top of page
  • 3 aug
  • 17 minuten om te lezen

Haghpat, Gavar, Khndzoresk, Tatev, Arpi, Yerevan, Gyumri, 22 juli – 1 augustus 2026

 

De grens, het blijft een ritueel. Ook hier moet ik als bijrijder te voet de grens over. Paspoort laten zien, bril af, in de camera kijken, stempel in je paspoort en door. Het gaat alleen langzaam omdat er veel bijrijders de grens over willen. Wil René is met de camper sneller door de procedure dan ik. We zijn Georgië uit. Een kilometer verderop een herhaling bij de Armeense grens. Het grote verschil is de vriendelijkheid van de douane : welkom in Armenië. Voor Wil René is de procedure wat langer want hij moet wegenbelasting betalen en daarvoor moet hij naar een loket met paspoort en kentekenbewijs. Daar bepalen ze hoeveel we moeten betalen in … Armeense Dram. De pinautomaat staat naast het loket. Na de betaling krijgt Wil René 3 formulieren waarmee hij naar een volgend loket mag. Daar wordt alles gecontroleerd, zelf drie handtekeningen zetten en hij mag naar de laatste slagboom. Wederom paspoort en kentekenbewijs laten zien en dan gaat de grens open. Eindelijk want mijn heupen zijn pijnlijk van het staan. Net over de grens regelen we nog de verplichte WA verzekering en een SIM-kaart. En dan zijn we klaar om Armenië in te rijden. Het is hier 11 uur terwijl Nederland net begint met werken (9 uur). 


De Georgische grens ligt aan mijn rechterhand wat ik herken door de rollen prikkeldraad. Aan de

Georgische kant zag ik vanochtend raketten in een weiland staan gericht op Armenië. Toch zijn het geen aartsvijanden zoals de andere buren (Azerbeidzjan, Iran, Turkije). Armenië is net als Georgië orthodox christelijk en ze voelen zich meer verwant aan Europa. Beide landen zijn ook voormalig sovjet republiek en zijn sinds het uiteenvallen van USSR onafhankelijk. Georgië heeft inmiddels een openmarkt-economie. Armenië heeft door het gebrek aan zee en met vijandige buren zich economisch aangesloten bij voormalige sovjetlanden Rusland, Kazachstan, Belarus, Kirgizië - te bereiken via Georgië.  Die Russische oriëntatie herken ik ook direct aan de auto’s. Hier rijden nog Lada’s en Volga’s.    


Op de camping staat er ook nog een GAZ 21 Volga. De campingeigenaar vertelt vol trots dat de auto uit de jaren ’60 is, van zijn opa, en hij rijdt nog steeds. Die jaren ’60 zijn ook herkenbaar aan de trailer waar hij in woont.


Camping. Ja je hoort het goed. Na 14 dagen staan we weer op een camping: met douche, elektriciteit, gras, schaduw van fruitbomen, wifi. Bovendien is de temperatuur nog net geen 30

met een briesje. Het uitzicht is ook nog prachtig. Het is dat we deelnemen aan een reis anders waren we zeker een week blijven staan. Nu blijven we twee nachten en wandelen de volgende ochtend naar het klooster van Haghpat. Een pittige helling naar boven maar absoluut de moeite waard. Het middeleeuwse complex is weer anders dan de kloosters in Georgië. Geen koepels maar een verzameling ronde puntdaken. Een aantal hebben een gat in het midden zodat er daglicht binnenvalt. De grote lege ronde ruimtes binnen zijn indrukwekkend. En overal ontdek ik sierlijke details. Doordat we vroeg zijn, hebben we het complex voor onszelf.  


 


Aan de overkant van de kloof zit een dorp Sanahin. Hemelsbreed maar 5 kilometer, met de auto 3 keer verder. Ik kan het dorp zien liggen. Bij een van die huizen ligt een klein museum over twee broers  uit het dorp. Die hebben het ver geschopt toen Armenië onderdeel van de Sovjetunie was. De een was de ontwerper van het MIG gevechtsvliegtuig waarvan een exemplaar in de tuin staat. De ander was invloedrijk staatsman die na zijn reis naar Amerika zijn invloed deed gelden bij voedingsindustrie. Hij bracht de industrie op het idee om schepijs, hamburger en champagne te

maken. En bij gebrek aan sinaasappelteelt werd tomatensap bij het ontbijt geïntroduceerd. Hij moet een handig politicus zijn geweest om deze uitgesproken producten van het decadente westen in Rusland te introduceren ten tijde van Stalin. Beide broers, weliswaar geboren in Armenië, woonden in Moskou. De een ging voor zijn opleiding en bleef.  De ander als vooraanstaand lid van de partij. En als zodanig heeft hij geen schone handen. Toen Stalin de partij en het land “zuiverde” van ongewenste personen, werd deze broer naar Armenië gestuurd met een lijst namen. Hoe enthousiast hij daarover was, weten ze niet, maar nee zeggen tegen Stalin was zelfmoord.


We volgen zoals altijd in de bergen, de rivier die de kloven heeft uitgesleten. We stijgen deze reis van 900 naar 1900 meter. Onderweg doen we boodschappen. We zien bij de groenten kleine

bruine bollen liggen met een inkeping. We kopen een ons, en krijgen er een sleuteltje bij om de noten te  openen?! Ze zijn lekker. Wat denk je dat het is? Raden maar of spieken bij de voetnoten[1]. We kopen 3 soorten brood om te proeven. Een stukje roggenbrood, blijkt inderdaad zo te smaken. Een wit brood dat op het Georgische lijkt en een groot vel (Lavash) dat opgevouwen wordt en ik mee krijg in een plastic zakje. Het ziet er uit als een wrap XXL, het zal ook wel zo gebruikt worden. Het smaakt in ieder geval gewoon naar wit brood.

Het Armeens is zo mogelijk nog onleesbaarder omdat de 33 letters nog meer op elkaar lijken dan het Georgisch. De vertaalapp heeft er ook moeite mee maar een winkelbediende kan wat Engels en helpt ons met boodschappen doen. Հաց և մածուն եմ փնտրում։ Որտե՞ղ են դրանք։ (Hier zou moeten staan: Ik zoek brood en yoghurt waar staat dat?)


De volgende kloof leidt ons naar het Sevanmeer dat op 1900 meter hoogte ligt. Vergelijkbaar groot als het IJsselmeer. Daar ligt een klooster dat vroeger op een eiland lag, maar door de daling

van het peil , is het nu prima bereikbaar voor toeristen en dat merken we. Het valt niet mee een parkeerplek te vinden. Dan moeten we door een haag van toeristische kramen de trappen op. We zien veel granaatappels. Als fruit, als sap, als schilderij, als afdruk op schort en als beeldjes. Naast de afbeeldingen van het klooster zelf. Dat bestaat uit twee

kerkjes. Het ene puilt uit vanwege een trouwerij of doop. De feestkleding, camera’s en drone doen dat vermoeden. Het andere kerkje is ook vol met gelovigen en een verdwaald toerist. Gelovigen steken een kaarsje op, schrijven een kaartje met een wens en lopen achteruit - kruisjes slaand - de deur uit. Wat niet eenvoudig is want na de drempel volgt een trapje. De donkere kerkjes zijn van binnen ook niet zo bijzonder. De ligging (70 km van de hoofdstad Yerevan en het meer) zorgt dat er duizenden selfies per dag worden gemaakt.


We hebben de benen gestrekt en rijden verder langs de kust vol watertoerisme, campings, af en toe een hotel. Althans, langs het stuk weg dat naar Yerevan loopt. Na de afslag wordt het rustiger. Halverwege het meer zit onze overnachtingsplek: een kaasboerderij. We krijgen hier een rondleiding met proeverij. Wil René is geen kaaseter en bedankt. Nou, hij weet niet wat hij mist. De rondleiding beperkt zich tot een verhaal over het ontstaan (eigenwijze boerendochter)  en hoe

de kazen die we dadelijk gaan proeven, worden gemaakt. Ze maken andere kaas dan de meest voorkomende Armeense kaas: witte pekelkaas (Chanakh, beetje feta-achtig). Ze maken alleen kaas van hun eigen koeien en sommige kazen worden dagelijks met cognac ingesmeerd, anderen zijn in zwarte komijn, of roze peperkorrel gerold etc. Na dat verhaal komt het proeven – bij het zien van de kaasplanken loopt het water je in de mond en daarnaast staan twee glazen Armeens wijn.

Die kaasplank wordt onder commando’s steeds leger. “Nu proeven we nummer 3” “Nu nummer 3 in combinatie met vruchtensaus” “Ho, de rode wijn mag pas na kaas nummer 5.” Het fruit gebruiken we om onze smaakpapillen te neutraliseren en tussen door eten we de zelfgemaakte rauwe ham. Ondertussen noteren we wat we lekker vinden. Uiteraard om straks te kopen. Als ik anderhalf uur later bij de camper kom, die in het weiland staat, heb ik niet zo’n honger meer. Wil René is echter al aan het koken dus eet ik een klein bordje mie met teriyaki mee. Natuurlijk heb ik kaas gekocht die ze gevacuümeerd hebben: nr 2 en nr 7. Voor Armeens begrippen hééél duur en zelfs voor Nederlandse begrippen prijzig.    


