen reden om te blijven en de dreigende hitte over een paar dagen, stuwt me voort. Er is een parkeerplaats op 2500 meter maar met deze wolken zullen we het vulkaangebied niet zien. Ik plan een route om de Etna heen in de hoop een glimp op de vangen. En hoewel de zon schijnt blijft de vulkaan in de wolken. Halverwege begint het zelfs weer te regenen. Om ons heen zien we veel zwarte lavavelden die bebouwd worden met druiven, olijven én … bomen. Het lijkt wel een woekerende soort waar af en te een huisje in schuilgaat. Als ik de plant opzoek, blijken het pistachebomen te zijn. Het groene goud van de Etna, lees ik bij het plaatje van de pistache.

  

Eindbestemming vandaag is Siracusa. Ooit een van de belangrijke steden in het Magna Greca

(Groot Griekenland) en de woonplaats van Archimedes, de grote natuurkundige uit de oudheid. Zijn uitroep Eureka leerde ik op school en het had iets te maken met een bad. Wat ik niet wist, is dat hij ook uitvinder was van de katapult, hijskranen, een megagrote catamaran, waterschroef en diverse oorlogswapens. Hij bezorgde zijn stad het imago

van onneembare vesting. Toch wisten de Romeinen de stad te veroveren, wat ook de dood van deze wetenschapper werd. Dat alles ontdek ik in een museum in de stad dat ook aandacht besteedt aan Da Vinci. De spiegelkamer levert een grappige foto.

De stad heeft, net als andere oude steden, veel kleine steegjes. Sommige eindigen in een binnenplaatsje dat net genoeg ruimte biedt voor een scooter en een tafeltje. En mij dwingt om met de fiets achteruit te lopen tot een zijstraatje. We zijn vroeg dus die kleine straatjes zijn lekker koel.

Als de zon hoog staat en de straatjes geen schaduw meer bieden, gaan we terug naar de camping waar we gisteren aankwamen. De oude eigenaresse komt, leunend op een stok, om ons in te schrijven. Om haar heen liggen en lopen veel katten. Het zijn er zo’n 20 of 25. Ze komen aan het eind van de middag naar de receptie, want daar krijgen ze te eten. We zullen ze nog vaak zien, want ze liggen graag op ons kleed. Het terrein heeft geen afgebakende plekken en we mogen zelf bepalen waar we gaan staan. Dat is voor Italië heel afwijkend. We kiezen voor een plek onder hoge parasoldennen die veel schaduw geven. En niet alleen katten vinden onze uitgekozen plek fijn, ook de duiven. En hoewel we hier maar twee nachten kamperen, zijn we een uur bezig met waterslang en borstel om de ergste duivenstront van de luifel en het dak af te krijgen.   


Sicilië is een paradijs voor mensen die geïnteresseerd zijn in de oudheid met zoveel grieks-

romeinse ruïnes. Hoewel ik meer belangstelling heb voor de tijd na de middeleeuwen zijn sommige tempels echt wel indrukwekkend. Het summum ligt bij Agrigento. Hier ligt de tempelvallei. De drie uur durende route daar naar toe is een wat monotoon heuvellandschap, met plastic kassen, wat citrusbomen en olijfbomen. Wat ik ook veel zie is ‘mijn’ Fiat panda 750. Mijn eerste auto, die ik in 1992 kocht om naar Wil René te kunnen gaan. Een rood tweedehands koekblik. Hier rijden ze nog steeds terwijl de laatste in 2003 uit de fabriek rolde. Ze zijn waarschijnlijk nog makkelijk te repareren, goedkoop en zeker makkelijk te parkeren. Als ik de eerste tempel op een heuvel zie liggen, word ik toch enthousiast. Vandaag gaan we de vallei niet meer bezoeken – te laat en te heet. We gaan op een camping staan die tussen de vallei en de zee ligt. We pakken de fiets, want dan voelen de 30+ graden minder heftig als op de camping. Zoals inmiddels de gewoonte zoeken we verkoeling aan de zee, op een terras.