Vlakbij de boerderij is een gigantische middeleeuwse begraafplaats met kenmerkende kruizen gehakt in stenen platen - khachkars - en grafbalken die vaak overwoekert zijn. Sommige

khachkars zijn wel 1,5 meter hoog. De recentere doden hebben de weg overgestoken. Opmerkelijk genoeg staan de stenen met hun “gezicht allemaal richting het westen” en wij zijn er in de ochtend. Fotograferen met tegenlicht dus. Dat maakt het lastig een mooi plaatje te maken.


We gaan steeds Zuidelijker. Het landschap wordt droger, weidser en imposant. We rijden 220 km en doen daar de hele dag over. De hoogte schommelt tussen de 1400 en 2400 meter. Een eerste stop maken we bij Orbelian karavanserai, een eeuwenoude rustplek op de zijderoute. Niet zo’n


imposant paleis als in Turkije, maar de ligging op een bergpas maakt dat het prachtig is. Terwijl wij van het uitzicht genieten, spoort een herder te paard zijn koeien aan om door te lopen naar boven. De camper is plots omringt met beesten terwijl de ruiter een achtergebleven koe met een stok opjaagt. De koe herkent de stok en rent snel naar de kudde die de weg oversteekt. De vliegen die de kudde volgen vinden onze camper ook interessant. Het wemelt ervan en we moeten flink wapperen om zonder insecten binnen te komen.  


De volgende stop die ik op internet zag, is een plek met menhirs. Zorats Karer. Stenen die

rechtop in het landschap staan. Grote en kleine. In een lange rij, in een cirkel. Veel liggen er plat, wat in dit aardbevingsgebied wel logisch is. We lopen er langs en verwonderen ons over de kleine ronde gaten die in tientallen stenen zijn geboord. Archeologen duiden het als een oud astrologisch observatorium terwijl anderen een begraafplaats als functie noemen. Een ander duidt de rij als resten van een stadmuur. Ach het is lekker weer en we wandelen door het gras langs de stenen. De gaten zouden een fluitend geluid maken als de wind goed staat. Het waait hard vandaag maar de wind staat blijkbaar niet goed vandaag.   


De route gaat verder tussen rotsen en stijgt naar een hoogvlakte. Uitgestrekt velden zonder bomen, bloemrijke weides waar imkers hun bijenkasten tijdelijk hebben staan. Bij de kasten staat een keet waar de honing uit de raten wordt geslingerd en in potten worden gedaan. In sommige keten lijken mensen te wonen.


We slingeren steeds hoger en rijden over de Vorotan pas van 2340 meter. Het eindpunt is een

grottenstad in de buurt van Goris. Met uitzicht op de Azerbeidzjaanse bergen, de grens ligt hemelsbreed 5 km verderop. Daarvoor rijden we 3 kilometer over een landweggetje naar de parkeerplaats van de grottenstad. Over die 3 km doen we 30 minuten. Ik klots van links naar rechts terwijl Wil René zijn best doet om de diepe kuilen en de tegenliggers te vermijden. Dit is echt de slechtste weg tot nu toe. We rijden iets verder door en parkeren de camper tussen de velden. En om te voorkomen dat we morgenochtend weer last van tegenlicht hebben, wandelen we meteen naar de kloof. Daar moet een hangbrug zitten om de grottenstad te kunnen bezoeken. Als ik de kloof zie, met heel ver onder me de “swinging bridge”, weet ik ,dat ik van een afstand de grottenstad ga bekijken. Jammer om de resten van een dorp waar rond 1900 nog 8300 mensen woonden en werkten, niet van dichtbij kan zien. Er is een uitzichtspunt waar ik met mijn camera film, en Wil René met zijn drone de kloof verkent. Zie filmpje.

De sovjets herhuisvestte alle inwoners in de jaren ‘50 naar gewone huizen in een nieuw dorp dat dan ook Nieuw Khndzoresk heet.  


Die afstand naar Azerbeidzjan is klein. Tegelijkertijd merk je niks van de vijandigheid. Ik zie alleen mooie weilanden en bergen. Pas als we bij de volgende stop zijn, wordt het zichtbaarder. Er staan daar grote borden waarin steun wordt gevraagd om de

voormalige minister van Nagorno- Karabakh,  Ruben Vardanyan, vrij te krijgen. In 2023

heeft Azerbeidzjan deze republiek, waar honderdduizenden Armeniërs wonen, ingenomen. Mensen zijn massaal op de vlucht geslagen. Azerbeidzjan arresteerde acht (voormalige) politici, die begin dit jaar tot levenslang of 20 jaar gevangenis zijn veroordeeld, waaronder Vardanyan. Hij is als ondernemer en filantroop, in 2008, samen met zijn vrouw, initiatiefnemer van Tatev Revival project. In 2010 wordt een hele lange kabelbaan opgeleverd en met inkomsten daarvan, wordt de renovatie van een groot klooster boven de kloof van Vorotan bekostigd. De toeristen zijn de inkomensbron van de bewoners.  


We hebben vooraf de kabelbaan gereserveerd want het is zondag. Dus stappen we om precies 16.45 uur in de gondel, en zweven over de kloof in 12 minuten naar het klooster. Prachtig uitzicht

begeleidt door gegil als de gondel over de rand gaat. We wandelen weer langs de kraampjes die dit keer vooral zelfgebreide poppen, kettingen en kruidenthee verkopen. Het klooster is met de renovatie weer ommuurd en eenmaal door de poort is direct duidelijk waar de meeste bezoekers op afgaan. De waterkraan. Het is immers alweer 30 graden. Ik wandel op mijn gemak door het klooster en duik in alle ruimtes die er zijn want daar is het koel. Ook hier weer gebeeldhouwde kruisen en prachtig houten deuren. De bergen omlijsten het klooster en als er dan ook nog grote roofvogels over de kloof vliegen, is het plaatje compleet. Het lukt me niet om die vogels herkenbaar te fotograferen. Dus die mag je erbij bedenken.


Om precies 18:15 nemen we de gondel terug en rijden naar het wildcamp dat uitkijkt over de kloof. En als toegift zweven twee aasgieren voorbij. Terwijl Wil René met de monokijker het luchtruim afspeurt, weet een medereiziger de gier wel te fotograferen. Dank.


We rijden met camper de route van de gondel. Eerst 500 meter dalen en daarna weer 500 meter stijgen met haarspeld na haarspeld. Daar doen we bijna 25 minuten over. “Goed aangelegd”, is het oordeel van Wil René, “door de struiken zie je de diepte niet.” Als fotograaf deel ik die mening niet. Al vind ik het nu minder hinderlijk, want we hebben tegenlicht en het is heiig. We rijden voorbij het klooster verder de bergen in. Het asfalt is verrassend goed ondanks dat we vooral


vrachtwagens zien rijden. Het is een van de routes naar Iran. Weer prachtig uitzicht op bergen terwijl we boven de 2000 meter rijden. Hoog boven de Vorotan die we nog twee keer in het landschap zien als stuwmeer. De route is “maar” 128 kilometer en met goed asfalt doen we er 3 uur over inclusief pauzes.

 

Omdat we vroeg zijn vertrokken, zijn we vroeg op een camping …. met zwembad. Nou dat hoef je

Wil René niet twee keer te zeggen. Die springt er meteen in. Wel zes keer die middag. Het is ook heet met 34 graden. De camping heeft bomen zodat de camper niet bloedheet wordt, en de wind die aan het einde van de middag opkomt, is het aangenaam. We blijven hier nog een dag. In de ochtend  schrijven we en maken een filmpje in een briesje aan een tafel. In de middag zwemmen we regelmatig terwijl de zon volop brandt. Eind van de middag stappen we allemaal in een taxi voor een wijnproeverij en aansluitend diner. Areni is het centrum van lokale

wijnproductie. Deze wijnmaker heeft de laatste jaren flink geïnvesteerd in een grotere productiecapaciteit, opslag en een Franse wijnmaker. Hun wijnen worden in veel landen gewaardeerd. Vele flessen vinden hun weg naar Rusland, Japan, Europa etc. We - nou ja allemaal, behalve Wil René – proeven rood, wit, rosé en een betere witte. Ik wordt niet verleid om een fles te kopen, zo bijzonder vind ik ze niet.


De Armeense maaltijd begint met een gedekte tafel die al vol staat met voorgerechten. En die zijn echt lekker. Gevulde auberginerolletje, dragonsalade met peer, noot en …, een ingelegde spinazie, ui,……salade, dolmus, kaas, olijven, brood etc. Uiteraard geflankeerd met een witte wijn of rosé. En speciaal voor Wil René is er een flesje cola zero, tot onbegrip van de obers. De tweede ronde zijn gevulde groenten , die wat mij betreft wat meer kruiden hadden mogen hebben. De derde ronde is draadjesvlees, maar liefst drie stukken. Die krijg ik niet op, teveel voorgerecht gegeten. Nog een ijsje om de gaatjes te vullen. Ik plof.     


Op de oude locatie is niet alleen een restaurant

maar ook een wijnbank. Mensen kunnen hier hun gekochte wijn bewaren voor later. En net als in een bank met kluisjes, liggen de flessen achter slot en grendel en zijn voorzien van nummers. Het brengt twee reisgenoten op het prachtige idee om voor hun (te vroeg) geboren kleindochter een fles te kopen en 18 jaar te laten bewaren. Ze krijgt het certificaat en kan na 18 jaar zelf de wijn gaan ophalen. Nu maar hopen dat ze dan wijn lust.


Yerevan, de hoofdstad is de volgende overnachtingsplek. Op weg er heen zijn er nog twee kloosters als potentiële stop. Twee. We overleggen welke van de twee want we hebben er al veel gezien. En misschien moeten we er alleen maar langsrijden want de interieurs zijn vergelijkbaar. Vergelijkbaar leeg. Ik kies die met de Ararat op de achtergrond. Dan appen onze reisleiders dat

we beslist die andere (Noravank) moeten doen vanwege de mooie route door een kloof. Die kloof en vooral het rode rotslandschap erna doet me denken aan Amerikaanse Westerns. Bij het klooster hoor ik van reisgenoten die net terugkomen dat het middeleeuwse klooster zelf de moeite waard is. Wil René wacht wel even in de camper. Het ommuurde klooster bestaat uit drie

kerkjes/kapel. In de kapel ligt een grafsteen waarop een leeuw is afgebeeld, hier ligt prins Elikum Orbelian III (overleden in 1300). De leeuw “die brult staand voor de vijandelijke troepen”[2]. Die naam Orbelian heb ik eerder gezien: de karavanserai in de bergen. Die is door zijn zoon gebouwd.


Om het tweede klooster te bereiken gaan we volgens de kaart dwars door Azerbeidjaans grondgebied. Geen bord of zo die dat aangeeft. De reden: in 1992 heeft Armenië dit stuk grond ingenomen maar feitelijk het is nog steeds van Azerbeidzjan.


Dan rijden we een grote vlakte in en rijden we naar de grens met Turkije op 1 kilometer. Met daarachter de voor Armenen zo belangrijke berg de Ararat. Het klooster kijkt erop uit. De temperatuur is inmiddels gestegen en brandt op mijn huid. Geen haar op mijn hoofd die er aan denkt om de trappen te beklimmen. Een foto van een reisgenoot laat het voor de Armenen belangrijke klooster Khor Virap zien. Het verhaal vertelt dat St. Gregorius hier 13 jaar gevangen zat en de Armeense koning Tiridates IV (rond het jaar 300) bekeerde, die op zijn beurt het christendom als officiële religie aannam waardoor Armenië het eerste christelijke land werd.


Eigenlijk hebben we in Yerevan een plek waar we wild kamperen. Maar met de voorspelling van aanvankelijk 41, inmiddels nog maar 36 graden en ’s nachts 25, gaan wij niet slapen op een zandvlakte boven de stad. Ik heb een hotel geboekt aan de rand van het centrum met airco.


We rijden dwars door de stad waar 1 miljoen Armenen wonen (een derde van het land). Als eerste tanken we AdBlue. Want bij de tankstations die we eerder aandeden, hadden ze daar nog nooit van gehoord. Waarschijnlijk wordt het systeem bij nieuwe auto’s op het platteland, uitgeschakeld. De wegen zijn vol terwijl het begin van de middag is. Met veel geduld komen we op

de plek en parkeren de camper op de zandvlakte, pakken spullen in en fietsen naar beneden. De fietstomtom vermijdt zoveel mogelijk de drukke wegen waardoor ik me begin af te vragen waar ik in godsnaam een hotel heb geregeld. Het hotel zelf ziet er van buiten netjes uit en de kamer en badkamer zijn oké. De airco aangezet en dan we wandelen de hoek om en staan in het bruisende

Yerevan – de cascade. Dat had ik nou ook weer niet verwacht. De Cascade is een soort hedendaagse openlucht kunstmuseum. Helemaal boven kun je de stad zien met de Ararat, als het helder is. Helaas dat is het niet. In het park staan kunstvoorwerpen en flaneren heel veel mensen in de koelere avondlucht – het waait hier, merken we. In de middaghitte is het er uitgestorven. Alleen aan de rand waar de terrassen onder bomen zitten en arcades zitten zijn nog mensen. Yerevan heeft zo wie zo, veel parken. We gebruiken het hotel ook om de middaghitte te ontlopen en staan zeker twee keer per dag even onder een lauwe douche. Dat wordt straks weer afkicken.

’s Avonds is de stad net zo levendig en druk als overdag. Vanaf de Cascade loopt er een wandelgebied schuin de stad in. We gaan om half 10 kijken bij de “singing fountains” een soort vuurwerk van water. We hoeven niet te zoeken, we volgen de massa door de stad. Op het plein bewegen sproeiers en lichten op de muziek. Afhankelijk van de wind, stuiven mensen af en toe weg, om te voorkomen dat ze nat worden – wat met zo’n drukte mislukt. Het is een gemoedelijke stad.


We bekijken de creativiteit van de stad. Dit keer op de fiets. Gisteren heb ik echt te veel gelopen. Stiekem hoop ik dat ik iets kan vinden dat ik mee naar huis wil nemen. Ik zie muurschilderingen,

een handwerkbeurs die meer lijkt op een souvenirmarkt met eindeloos veel stenen granaatappels, houtsnijwerk – knap maar erg gepolijst -, sjaaltjes, kleden en schilderijen. Ik hoop iets “rauwers” te vinden. We bezoeken nog een  kunstenaarsplek die verscholen zit tussen de gebouwen. Het enige dat in de buurt kom is een uitgehakte voet van 1 meter maar die is nog niet af. Bovendien durf ik niet in te schatten wat die weegt – waarschijnlijk zakt de camper door zijn vering. 


Naast alle vrolijkheid is er ook een donkere geschiedenis. De genocide door het Turkse leger op 1 miljoen Armeniërs[3], ruim 100 jaar geleden. Iets wat volgens Turkije niet waar is. Hun verweer is dat het in 1915-1918 oorlog was (1e wereldoorlog en burgeroorlog); dat er Armeniërs samenwerkte met de vijand [4] (Rusland); dat door die oorlog vele mensen (ook Turken en

Moslims) door oorlogsgeweld, honger en ziekte omkwamen. Er was volgens hun geen geplande uitroeiing van een bevolkingsgroep. Hoewel er genoeg documentatie is dat bewijst dat in die periode het Turkse leger bijna alle Armeense dorpen binnen het Ottomaanse Rijk heeft geëvacueerd en honderdduizenden burgers heeft vermoord of gedeporteerd.[5] Eerst werden alle weerbare mannen opgepakt en/of vermoord om te voorkomen dat ze in opstand zouden komen. In de tweede fase volgde de deportatie van vrouwen, kinderen, ouderen en zieken naar de Syrische woestijn – dit waren barbaarse dodenmarsen. In het genocide-museum zien we dat allemaal, vastgelegd in foto’s, ooggetuigenverslagen, nauwgezette chronologische documenten.[6]  Indrukwekkend en treurig, wetende dat demagogie zo een volgende bevolkingsgroep tot slachtoffer kan maken. Ook onder internationale druk erkent Turkije nog altijd niet de genocide. Om diverse redenen. Angst voor financiële claims; angst dat Turks grondgebied, dat historisch deel uitmaakte van Armenië, wordt opgeëist; en angst voor internationaal gezichtsverlies.


Toch zijn de Armenen niet bij de pakken neer gaan zitten. Het land kent de laatste jaren een sterke economische groei (gemiddeld 6 %),[7] ook dit jaar verwachten ze 5 %. Als onafhankelijke republiek was het een zwaar begin: na de ineenstorting van de Sojvetunie daalde de economische cijfers met -40%. Van de 3,5 miljoen inwoners verlieten zo’n 800.000 mensen de republiek. Verreweg de meeste Armenen wonen buiten Armenië – de diaspora van naar schatting 7,5 miljoen (mn in Rusland, VS en Frankrijk)[8]. Naast ons tafeltje zitten twee Armeens-Amerikaanse gezinnen die elkaar vertellen, dat de generatie van hun ouders niet geloofd dat Armenië veranderd is. “Maar het is moderner dan zij denken.” Mij valt op dat er in Yerevan veel jongeren rondlopen. De opbouw van de bevolking is ook anders dan bij ons. Hier zijn mensen gelijk verdeeld over de leeftijdscategorieën tot 50 jaar daarna neemt het aantal mensen af. De Nederlandse piramide heeft last van obesitas, met veel minder kinderen en pas bij 80 jaar neemt het aanzienlijk af   [9].