Het tempelpark is pas om half negen open. Pas, zeg ik, omdat het dan al 28 graden is. Ik heb op internet gezien dat er taxibusjes rijden van de ene kant van het park (2,5 km) naar de andere kant. Bij de kassa wil ik vragen hoe dat zit, maar de man achter de kassa is chagrijnig en kortaf. Het is 4 km heen en weer lopen – en niet zeuren, lijkt hij te zeggen. Hij wijst naar de ingang van het park. “We moeten onze fietsen nog parkeren, waar kunnen we dat doen?” vraag ik. Knorrig wijst hij naar de autoparkeerplaatsen. Tjonge, zo’n man moet een andere baan zoeken. Als we de fietsen stallen, zie ik een taxibusje die voor 3 euro pp naar de andere kant rijdt. Als ik wil vragen, hoe dat werkt. Roept hij al, voordat ik mijn vraag heb gesteld, dat hij geen tijd heeft en loodst een groepje Italianen zijn busje in. Ik doe nog een poging, maar hij roept dat zijn collega er zo wel aankomt. Verbouwereerd blijven we op een nog lege parkeerplaats achter. Laten we maar gaan lopen en dan pakken we wel een taxi terug. De route voert langs resten van een grote Griekse stad waarvan de tempels en de stadsmuur nog zichtbaar zijn. De eerste ruïne blijkt samengesteld te zijn uit restanten eind 18e eeuw. Toen vonden Romantische kunstenaars en schrijvers als Goethe ruïnes helemaal geweldig. Van de volgende tempel van Zeus zijn alleen brokstukken over. Onderzoekers hebben wel een 8 meter hoog beeld gereconstrueerd van een Atlas, die samen met 7 andere beelden het dak van tempel hebben gedragen. Dan doemt de mooiste tempel op – hoog op de heuvel met in de achtergrond aan de ene kant de zee en aan de andere kant de “nieuwe” stad. Invallen van de Noormannen dwongen de toenmalige inwoners om hogerop te

gaan wonen.  Met de nodige pauzes, komen we aan de andere kant van het park aan. Wil René gaat op zoek naar het taxibusje. De chauffeur blijkt de chagrijn van vanochtend te zijn. Hij vraagt nu het dubbele omdat er geen andere passagiers zijn. “Hij kan doodvallen, ik ga teruglopen,” zeg ik boos. Of we kunnen de shuttle pakken die ik in het park heb gezien. Er rijdt er volgens mij maar één, dus moeten we wel geduld hebben. Als we weer het park willen inlopen, worden we tegengehouden en moeten we als brugman praten om binnen te komen want onze kaartjes zijn al ingecheckt. Na aan twee mensen ons verhaal vertelt te hebben, mogen we toch binnen, gelukkig. Want buiten het park is geen schaduw en dan zouden we toch met die chagrijn mee moeten. Een poos later, zoeven we in een grote golfkar nogmaals langs de meeste tempels. Eenmaal op de camping plof ik neer en ga meteen met mijn voeten in een bakwater zitten en later die middag …. zitten we weer in een strandtent aan zee.


We overleggen wat we gaan doen, vanaf donderdag wordt het zo’n 35 graden en dat blijft zo de komende twee weken. Ik heb al moeite met 31. Ook in de schaduw lijk ik de warmte nauwelijks kwijt te raken. En dan koelt het ’s nachts nauwelijks af (26 graden). Ik ben er klaar mee. Ik wil naar een koelere omgeving, waar het op zijn minst ’s nachts afkoelt. Ik start een zoektocht op internet en ontdek dat niet alleen Italië, maar het hele middellandse zeegebied, inclusief de Alpen, de komende dagen kampen met een hittegolf. Zelfs Nederland moet er aan geloven. En toch wil ik hier weg. Dus koop ik tickets voor een veerboot die vanaf Palermo naar het noorden vertrekt. De boot gaat overmorgen in de avond. Ik stippel een route uit naar Palermo en vind een camperplek op een volkstuintjescomplex, 20 minuten fietsen naar het centrum. Er zijn maar vijf plekken. Ik mail ze en krijg een appje terug dat we welkom zijn, inclusief info over het initiatief van de tuinen en de toegangscode van het hek.