Die Armeense jongeren zien we op onze laatste avond in Jerevan, uit hun bol gaan op

Volksmuziek. Ja, echt waar. Honderden jongeren vormen kringen en dansen op oude muziek aan de voet van de Cascade. Sinds twee jaar, iedere laatste vrijdag van de maand, wordt er hier gedanst, vertelt een meisje me. Op mijn vraag waarom zoveel jongeren hier aan meedoen – terwijl in Nederland volksdansen door een hele kleine groep vooral ouderen wordt gedaan. Ze denkt even en zegt dan: “It’s in our blood”, net als zingen. Ik heb eerder bij een klooster een man van middelbare leeftijd ook overgave zien dansen. Beide hebben we in een filmpje verwerkt. Zie https://youtu.be/e9U6-AvxtEM Na een half uur kijken, gaan wij eten. Als we om half 10 teruglopen naar ons hotel, zwijgen de boxen maar zingen zo’n 50 jongeren terwijl ze nog steeds in kringen volksdansen. Indrukwekkend.

Drie dagen Jerevan in een hotel voelt als een leuke stedentrip. Relaxed de stad verkennen

overdag en ’s avonds. Maar de reis gaat verder. Vroeg uit de veren. Het fietsen naar de camper is een stevige work-out. Die staat immer bij Mother Armenia op de heuvel. Vandaag rijden we via het Armeense alfabet en een enorm kruis opgebouwd uit 1725 kruisen. En we bereiken de tweede stad van het land Gyumri (toch maar 130.000 inwoners). Waar we weer bij een groot beeld van

Mother Armenia staan. De fietsen gaan er weer af en we zoeken de schaduw in de stad op.  De stad die huizen en kerken herbouwde na de aardbeving in Spitak (1988), dat 50 km verderop ligt. De oude torenspits ligt als herinnering naast de gerestaureerde kerk.

Van de filmpjes die ik onderweg van het landschap maakte, heeft Wil René een compilatie gemaakt. Kijk maar: Armenië onderweg  



Bijzonder – gekke beelden

Ik zag zoveel mooie deuren in kloosters. Sommige lijken we stripverhalen in hout.


Er rijden hier zoveel oude vrachtwagens, ze zijn niet kapot te krijgen.

 

In Yerevan lijken we in een doodlopende straat te zijn beland maar dan wijzen een paar mensen dat we in de hoek verder kunnen. Er staat een deur aan de straat open en daarachter zit een smal gangetje. Ik was er zelf nooit in gegaan. Het is niet alleen smal, ik kijk in de keuken van een restaurant. Het is een doorgang onder een flat door. Aan de andere kant komen we tussen twee terrassen uit. Niemand kijkt gek op. Nou wij wel.     

 

Voetnoten

[1] Macademia noten

[3] Over het aantal slachtoffers zijn de meningen verdeeld. Ergens tussen de 1 en 1,5 miljoen. https://nl.wikipedia.org/wiki/Armeense_genocide

 

  • 22 jul
  • 15 minuten om te lezen

Martvili, Gori, Stepansminda, Tbilisi 14 – 21 juli 2026


Het is nat en mistig als ik wakker word. Het miezert en dat terwijl we uitgerekend vandaag geen

reisdag hebben. Nou, eigenlijk hadden een korte van 50 km naar een andere kloof maar die overnachtingsplek is door de regen te drassig. We blijven een nachtje hier staan en kunnen de kloof hier vlakbij bezoeken, maar met miezer is dat niks. Heel langzaam staan we op maar om 11 uur is het nog net zo miezerig en mistig. Morgen is een reisdag met vier mogelijke stops. En wij hebben er zelf nog twee bedacht: een grote Carrefour supermarkt en een douche bij een truckstop langs de snelweg. Al snel bedenken we dat we vandaag boodschappen gaan doen in Kutaisi (1 uur rijden) en daar is ook de oude kathedraal gaan bekijken. En misschien kunnen we op de terugtocht die andere kloof bekijken.


Het uur dat we naar de stad rijden, is erg vermoeiend. De snelheid ligt bijna twee keer zo hoog omdat het vlak is en wegwerkzaamheden ontbreken. Tegelijkertijd staan er om de haverklap koeien op de weg, hele kuddes komen voorbij. En dit keer ook veel varkens en paarden. Tel daarbij op de vele verkeersdrempels en het onvoorspelbare verkeer. Wil René zijn ogen flitsen heen en weer.


De Bagratkathedraal ligt op een heuvel en kijkt uit over de stad Kutaisi. Een steile weg met kinderkopjes en geparkeerde auto’s. We kunnen nog net naast de kathedraal parkeren. De oude kerk heeft koperblauwgroene koepels en de restauratie is heel zichtbaar in moderne materialen. Duizendjaar oude pilaren staan naast moderne stalen kolommen. Ik vind dat

smaakvol gedaan. Unesco is het niet met me eens. Ze hebben de Unesco status van deze oude kathedraal weer ingetrokken. Het deert de bruidsparen niet die vandaag hun huwelijk laten inzegenen. We zijn getuige van een glamourrijk huwelijk. Althans dat denk ik te zien aan de jurken van de bruid en alle vriendinnen. En de twee fotografen die

lichtstatieven hebben neergezet en rond het bruidspaar cirkelen, een assistente drapeert de jurk.  Als de priester de ring aan de hand van de bruid schuift, hoor ik toeterende wagens de weg omhoog naar de kerk komen. De volgende inzegening. Muzikanten in folklore maken zich op om de aankomst te begeleiden. Ik voel me als een ongenode gast die haar best doet niet te veel op te vallen. Wat dan niet helpt is dat ik een kleurrijke broek aanheb en een niet bijpassende hardgroene sjaal uit de doos bij deur heb gepakt, voor om mijn hoofd.

Net als in de Grieks-orthodox kerk worden hier iconen gezoend en ook de vitrines met botten van heiligen (relieken). Ik hoop nog een keer het gezang van de Georgische kerk te horen. Dat is in tegen stelling tot de gregoriaanse zang in katholieke kerk meerstemmig. 


We doen nog snel boodschappen en racen terug naar Martvili om met ons reisgezelschap de kloof te bekijken, per boot. De andere kloof slaan we over en dat is maar goed ook. Reisgenoten zijn wel gegaan en hebben een selfie genomen - met de kloof in de mist op de achtergrond.


De kloof zit achter een hek. Blijft bijzonder dat je voor natuur moet betalen. Dat je voor een boot betaalt snap ik. Voordat we in de opblaasboot mogen stappen, moete we eerst een zwemvest aan. Twee mannen moeten voorin de opblaasboot zitten en krijgen peddels. Ik en nog twee

anderen vrouwen mogen erachter gaan zitten – zonder peddels. Hoe klassiek. Het is 5 minuten heenvaren door de kloof en dan omdraaien en weer terug. Door de mist zijn de foto’s wel apart. Dan wandelen we nog langs de watervallen – spectaculair en vol met mensen die elkaar fotograferen voor Instagram – tuitende lippen, hoofd schuin, been naar voren.

  

’s Avonds bekijk ik de andere stops die we morgen kunnen doen. De eerste is een oud klooster

(met UNESCO label). Ik wil eigenlijk altijd kloosters zien. Gefascineerd door groepen mensen die daar wonen of gewoond hebben, levend volgens verschillende regels, vaak ver van de bewoonde wereld. Ik zoek op wat de openingstijden zijn en zie dat het vanwege renovatie tijdelijk gesloten is. Ergens anders lees ik dat het in het weekend open is en dan maar gedeeltelijk. Het is morgen woensdag. Met pijn in het hart besluit ik niet te

gaan kijken (scheelt een uur rijden). Kloosters hebben niet zo’n aantrekklingskracht op Wil René. Toch knaagt het bij mij: de angst om iets te missen. Want de kans dat we weer naar Georgië gaan is niet zo groot. Er zijn nog zoveel andere plekken om te bekijken. Wat ik nu niet ga bekijken, ga ik waarschijnlijk nooit meer zien. Met die gedachte rijden we naar de snelweg verder naar het oosten. Als een medereiziger meldt dat het klooster inderdaad gesloten is en een foto stuurt van een ingepakt klooster, ben ik opgelucht. Ik heb niks gemist.


De snelweg doet zijn naam eer aan. We rijden snel, mede door de vele tunnels, richting Tbilisi. En ondanks de 110 die auto’s rijden zie ik een koe op de linkerbaan staan grazen van de middenberm. Een man repareert een rooster naast de linkerbaan met alleen een hesje aan. Auto’s parkeren op de vluchtstrook voor een pauze. Om de bijrijder de ruimte te geven om uit te stappen, staat de auto bijna op de linkerbaan. En wat te denken van de wielerploeg die op de vluchtstrook rijdt. Gelukkig rijdt de ploegauto met knipperlichten erachter.    


We tanken bij een benzinepomp waar een douche zou zijn. Het bordje met het symbool douche hangt er wel, maar de douche zelf is verdwenen. Helaas, weer een nieuw plan verzinnen. Bij

datzelfde tankstation, zie ik weer hondenhokken. Dit keer met brokken en water. Twee medewerksters van het wegrestaurant zitten op een bankje terwijl een hond voor hun voeten ligt. Straathonden hebben hier een ander leven dan in Turkije of Griekenland. Ze worden getolereerd, gevoed en als ik de verhalen mag geloven[1] worden ze “geadopteerd” door buurten, flats en dorpen. Velen hebben een gele tag in hun oor. Dat betekent dat ze door de gemeente gesteriliseerd en gevaccineerd zijn tegen hondsdolheid. Ze liggen opvallend vaak te dutten en als ze bedelen om aandacht of eten zorgt Wil René wel dat ze uit de buurt blijven. 


Als we de buitenwijken van Kutaisi naderen zie ik ineens sovjetflats. Snel gebouwd in beton en

alleen gericht op goedkoop onderkomen voor arbeiders. Anno 2026 zien de flats er armmoedig uit. Ooit was het communisme begonnen om op te komen voor de uitgebuite arbeiders. Eenmaal aan de macht schafte de partij het privébezit af en fabrieken werden eigendom van de arbeiders geleid door de staat. Die staat richtte zich op de zware industrie als kolen, staal. In Georgië[2] vooral staal, mangaan en waterkracht. Hoewel ideologisch opkomend voor de arbeider, dwongen ze diezelfde om in de mijn te werken. Georgië was voorheen agrarisch land. Hier werd het landeigendom afgenomen van kerk, adel en boeren. De staat leidde de landbouw door supergrote boerderijen op te zetten. Veel mensen

vertrokken naar de stad waar de industrie veel arbeiders nodig had. Kutaisi, dat voorheen een Europees voorkomen had, werd een industriestad met mijnbouw en vrachtwagenindustrie[3] 

Vooral in de periode dat hun landgenoot Stalin de baas was van Communistisch Rusland. Niet dat Georgië daar voordeel van had. Tijdens de beruchte Grote Zuivering (1936-1938) waarbij in heel Rusland ca 1,2 miljoen doden vielen, werden ook in Georgië 150.000 intellectuelen, boeren politieke tegenstanders opgepakt en terechtgesteld of naar strafkampen (Goelags) in Rusland gestuurd. Stalin was een dictator die tot aan zijn dood met harde hand regeerde en 10 tot 20 miljoen slachtoffers op zijn geweten heeft (niet

meegerekend de oorlogsslachtoffers van WOII). Des te cynischer is zijn opmerking die ik lees in zijn museum: “Ieder mens sterft, ik ook. Wat zal het oordeel zijn van mensen en de geschiedenis? Er waren veel fouten maar we hadden en ook successen. Die fouten worden mij aangerekend, mijn graf zal overladen worden met afval. Maar de dag zal komen dat de wind van de geschiedenis dat afval zal wegblazen…..”  Er zijn nog altijd aanhangers die zijn overwinning op Hitler memoreren, dat hij de bevolking heeft leren lezen en schrijven, dat hij van Rusland een modern land heeft gemaakt, een nucleaire macht. In het museum werd hij tot 10 jaar terug als held gepresenteerd.[4] Typerend is het dodenmasker dat tussen zuilen wordt getoond. Als wij er zijn noemt een rondleider hem consequent dictator en is er een aparte ruimte ingericht waar de moorden en strafkampen worden belicht. Daar wordt Stalin niet (alleen) voor verantwoordelijk gehouden, Lenin

en Beria worden hier geciteerd. Verder is het een verering van de Georgiër die de baas van Rusland was. Curieus is dat het museum naast het geboortehuis van Stalin staat. Dat huis wordt overkapt door een soort Griekse tempel. Het wordt nu gerenoveerd en dus niet te bezoeken (foto van internet). Die tempel is het idee van Beria – stafchef van Stalin die het lang volhoudt om in de gunst te blijven maar uiteindelijk net als vele andere Georgiërs, wordt vervolgd voor landverraad en doodgeschoten.


Georgië was van 1921 tot 1991 onderdeel van de Sovjetunie. Toen het land in 1991 de onafhankelijkheid van Georgië uitriep, stortte de economie in. Burgeroorlog, corruptie en de handel met andere Sovjetstaten stopte. Fabrieken sloten hun deuren. 10 jaar later werd Georgië een openmarkt economie, privatisering en buitenlandse investeringen hebben de economie er weer een beetje boven opgeholpen. Met nog altijd mangaan en andere mineralen, energie van de waterkrachtcentrales als exportproducten.    


Na zoveel indrukken wordt mijn hoofd leeggeblazen door een stevige wind aan een stuwmeer. Op zich wel lekker want het voelt dan minder warm. Het lijkt heel verlaten, dat stuwmeer. Schijn bedriegt. Uiteraard trekt er een kudde koeien langs en er rijden regelmatig militaire jeeps langs.

We overnachten namelijk heel dicht bij Zuid Ossetië – een deel van Georgië dat zich, met hulp van de Russen, in 1992 onafhankelijk heeft verklaard. Als Georgië het in 2008 opnieuw wil innemen, bezetten de Russische troepen het land en wordt door het verplaatsen van hekken en prikkeldraad, steeds een stukje Georgië ingepikt.[5] 


De oplossing voor de douche wordt een motorhotel net ten noorden van Tbilisi. We staan met de

camper voor het hotel binnen het hek. Het hotel heeft een zwembad waar we uiteraard in springen en een heerlijke douche in een van de kamers. Het bevalt zo goed dat we twee dagen daar blijven. De tweede dag fietsen we naar een van de buitenwijken om avondeten te kopen. Het wordt een pittige fietstocht om de snelweg te vermijden. Er

lopen alleen maar karrensporen die door de regen van de afgelopen maanden hier en daar erg uitgesleten zijn. Lopen is hier en daar onvermijdelijk. We komen warm en bezweet aan in de wijk met de prachtige naam Didi Dighomi. De wijk zelf bestaat uit flats met bomen ertussen. Op de begane grond zijn kleine winkeltjes en ervoor, op de stoep, zitten ouderen die kleine beetjes groente en fruit verkopen. We waren aanvankelijk van plan een supermarkt te zoeken maar met ‘n stukje kip bij de slager, groente en fruit bij de groenteboer hebben we eigenlijk wel genoeg voor vanavond. 


De taal is en blijft ingewikkeld. Dus blijven handen en voeten over en de vertaalapp. Net als bij

Grieks herken ik de 33 letters niet. Gelukkig staan onze letters erbij zodat ik de plaatsnamen herken. Anders had ik niet geweten dat Tehran nog 1239 km was 😉. Hoewel, als we naar Kazbegi gaan, zie ik het niet op de borden. Later begrijp ik dat Stepansminda de nieuwe/oude plaatsnaam is. De Russen noemde het stadje Kazbegi als eerbetoon aan de Georgische edelman die hun in 1800 hielp de Georgiërs te verslaan. In 2006 kreeg het stadje haar oude naam terug. Al spreken ze zelf over Kazbegi, ook als verwijzing naar de berg Kazbek (+5000 mtr).


Na onze relax-dagen in het motorhotel pakken we de route weer op. Kazbegi/Stepansminda is de

bestemming. We rijden de Historische Militaire Weg, genoemd naar de Russische troepen die in 1800 een verbinding aanlegden tussen Rusland en Georgië door de hoge Kaukasus.  We rijden 140 km naar het Noorden en zullen op 12 km van de Russische grens overnachten. Hier is de verbinding met Rusland open, dat merken we aan de veelheid vrachtwagens en auto’s met Russische kentekens. En aan de kraampjes met bontmutsen langs de weg. 

 

Bij een tot de rand gevuld stuwmeer, staat met een kasteel Ananuri dat ooit de vallei overzag. Nu staan de muren met torens en twee kerken op de lijst voor UNESCO. Het is een van de toeristische hotspots voor dagjesgasten uit Tbilisi. Ondanks de drukte kan het niet weerstaan om te gaan kijken. Gelukkig, want ik hoor in de kerk nog net het meerstemmige gezang aan het einde van een dienst. (Weer een vinkje).   



Het volgende deel van de route is niet zo mooi. Een snelstromende rivier in een puinlandschap waar graafmachines stenen en zand weghalen. We verlaten het dal van de Aragvi met haarspeldbochten naar een skigebied – althans in de winter. Het is een herkenbaar beeld van grote skihotels, liften in de groene heuvels waar buggy’s en jeeps het gemis aan de spanning in de sneeuw moeten vervangen.


Voorbij dat gebied staat er ineens een groot monument langs de weg (ook een stop voor de dagjesgasten). Ter herinnering van 200 jaar vriendschap Rusland en Georgië. In 1783 vroeg de

koning van Georgië Rusland om bescherming tegen de perzen en de turken. De Russen legden een weg aan door de hoge Kaukasus zodat troepen makkelijker “te hulp” konden komen. Waarschijnlijk is het uitzicht prachtig alleen vandaag is het regenachtig en mistig.


We gaan de pas van bijna 2400 meter over en zigzaggen naar beneden waar de rivier de Terek naar Rusland stroomt. Daar zien we het uiteinde van een 9 km tunnel in aanbouw die het (vracht)verkeer veel sneller en makkelijker gaat maken tussen Rusland en Armenië. Dit keer werken er geen militairen maar Chinezen aan dit grote project [6].


We maken nog een tussenstop bij Sno waar enorme gebeeldhouwde hoofden staan. Ze zijn gemaakt door beeldhouwer Merab Piranishvili[7]. De maker blijkt er zelf te zijn en voor de keren dat hij er niet is, heeft hij zijn gebeeldhouwde hoofd op een grote steen “geplakt”. Er hangt ook een kastje waar je 5 gel (ca 1,75) in kunt stoppen als bijdrage, want een nieuwe steen kost zeker 500 gel om hierheen te brengen en dat geld heeft hij niet. Zijn ambitie is om veel koppen te maken die de geschiedenis van Georgië laten zien….Ambitieus zeker, gezien zijn leeftijd. Er staan er nu zo’n 10….     