Met de airco op de motor, is rijdend Sicilië ontdekken, nu de beste manier. De eerste stop op weg

naar Palermo zijn de Turkse trappen[i]. Wil René vliegt met de drone langs witte krijtrotsen die we vanaf boven nauwelijks kunnen zien. Onze route gaat verder over heuvels en door dorpjes. De volgende stop is een tempel die vanaf een afstandje te filmen is. In de tempelvallei mochten we niet filmen. Even, héél even, denk ik om naar de tempel te lopen, maar zodra ik de deur van de camper open doe, weet ik al dat het geen

goed plan is. Na het filmen moeten we weer een stukje over de snelweg. Ik merk dat ik alert ben op inhalende auto’s. Maar er is er geen een die zijn gaspedaal loslaat. Voordat we naar de tuinen rijden, gaan we de gasfles laten vullen. Nou vullen, we hebben een Italiaanse fles dus ruilen ze ‘m om. Binnen 10 minuten en tegen betaling van 18 euro, hebben we een volle gasfles. Kunnen we weer 7 weken vooruit.


De plek bij de volkstuintjes is er een onder een grote olijfboom. Yes, schaduw én een briesje. Er is een toilet en een douche die ondanks de krakkemikkige behuizing, heerlijk is. Palermo is de grootste stad van Sicilië, het verkeer is chaotisch doordat auto’s letterlijk dubbel geparkeerd worden en zo de beschikbare weg nog smaller maken. Ik vraag me af, hoe de bezitters van de auto’s die ingesloten staan, dat oplossen. Bij het strand van Agrigento zag ik een vrouw driftig toeteren, omdat ze ingesloten stond. Niemand kwam, zodat ze de strandtenten ging aflopen, opzoek naar de eigenaar. Palermo kent heel veel hoogbouw. Die afgaan lijkt me ondoenlijk.

Wij fietsen naar het centrum, en ik heb bedacht om zoveel mogelijk dingen in gebouwen te bekijken (hopend op koele plekken). De eerste is wat bizar. Het zijn gemummificeerde mensen. Een kloosterorde, Kapucijnen, hebben in de afgelopen eeuwen (1600 tot 1880) duizenden doden gemummificeerd, nadat ze

ontdekt hadden, dat hun doden in de catacomben gemummificeerd waren. Priesters maar ook de rijke inwoners van Palermo en andere celebraties vroegen om zo'n zelfde behandeling uiteraard tegen ruime vergoeding. Mummificeren werd een soort statussymbool en veel lijken hebben dan ook hun mooiste kleren aan, al zijn ze inmiddels deels vergaan en zitten onder het stof. De foto heb ik van hun website want fotograferen was, begrijpelijk, verboden. 


Het tweede gebouw bevat het No maffia memorial[ii]. Een deel gaat over het ontstaan, de ontwikkeling van de maffia en de bestrijding ervan aan de hand van een verhaal over de bandiet en terrorist Salvatore Giuliano[iii] (die zichzelf vergeleek met Robin Hood en tegelijkertijd bloed aan zijn handen had). De maffia die nog altijd onderdeel is van Sicilië. Het tweede deel gaat over opstaan tegen de maffia. Giuseppe Impastato[iv], geboren in een maffiafamilie, spreekt zich uit tegen de maffia als journalist en politiek activist. Inderdaad is hem inmiddels het zwijgen opgelegd. Sinds 2003 is er in Palermo een beweging die niet langer zwijgt. Addiopizzo[v]: “een hele bevolking die pizzo (beschermingsgeld)  betaalt, is een bevolking zonder waardigheid”.  Ze hebben drie acties. Een van de acties is dat ze mensen oproepen om alleen boodschappen te doen bij bedrijven die maffiavrij-zijn.  “ik betaal degenen, die niet betalen”.