   

Eenmaal in Stepansminda besluiten we direct het klooster van Gergeti te bezoeken. Dat ligt bijna 500 meter hoger, 7 kilometer verderop. Niet te fietsen. We worden gewaarschuwd dat het ook erg stijl en smal is voor de camper. We regelen een taxi – met het stuur rechts! Hier kunnen auto’s het

stuur links of rechts hebben. Ze rijden hier gewoon rechts maar tweedehandsauto’s uit Japan (waar ze links rijden) zijn goedkoop en goed onderhouden[8]. De Georgische overheid vindt beide sturen prima. Toch blijft het gek om bestuurders rechts te zien zitten. De chauffeur sjeest naar boven terwijl hij ondertussen een ansichtkaart van de berg, tussen zijn papieren uitvist. In gebroken Engels vertelt hij dat de berg Kazbek altijd in de middag in de wolken ligt. Vannacht of morgenvroeg kun je die waarschijnlijk zien. Nee, hij is nooit boven geweest. “Bad for my heart”, lacht hij en klopt op zijn borst. Nog altijd haarspeldbochten nemend en dalende auto’s omzeilend.

Na de laatste bocht verschijnt het klooster op een heuvel met de Kaukasus als decor.


We volgen weer de toeristen door de poort van het klooster naar binnen. De kerk is weer een pelgrimsoord voor Georgiërs en een toeristische attractie voor al die buitenlanders zoals wij.  Ook hier zijn er patronen en figuren in de muur gekrast.

 

De taxichauffeur brengt ons ook weer naar beneden en ik zie van boven het stadje én onze camper (zie gele pijl)


De volgende dag rijden we de weer historische militaire weg naar de hoofdstad Tbilisi en

overnachten we midden in de stad. Prachtig. Wel op een grote betonplaat met weinig schaduw. Net als veel andere campers zetten we de auto tegen het park aan. Met de stijgende temperaturen tot boven de 30 graden betekent dat de fietsen eraf gaan en we zo min mogelijk in de camper zullen zijn.

Als eerste gaan we op zoek naar een sportcafé waar we eind van de middag Formule 1 kunnen kijken. Daarvoor fietsen we omhoog de oude wijk in. Kleine straatjes met veel oude huizen met mooie metalen balkonnetjes.


We hebben meteen beet. Het café heeft 6 schermen en natuurlijk zetten ze straks F1 aan op het

grote scherm boven de bar. De start is pas over 2 uur dus cirkelen we verder door de wijk. Naast ons zijn er nog twee meiden die komen kijken. Ze zijn fan van de jonge Italiaanse coureur Antonelli. Ondertussen komen er aldoor mensen vragen of ze hier de finale van het WK voetbal vanavond kunnen kijken. Nee, tenzij ze gereserveerd hebben. Ze laten hun telefoonnummer achter voor het geval er afzeggingen zijn.


In het park naast de camper staan twee grote schermen en veel biertenten. Of ik wil of niet, de wedstrijd zal vannacht niet te missen zijn.  Hoewel ik geen voetbalfan ga ik toch maar kijken. 

Samen met andere camperaars ga ik een uur van tevoren om te zien of er nog een tafeltje vrij is. Naïef, ik weet het. Dus halen we kampeerstoelen en zitten tussen de tafeltjes en tussen de Spaanse en Argentijnse fans. Om middernacht is de eerste saaie helft afgelopen en hou ik het voor gezien. Ondanks het geluid val ik toch in slaap en mis de euforie van de Spaanse fans.


Na ruim 2 weken moet ik echt wassen. Ik kies een wasserette waar ik het morgen schoon, droog en opgevouwen kan ophalen. Zo hoeven we niet 2 uur te zitten wachten bij een was- en droogmachine. We drinken koffie op een groen terras bij Fabrika, een co-workingspace in een oude textielfabriek. Een beetje New World Campus in Den Haag waar ik ooit werkte. Alleen staat deze gevel vol met graffiti. Net als veel muren in de stad.

 

We proeven een Georgisch hapje wat op een dumpling lijkt. De mijne is gevuld met bouillon en champignons, Wil René met bouillon en vlees. Je moet de knop vasthouden en een stukje ervan afbijten en eerst leegdrinken. Dan de rest opeten. Ik verwacht de smaak van een meelbal maar het is lekker.


We fietsen verder naar de andere kant van de oever waar onze fietstomtom ons de helling opstuurt door een bouwvallig wijk waar nieuwe panden tussen verrijzen. In deze stad woont

ongeveer de helft van de Georgische bevolking. De stad is een contrast tussen moderne architectuur en oude panden. In de buitenwijken meer hoogbouw, het centrum meer laagbouw. Het is een groene stad met veel bomen die schaduw geven en zo de stad met deze hitte toch een dragelijke plek maakt. Het is geen fietsstad. De hellingen zijn met een elektrische fiets goed te doen, het drukke verkeer maakt het lastig. Niet alleen voor de fiets. Zodra het dichtloopt kunnen we met de fiets er makkelijk tussendoor maar als het verkeer eenmaal op gang komt, is een stoep toch veiliger. 's Middags ontvlucht ik de hitte met mijn laptop in een airconditioned foodcourt met werkplekken. 


’s Avonds fietsen we voorbij een demonstratie of manifestatie - iets met Georgische en Europese

vlaggen. Nieuwsgierig als ik ben ga ik vragen wat het is. “Demonstratie tegen Rusland”, zegt een jonge man. “We staan hier iedere avond om dezelfde tijd al meer dan twee jaar.” En dan valt het kwartje. We staan voor het parlementsgebouw en de demonstranten protesteren sinds de laatste verkiezingen (2024) tegen de regering van de Georgische Droom. Zowel demonstranten als de EU vinden dat de verkiezingen niet eerlijk zijn verlopen. Sindsdien heeft de regering de gesprekken met EU gestaakt en zoekt toenadering tot Rusland en China. En vooral Rusland ligt gevoelig met de onderdrukking nog vers in het geheugen van de oudere Georgiërs. Persvrijheid en NGO’s zijn ondertussen aan banden gelegd. Net als in Hongarije worden tegenstanders als buitenlandse agenten opgepakt.[9] Ik herinner me nu ook dat de reisorganisatie ons gevraagd had de demonstratie te vermijden. De man die we spreken zegt dat de politie niet meer zo hard optreedt als in het begin, en dat we ons geen zorgen hoeven te maken. Dat geldt niet voor demonstranten die vaak hun baan zijn kwijtgeraakt. Ik wens hem sterkte.  


We zijn we net voor het donker en net voor een enorme hoosbui terug bij de camper. Het was al klef maar door de aanhoudende regen wordt de lucht steeds vochtiger. Alles plakt. Ook de volgende dag is het 32 graden en klef. Mijn kleren plakken.


We bekijken het museum van de kunstacademie dat in een voormalig paleis is gehuisvest. Een paar bijzondere zalen zijn te bezoeken. De vochtige lucht drijft ons uit het gebouw, maar niet dat we nog een door zijn binnengestapt waar het werk van studenten Textiel te zien zijn: moodboards, kleding en schoenontwerpen. Zodra we de ruimte verlaten wordt de door snel achter ons gesloten.

 

Tijd om bij de fietsenmaker langs te gaan. Mijn versnelling hapert en in dit verkeer wil ik snel kunnen schakelen. Gisteren had hij geen tijd, nu mag ik mijn fiets de kelder in brengen. Nou ik… Wil René rijdt ‘m over het gootje. De fietsenmaker stelt de versnellingen af en tilt de fiets weer naar boven. Het is nog niet helemaal opgelost. Ik krijg uitgelegd hoe ik zelf de versnellingskabel kan tweeken. De laagste versnellingen doen het in ieder geval. 


Nu nog de was ophalen, ook in het souterrain. Waar twee dames de was doen, drogen en alles strijken. Met mijn fietstassen vol gevouwen kleding terug naar de camper en zo snel mogelijk weer weg.   

  

Water tappen. Georgië kent nauwelijks camperplaatsen (laat staan campings). De wc en afvalwater van de camper legen, doe je op een braakliggend terrein of zo. De watervoorraad vul je aan bij een van de vele waterkranen of ik vraag het aan mensen als ik iemand met een

waterslang de straat ziet schoonspuiten of de planten watergeven. Deze kinderen op de foto waren in Gori net de planten aan het watergeven. Als Wil René vraagt of hij ook water mag. Gieten ze water in een glas. Met handen en voeten maken we duidelijk dat we de camper willen vullen. Wat ook geen probleem is. Het oudste meisje is 10 en spreekt al een beetje Engels. Haar vriendinnetje van negen nog niet. Ik vraag of de vrouw met de rode jurk haar moeder is maar dat blijkt haar oma te zijn. Die past op want het meisje heeft twee maanden vakantie. En nee, de oude vrouw is niet de moeder van oma. Wat de relatie wel is, daar kom ik niet achter. Ik knoei het water uit het glas overal een beetje, want ik durf dat niet te drinken. Drinkwater koop ik in flessen. Wil René geeft de meiden stiekem wat munten, wat oma een beetje gênant vindt.