Ik krijg een stadsplattegrond die me kan helpen waar ik wel moet kopen, eten, drinken. Als tweede helpen de vrijwilligers slachtoffers van bedreigingen, met het doen van aangifte én zo het zwijgen te doorbreken. En als derde richten ze zich op sociale inclusie -  oa. buurtvernieuwing, straatonderwijs. Ik lees dat veel jongeren hun middelbare school niet afmaken. Leerplicht is (nog) tot 16 en met de heersende armoede, is werken al snel een goede (korte termijn) oplossing voor een gezin. Die armoede is ook voedingsbodem voor de maffia, die jongeren rekruteren voor de drugshandel. Het uitroeien van de maffia die al zo lang onderdeel uitmaakt van de samenleving, is een enorme opgave. Ik ben onder de indruk van de moed en standvastigheid van de vele vrijwilligers van Addiopizzo. Mocht je naar Sicilie gaan, Addiopizzo orgraniseert ook maffiavrij toerisme, met tours en accommodaties. Jammer, wij varen vanavond (waarschijnlijk niet maffia-vrij).  

Het derde gebouw is een kunstmuseum. Niet heel bijzonder maar koel. Behalve de bovenste etage waar het luchtsysteem kapot is. Het loopt tegen vieren als we met de fiets naar de camper bij volkstuintjes gaan. Fietsend voel ik wind, maar zodra ik stilsta, voel ik hoe heet het is. Nog een paar uur, en dan kunnen we inchecken bij de veerboot.


De haven bereiken, is chaotisch door de stad rijden. We komen ogen te kort om de haven te vinden en ondertussen niets te raken. Eenmaal daar, sturen mannen je in een rij, in een poging wat orde te scheppen, maar eigenlijk om een centje te verdienen. Ik moet grinniken om het amateurisme en geef ‘n euro, om vervolgens eigenwijs door te rijden naar waar ik denk dat de ingang van de haven is – en dat klopt. Eenmaal binnen, komen we in de rij met andere campers.

Wachten, wachten, wachten. Pas als iedereen de boot is opgereden, mogen de campers. En als we om de hoek naar de ingang rijden, zien we waarom. Alle campers moeten achteruit de helling oprijden. Met vijf, zes man die instructie geven, is dat niet eenvoudig. Het is een grappig gezicht. Voor de lange campers worden er dikke matten neergelegd, waar ze op moeten rijden, zodat de achterkant hoger komt en niet tegen de helling aan botst. Het grote voordeel van het lange wachten is wel, dat we als een van de eerste de boot af kunnen rijden, voor de chaos, hopelijk.     


Op de boot denk ik na over wat ik van Sicilië vind. Eerlijk gezegd waren mijn verwachtingen hoger. Misschien door de verhalen van anderen. De hitte heeft het ontdekken ook veel moeilijker gemaakt. Het was meer een flitsbezoek, en vooral gezien vanuit de camper. Achteraf bezien, hadden we beter eerst met de boot naar Palermo moeten gaan en dan via Calabrië en Puglia langzaam de laars omhoog. Tja, dat is de tol als je niet echt een plan hebt. En ook voor Albanië, Griekenland en zo, is juni echt te laat. 


Na 24 uur varen, komen we om 9 uur ’s avonds aan in de haven van Genua. En ja hoor we rijden als vijfde van de boot. Met gebruik van de tolweg, rijden we een uurtje naar het noorden en overnachten op een parkeerplek. Morgen denken we wel na wat de volgende plek gaat worden.


Voetnoten

[i] Zie tabblad video of kijk in Youtube https://www.youtube.com/watch?v=whrcia-_j_8

  • 21 jun 2025
  • 8 minuten om te lezen

13 - 19 juni 2025, Calabrië - Papasidero, Diamante, Caulonia Marina, Villa San Giovanni


Na het heuvelachtige Puglia, zien we in Calabrië bergen. Ik word altijd vrolijk als ik ze zie. Ik heb een plek uitgezocht in Pollino nationaal park. En ik ben verrast. Dit is een on-Zuid-Italiaanse omgeving. Uitzicht over bergen en weiland met koeien – idyllisch.

De camperplek is eigenlijke een grote picknickplaats met banken, prullenbak. Maar ook met wc’s

en douches in een houten hut. We zetten de camper onder hoge bomen en een lekker briesje maakt het aangenaam. Prachtig uitzicht en stilte. Tot half zeven want dan hoor ik bellen.  De boer brengt zijn schapen en daarna de geiten naar hun hok. De volgende ochtend brengt hij ze weer naar een weiland verderop. Ze lopen dan langs de camper.   