Georgisch eten. Het brood wat je bij de bakker haalt heet Puri. Vaak zijn het hele kleine zaakjes waar het deeg wordt gebakken in een kleioven die wat wegheeft van een tandoori oven. Het brood is het lekkerst als het nog warm is. En dat is eenvoudig want ze bakken de hele

dag door. Voor 1 of 2 lari koop je een brood (35-65 cent). Dat brood vullen ze ook: Dan heet het Khachapuri. . Ik proef drie: de traditionele gevuld met kaas en ei (Adjaruli), een

met kip met knoflooksaus (Shkmeruli) en een variant met champignons, tomaten en kruiden. Je

zou het een Georgische pizza kunnen noemen. In een winkel zie ik lichte en donkere sjasliek-achtige stokken hangen. Het blijken Churchkhela te zijn: gepelde walnoten aan een touw die met dikke druivengelei zijn overgoten. De lichte zijn met witte druiven en de rode... precies. De walnoten zijn lekker, de gelei een beetje taaiig en met weinig smaak.

 

Voetnoten

[5] Mooie documentaire over de situatie door Jelle Brandt Corstius https://www.vpro.nl/de-bergen-achter-sotsji/artikelen/de-wandelende-grens

  • 13 jul
  • 14 minuten om te lezen

Batumi, Zugdidi, Mestia, Ushguli, Martvili 7 juli -13 juli 2026


De grens. Kilometers van tevoren staan er vrachtwagens langs de weg geparkeerd. De oorlog met Oekraïne maakt deze grens cruciaal voor transport naar de Kaukasus en Rusland en daar

zijn ze niet op berekend. De grens is heel chaotisch. Hoewel wij als reisgezelschap de laatste 3 kilometer keurig in kolonne rijden worden we bij de eerste slagboom al uit elkaar getrokken. De eerste 3 worden doorgestuurd, wij en nog een andere moeten rechts wachten en de andere twee worden aangehouden, de bijrijder moet uitstappen. Een snelle inspectie op andere passagiers en de camper mag doorrijden. Even denken we dat de Turkse beambte ons is vergeten maar na 10 Turkse personenauto’s trekt hij onze zijdeur open en stapt naar binnen. Hij wijst naar mij: eruit en kijkt ondertussen rond. Ik pak mijn tas met paspoort en voeg me bij de andere reisgenoten die uit hun camper zijn gestuurd. Wij moeten te voet de grens passeren. Het lijkt op een vliegveld terminal. Al doen geen van de transportbanden het en zijn de gangen en traphuizen kaal. Ergens zie ik mensen aan een tafel een formulier invullen. Uiteraard in Turks en Georgisch. Ik vraag iemand en die legt uit wat ik moet invullen: naam, voornaam, geboortedatum, identiteitsbewijsnummer, man/vrouw en dag van binnenkomst en vertrek. Ik zie op haar briefje dezelfde datum bij binnenkomst als vertrek. Voordat ik ernaar kan vragen, is ze al doorgelopen. Bij de douane geef ik mijn paspoort en briefje aan de ambtenaar. Die kijkt naar het briefje verfrommelt het en gooit het in de prullenbak. Het formulier was alleen voor Turkse inwoners. Bij de Georgische douane staan we een tijd in de rij. Daar vertelt een Turkse gids dat hij een groep toeristen begeleidt die een dag naar Batumi gaan. Vanavond om 8 uur gaan ze weer teug.

Nou begrijp ik die data op het formulier van de vrouw. Een dagjesgast.

Als voetgangers zijn we sneller door de grenzen dan de campers. We kopen hier gelijk een prepaid telefoonkaart en wisselen euro’s in Lari’s (Grappig in Turkije zijn het Lira’s = de klinkers zijn omgekeerd). In 1,5 uur zijn we de grens gepasseerd. Niet slecht.


Aanvankelijk zouden we in Batumi overnachten. Alleen is de grote parkeerplaats een bouwput geworden. De nieuwe plek ligt 15 km noordelijk van de stad. Wij gaan eerst maar boodschappen doen en daarvoor moeten we de stad in. Met de hoop dat we daar de camper wel even kunnen laten staan en de stad verkennen. Via google maps heb ik een supermarkt gevonden met parkeerplaats. Man wat is het druk in die stad en het is dinsdagmiddag. De parkeerplaats van de supermarkt staat vol. Toch rijden we erop en zien in een hoek een gaatje waar de camper in past. Als we terugkomen staan er leverancierwagens voor. Het is een te hectische plek om de camper

onbeheerd achter te laten. We rijden het drukke verkeer in. Beetje hetzelfde rijgedrag als in Turkije behalve dat de meeste auto’s wel stoppen voor zebrapaden. We zien dat op alle wegen auto’s geparkeerd staan. Een plek vinden voor een camper zal niet meevallen. We proberen een parkeerplaats bij de haven die door andere camperaars als optie is gegeven in een app. We kruipen door het drukke verkeer. Als we daar aankomen, zwaait een man met een hesje dat we daar heen moeten. We parkeren naast een touringcar. We mogen 1 nacht staan voor omgerekend 50 euro, als we dreigen te vertrekken wordt minder en uiteindelijk zou het voor 20 euro mogen. Maar het is er zo druk en lawaaierig en na de hectiek van de grensovergang ga ik liever buiten de stad slapen.


Vlak bij de overnachtingsplek is een grote botanische tuin. Dat is een stuk beter dan een stad. We wandelen in gezelschap van twee medereizigers door de zeker 100 jaar oude tuin. Tuin klinkt wel een beetje klein voor een 100ha groot terrein. Ooit aangelegd door een Rus toen Georgië onderdeel was van het Tsarenrijk. We wandelen door het deel Noord-Amerika, Japan, Himalaya. Er zitten flinke hoogteverschillen in en met de vochtige warmte lijkt het of we een subtropisch klimaat zitten.

Mijn blouse plakt aan mijn rug.  We kijken naar medewerkers die bomen in vormen knippen en naar bezoekers die met de zip-lijn hun wandeling een stuk korter maken. Ik heb gezien dat er golfkarretjes rondrijden. Daarmee durf ik naar de andere ingang te wandelen die zo’n 2,5 km is. De tuin is net als het uitzicht op de zwarte zee en de stad prachtig. Het golfkarretje is een verademing voor mijn lijf en door de snelheid vang ik ook wat wind.


De campers staan dicht op elkaar bij een picknickplek. Als vanzelf schuiven we in een

picknickbank met een glas. Er komen kaasjes, noten, brood en tomaatjes op tafel. Wil René besluit toch te gaan koken. Na een maand zonder varkensvlees heeft hij zich zo verheugd op een zelfgemaakte schnitzel dat hij dat niet wil uitstellen. Ik mag blijven zitten, en krijg een bord met bietensalade, frietjes en een schnitzel geserveerd – tot jaloezie van de andere reizigers. Die nog wel een blik knakworsten warm maken. Iemand heeft een boxje bij zich en om beurten spelen we een lievelingsnummer af. De wijn vloeit rijkelijk en de muziek verandert in meezingers en dansnummers. Voor reizigers die niet van groepsreizen houden, zijn we vanavond toch een groep. Absoluut niet vervelend. Uitgeput val ik in snel in slaap.   


Ik regel via Bolt-app een taxi naar de stad. Voor 5 euro staan we 25 minuten later in het centrum van de stad. Het is een stad van contrasten. Supermoderne hotels en armoedige flats. Gokpaleizen met klatergoud en armoedige winkeltjes. Sinds 2003 is in deze stad enorm ingezet

op toerisme vandaar die supernieuwe gebouwen, een brede boulevard langs het kiezelstrand waar wij toch badgasten zien ondanks het gebrek aan zon. Wij dwalen rond. Op zoek naar koffie, lopen we een klein koffiehuis binnen die niet had misstaan in de Utrechtse binnenstad. Beetje

alternatief. De deurpost, hond, telefoontoestel en planten zijn op de muur getekend en de muziek is wat zweverig. De rijst van mijn Pokebowl is vers gekookt (en nog een beetje warm). We dwalen verder terwijl de warmte toeneemt ondanks de weinige zon. Het wordt broeierig. We zien diverse Thaise massagesalons. Die hebben misschien we een douche. Dat lijkt ons een heerlijke combi aangezien de overnachtingsplek geen douche heeft. Die combinatie blijkt niet vanzelfsprekend. De rest van de middag lopen we bij iedere massagesalon naar binnen maar nee, geen douche. Rond 4 uur als ik de stad zat ben en terug naar de camper wil, zien we weer een massagesalon. Met weinig hoop stappen we binnen. Ja! Een douche en tijd om ons beide nu te masseren. Daar knap ik van op en een hapje eten in de stad lijkt me toch wel leuk.