Behalve dat het een heerlijke plek is, kun je er ook raften. De zonen van de boer regelen dat. Dus ja, wij willen ook wel. Dat kan, morgenochtend. We staan om 9 uur klaar zoals afgesproken. “Of we nog wat geduld hebben, want er komen nog twee Italiaanse gezinnen, die zijn wat te laat.” Geen probleem, zet ik gewoon nog 'n kop koffie. Wat later blijkt anderhalf uur te zijn. En dan kan ik een wetsuit aantrekken, krijg een reddingvest en helm mee. We dalen met een busje 400 meter naar beneden naar de rivier de Lao. Daar krijgen we een briefing … in het Italiaans. Want de jongens spreken geen Engels (of Duits). Door het voor te doen, begrijp ik wat de bedoeling is. We delen de boot met een familie, waarvan de vader fanatiek zijn zoon verbetert als hij het niet

goed doet. Och arme. Jammer genoeg mag ik niet met de jongen ruilen van de gids, iets met mijn gewicht? We raften 2 uur door kloven met stroomversnellingen. Onderweg zien we watervalletjes, rotsen met varens, hoefblad, vijgenbomen. Bij een grote waterval mogen we “douchen”. Even

stokt mijn adem als ik er onder ga staan, maar ik heb het warm genoeg.  Waar de rivier diep is, mogen we ons mee laten drijven met de stroom. De twee uur vliegen om omdat de omgeving prachtig en ongerept is. De rivier ligt verscholen tussen de rotsen en bomen, er is geen mens te bekennen. Later als we met de drone de rivier zoeken, zien weer hoe beschut hij ligt.     

Onze voedselvoorraad is op maar de boerderij heeft ook een restaurant. Zo kunnen we nog een nachtje blijven. We hebben met google translate afgesproken dat we om zeven uur gaan eten. Dat wordt weer “iets” later. We begrijpen dat de keuken nog niet klaar is. Die uitleg geeft de (schoon)dochter met haar jongste aan de borst. Later blijkt ze de kok en ober te zijn. Met dezelfde korte broek en oud T-shirt. Authentiek, zullen we maar zeggen. Het menu bestaat uit

keuze tussen twee gerechten – feitelijk eten wat de pot schaft. Antipasta is of pasta of lokaal vlees en kaas. Ik kies dat laatste, wat prima smaakt – al weet ik niet welke kazen ik eet. Waarschijnlijk ricotta, jonge schapen- en geitenkaas gezien alles van de boerderij komt. Duurzaam, 0-km voedsel, lees ik later in de reviews. Voor het hoofdgerecht maak ik de verkeerde keuze: gnocchi (meelballen) met overgare courgette en hier en daar de inhoud van een worst. Het heeft nauwelijks smaak. Wil René heeft varkensvlees (kotelet) met gebakken aardappelen met paprika. Hoewel we om 8 uur eten zijn we (te) vroeg voor het vlees van de BBQ want hout staat pas net in de fik. De BBQ-meester is de boer zelf, die naast ons met vrienden aan tafel zit en tegenover me zit een vader met vier kinderen en hun partners. Meer gasten dan ik verwacht had op deze afgelegen plek.  


Nu het brood op is, het drinkwater bijna, en er geen ingrediënten meer zijn voor maaltijd, moeten

we naar “bewoonde wereld”. De dichtstbijzijnde supermarkt is namelijk een half uur met de auto. Het wordt (weer) de toeristische wereld van de kust. Voordat we vertrekken, schrobben we het dak van de camper. Wil René ziet een oude vrachtwagen staan en parkeert ‘m tot verwarring van de boer, strak ernaast. We gebruiken de laadbak als trap.

 

Terwijl we naar de kust zigzaggen en ondertussen nog opnames van de Lao maken (zie video[i]), trekt de bewolking weg en stijgt de temperatuur weer aanzienlijk. Op de camping bij Diamante vinden we ‘n redelijk schaduwrijk plekje, maar met die vochtige warmte krijg ik ‘n knallende koppijn, voel me suf/slaperig. Wil Rene zet mijn voeten in een bak koud water, waar ik van opknap. Vervolgens vluchten we naar het terras aan zee waar nog een beetje wind is. Ik ga zwemmen in zee om af te koelen maar tot mijn verrassing is het water meer lauw dan koud. Het strand zijn fijne, hele hete steentjes, gelukkig is er op de camping een koude douche. Fijn!

Als we tegen vijven naar de supermarkt fietsen om de koelkast aan te vullen, wordt de lucht grijzer en begint het zelfs te spetteren. De druppels verdampen zodra ze de grond raken. En na die 10 druppels is en blijft het droog, en warm, helaas.

Ik heb Diamante uitgezocht omdat ze er muurschilderingen hebben en ik zag dat er nog een art festival hebben tot morgen.  Zodra we het stadje in fietsen, zien we mural die bijna klaar is. De kunstenaar, de Ier Aches, werkt met spuitbus aan een portret van zijn vrouw en een opa uit het dorp. “Hij verbeeldt meerdere generaties en culturen”, vertelt Giacomo. Hij is de curator van het festival en vormt met twee broers het streetartproject Gulía Urbano[ii] (Gulía betekent wens in het Calabries, en is geen meisjesnaam zoals ik denk). Ze doen

al 10 jaar projecten in Calabrië om zo de streek op de kaart te zetten en met straatkunst bij te dragen aan stedelijke structuur en sociale inclusie. Giacomo kent ook Nederland. Als Wil René vraagt of hij dan ook Judith de Leeuw (Straatartiest JDL uit Amsterdam) kent, wil hij meteen weten of Wil René haar persoonlijk kent. Nee, alleen als artiest. Ik refereer aan de docu[iii] die over haar is gemaakt. Daarin is ze woedend te zien bij het maken van een werk in Italië omdat een beamer verkeerd heeft geprojecteerd en ze een deel van het werk opnieuw moet doen. Yep dat waren zij. Het gaat over het werk “Love is stronger than death” dat ontstaat na aanleiding van de dood van haar vader met wie ze een moeizame relatie had. 

Terwijl Giacommo vertelt, zijn de bejaarde eigenaren van de appartementen naar beneden gekomen. Ze delen koekjes, wijn en limoncello uit. Ze zijn enthousiast over de metamorfose van hun muur. Na drie cakejes is onze honger wel gestild en verkennen we de stad op andere, kleurrijke muren. In deze stad worden al sinds 1982 kunstwerken op muren geschilderd. Dus we zien naast vervaagde muren ook recentere muren. Het zijn er tientallen.

 In de schemer komen we terug op de camping en gaan daar maar pizza eten. Op een voor Italië normale tijd: 20:15 uur.  

De volgende dag gaan we kijken hoe de nieuwe muurkunstwerken gevorderd zijn. Die van Aches is af, zijn handtekening staat erbij. De spanjaard Slim Safont is nog bezig. Hij werkt niet met spuitbus maar met hele dikke kwasten en heel realistisch. Als we ’s avonds nog een keer gaan kijken is hij over de helft van zijn enorme muur. Hij zal ook na het festival aan het schilderen zijn. We missen nog één mural en al fietsend zie ik een van de mannen van Gulía Urbano. Hij wijst ons waar we moeten zijn, nou ongeveer. We cirkelen door de wijk en zien een mooie kraai van bladeren maar die is van vorig jaar. Na nog vele straten in en uit gefietst te hebben, vinden we de “klimmer” van Eduardo Ettorre. Deze kunstenaar gebruikt waarschijnlijk verfrollers (het werk is af, alleen de emmers staan er nog). Er zijn dus drie kunstenaars met verschillende stijlen en verschillende technieken aan de slag. Leuk om te zien hoe ze gemaakt worden.

 

Diamante blijkt een creatieve stad. In een straatje zien we dat er haakwerk boven de weg, en aan de gevel, wordt gehangen. Een van de vrouwen vertelt dat er zestig vrouwen in 2 maanden bijna 2000 cirkels hebben gehaakt.  Eén van de andere vrouwen herken ik van gisteren. Het is de enthousiaste flatbewoner die ons probeerde vol te stoppen met zelfgebakken cake.    

De middag breng ik door met mijn voeten in een bak koud water, en af en toe een koude douche. De zee is in de middag te ver. De korte wandeling is me te heet. Morgen gaan we weer verder. “Ze” voorspellen dat de voetzool van de Italiaanse laars lagere temperaturen heeft. We gaan het zien……


Het klopt. Bovendien hangen er groene doeken op de camping waar we onder kunnen staan. Die schermen de zon af. Dat scheelt een paar graden, en helaas toch ook wel, (te) veel licht. We hebben net onze stoelen uit gepakt, als Coby komt kletsen. Een stortvloed van verhalen volgen: ze waren tot vorig jaar inspecteur van Acsi-campings in Calabrië, hebben ze 23 jaar gedaan, ze heeft net ‘n hernia, haar man is oud militair en zijn voet is vastgezet, ze hebben ook een Challenger-camper gekocht waarvoor ze een kortgeding aangespannen tegen de verkoper, die heeft hun belazerd, haar zwager ligt slecht in Alkmaar maar die is al 8 keer ‘doodgegaan’, ze heeft onrustige benen. Wij gaan snel de kust bekijken. In een strandtent genieten we van de rust, de wind en een drankje. We checken ondertussen het weerbericht voor de komende dagen en zien dat het nog een paar dagen koel is (minder dan 30 graden) en daarna stijgt het kwik weer. Inmiddels weet ik dat ik die hoge temperaturen slecht kan verdragen. Ik stel voor om morgen al naar Sicilië te gaan, waar het doorgaans ook heel heet is. Op internet zoeken we waar de veerboot vertrekt. Online kunnen we wel tickets regelen, maar dan moeten we er 2 uur van tevoren van zijn. En we hebben nog geen idee, hoe laat we in de haven zijn. Gaan we dus echt niet doen. We kopen daar ter plekke wel n kaartje. De overtocht duurt 20 minuten en ik lees dat er dagelijks wel 54 overtochten zijn. Kortom, we zien het morgen wel.


De volgende ochtend gaan we richting de veerboot. We slaan bij de camping rechtsaf, scheelt wat kilometers hoewel de camper-tomtom de andere kant op wil. Hebben we wel vaker als de weg onverhard is. Zo ook nu. Tot we bij het tunneltje onder het spoor aankomen. De hoogte moet lukken, de breedte.....?. Met aan iedere kant 1 cm rijdt Wil Rene stapvoets door de tunnel. Waarschijnlijk was linksaf bij de camping net zo snel geweest. Even later moeten we over een oude spoorbrug. Iets breder. Met redelijk hoge snelheid rijden we er overheen, voor het geval die het niet houdt.  


Voordat we de veerboot nemen, gaan we eerst een kijkje nemen in Musaba[iv], een voormalige ruïne van een middeleeuws klooster dat sinds 1969 door kunstenaar Nik Spatari is omgebouwd tot kunstmuseum. Hier heeft hij, tot zijn dood in 2020, aan gewerkt. Zijn werk is bijzonder kleurrijk. Dat geldt voor de gebouwen die hij heeft gemaakt, het mozaïek, de kapel, de hekken, elektriciteitspalen en de pilaren van de snelweg die vlak langs het landgoed loopt. Het plafond van de kapel is intrigerend omdat hij zijn evenbeeld en dat van zijn vrouw gebruikt voor de bijbelse taferelen. In een ander paviljoen heeft hij bijbelverhalen in mozaïek gemaakt. Knap.

Nog anderhalf uur rijden naar de haven waar we de veerboot naar Messina (Sicilië) zullen nemen. Eenmaal in Villa San Giovanni moeten we door een woud van borden, al rijdend, keuzes maken. Ik kies een veerbootmaatschappij op basis van het woord Tourist. Het volgende bord is: kaartjes kopen, wel of geen vrachtwagen – nee gewoon auto. Kaartje kost 60 euro. Dan begint het spoorzoeken naar borden die naar imbarco (inschepen) wijzen. Links, rechts, die baan, en dan staan we in de rij voor de veerboot. Die vertrekt over een half uur. Mooi, nog tijd om een boterham te eten en koffie te zetten. Ik kan Sicilië al zien liggen.   

 

Voetnoten

[i] video van het raften https://youtu.be/Osgi3lbYans

© 2025 Hellie van Hout

bottom of page