Ik heb een restaurantje met terras gevonden waar ik een Georgisch proeverij kies en Wil René gewoon kip met friet kan eten. Ik moet meteen denken aan Krakau waar ik een Poolse mix van gevulde deegkussentjes (Pierogi) voorgeschoteld kreeg. En die vond ik niet lekker. Met een lage verwachting begin ik aan mijn schoteltjes. Het is echt lekker. Lobio (bonenschotel), Jonjoli (ingelegde bloemknoppen) Ajapsandali (aubergine stoofpotje), salade en Tone (een soort flatbread). En uiteraard een glas Georgische wijn erbij. Een beetje rozig stap ik in de taxi.


Na de grote stad (Batumi heeft 235.000 inwoners) rijden we de komende dagen door het platteland en bergen. Eerst maar eens eten inslaan bij de supermarkt in het eerste dorp die volgens Chat-GPT een behoorlijk assortiment heeft. Nou dat valt tegen. Nauwelijks groenten, geen vlees (zelfs geen diepvries), geen vers brood. Aan de overkant zie ik groenten en fruit en reken ik af in een klein kruideniertje. Daar staat ook een kastje met brood. Ik vraag of er ook een slager is? Nee. “Nou dat wordt dan vegetarisch de komende dagen”, grinnik ik. “Nou, we kijken wel onderweg of we een slager zien,” antwoordt Wil René.” Nou die kleine dorpen die we passeren hebben ook geen slager. Dan ontdekt Wil René in een stadje een grote Carrefour. En ja die heeft een slager.


Koe op de weg. Niet één maar een paar. Niet één keer maar tientallen keren. Ze grazen langs de weg, staan een beetje te herkauwen, steken over als het gras aan de overkant groener is. Auto’s rijden eromheen. De koeien schrikken niet. Ik zie een vrachtwagen zelfs een koe een zetje geven zodat hij er door kan. Er staan geen herders bij zoals we in Turkije zagen. Heel Georgië is losloopgebied voor koeien, varkens en honden. De consequentie is dat ieder huis een hek om zijn tuin heeft want anders is het er snel kaal. En we ontdekken dat koeien een voorkeur hebben om op de brug te herkauwen. Meer wind, minder vliegen.


Turkije vond ik al groen maar Georgië is nog veel groener. Af en toe lijkt het wel Nederland: vlakke weg, bomen langs de kant. De bomen blijven alleen komen er bergen bij.


Jippie! Ik heb eindelijk een film/fotocamera gekocht. In heel Turkije was deze camera (nog) niet

leverbaar, alleen de oude versie en bovendien schrikbarend duur (door de belastingen). En in een winkelcentrum waar ook die Carrefour zit, zien we een grote telefoonwinkel. En die heeft een DJI pocket 4, het nichtje van Wil René zijn drone. Tot nu toe kan hij vaak niet vliegen (UNESCO label, te dicht bij de grens, etc. etc. Bovendien was Wil René mijn gemopper over het filmen met mijn mobiel ook wel zat. Nu leren filmen of beter gezegd de mini joystick leren besturen. Bij de eerste pogingen vliegt camerakop van links naar rechts. Nee ik heb nog niet het fingerspitze gefühl. Het paleis dat we bezoeken is een prima oefenobject. Zeker omdat ik het interieur niet zo boeiend vindt.


Nee je vindt geen filmpje van het Dadiani paleis. Als onderwerp is het wel boeiend want we ontmoeten deze avond de nakomelingen van Dadiani én van Napoleon (althans van diens zus): prins Alain Murat en zijn vrouw prinses Veronika (77).[1] Prins Alain is een 83-jarige Fransman die

sinds 20 jaar de Georgische familiebezittingen probeert terug te krijgen die door de communisten in 1917. De grond met daarop enkele panden, hebben ze zwaar verwaarloosd verkregen en met hulp van hun kinderen, weer bewoonbaar gemaakt. Min of meer in prinselijke stijl, en duidelijk een voorbeeld van

verarmde adel. En wij ervaren hoe zij hun afkomst omzetten in inkomsten. We kamperen op hun terrein – met jawel een hete douche. We worden ontvangen in de salon voor een aperitief waarbij de oude prins een onsamenhangend verhaal vertelt over zijn voorvaderen, over zijn landing in Georgië. Totdat zijn kordate vrouw daar een einde aan maakt en ons uitnodigt aan tafel voor het diner. Met rollende ogen laat ze ons weten dat het verhaal niet beter gaat worden en laat haar nasputterende echtgenoot achter in de salon. Het voorgerecht wordt geserveerd. Gevulde eieren met munt en koriander op een schelp,

gevolgd door een rolletje gehakt in deeg op aardappelpuree, daarna een salade van tomaat, komkommer en koriander en tot slot ijs als dessert. Halverwege het diner komt een beroemde gast binnen. Een in Georgië beroemde zanger/muzikant die ook in Europa heeft opgetreden: Beso Chitanava. Hij speelt oude Georgische liederen en begeleidt zichzelf op een chomguri en later op de piano. De prinses zingt af en toe de tweede stem mee en vertelt als gastvrouw tussendoor korte verhalen over verschillende onderwerpen. We hebben een filmpje van het zingen gemaakt. Na het diner wordt er koffie geserveerd in de salon waar we verder luisteren naar de prachtige stem van de zanger. Om 9 uur worden we allervriendelijkst de deur gewezen. Het was een bijzondere, wonderlijke en zeker vermakelijke avond. Prinses of niet maar de volgende dag moet gewoon het wc-papier aangevuld worden en de kippen, ganzen en eenden gevoerd worden.


Dan rijden we de bergen in: de Kaukasus. We volgen de hele dag de rivier Enguri, dat in het begin een stuwmeer is. Na een paar kilometer ligt dat stuwmeer vol met houten planken en boomstammen. Stroomopwaarts zien we houtzagerijen. De rivier wordt smaller en het stroomt harder. Langs de weg staan honderden bijenkasten. Bewaakt door vogelverschrikkers (misschien om vogels weg te houden die bijen lusten zoals de bijeneter). Als we pauze houden bij een café hoor ik pas hoeveel lawaai die rivier maakt. Je zult er maar eens naast wonen. Het water beukt met een razend geweld op de rotsen.


Wil René moet zijn ogen op het asfalt houden vanwege de gaten. Het asfalt wordt hier blijkbaar regelmatig weggespoeld of weggeschoven. Een lintje om de ontbrekende rand is als

waarschuwing voldoende – blijkbaar. Hele stukken zijn onverhard. Ondertussen wordt er aan de weg gewerkt of beter aan de ondertunneling voor de stromen die uit de bergen komen. En dat zijn er veel. Daarnaast is het uitkijken voor loslopende koeien, varkens en honden. Ook al kijkt hij vaak in de zijspiegels, regelmatig wordt hij verrast door de hardrijdende 4 wheeldrives die ons zelfs in de bocht voorbij scheuren. Ik geniet van het uitzicht en oefen vooral met mijn nieuwe film-fotoapparaat. Als ik ‘s avonds de filmpjes download heb ik 1,5 uur aan film (waarvan veel meteen weg kan). We zijn ’s morgens om half negen vertrokken en komen eind van de middag aan op de overnachtingsplek. En dan hebben we 123 kilometer gereden en 1000 meter gestegen…. En hoewel we rustig gereden hebben, is het brandstof verbruik 1 op 7,5 (normaal 1 op 10).


Was de temperatuur de afgelopen dagen rond de 25 en 27 graden, is die hier in de bergen hetzelfde. Dat had ik niet verwacht. Gelukkig koelt het ’s nachts af tot 15. Met hier bedoel ik het dorp Mestia. Ik herken meteen de sfeer van de bergdorpen uit de alpen. Hoge kroegdichtheid, veel backpackers, jonge gasten die hun mail checken op het wifi terras. Reclame voor skiën, verhuur van mountainbikes en paarden. Ik had hier ook wel rafting verwacht maar waarschijnlijk alleen voor de echte diehards.


Eenmaal op het wildcamp blijkt er van alles aan de hand. De hor van de camper die we de laatste keer gemaakt hebben is kapot (het andere touwtje is geknapt). Een andere campers zit vast in een greppel vlak bij het dorp, van een ander stel is de hond gebeten door een andere hond en is niet in orde, de camper van de reisleiding is kapot, zij zijn langzaam teruggereden naar de stad waar we vanochtend vertrokken zijn op zoek naar een garage. Hoeveel pech past er in één dag?


De hor is inmiddels gemaakt, de camper is uit de greppel getrokken en heeft verder geen schade. De hond is nagekeken door een dierenarts in het dorp, die net vandaag met zijn praktijk is begonnen en de hond zeer kundig heeft geopereerd en dag later scharrelt ze weer voorzichtig rond. Zover het goede nieuws. Helaas is de camper van de reisleiding zo stuk dat die niet in Georgië te repareren is en wordt afgesleept naar Turkije… En geluk bij een ongeluk: de reisorganisatie die meerijdt om nieuwe, mooie plekken te vinden, wordt onze nieuwe reisleider.


Wij gaan nu toch maar de band laten plakken. Ik zit niet te wachten op een klapband in de bergen

– ook al is de kans klein. In dit dorp zit een bandenservice wat gezien de wegen hier best een lucratieve handel moet zijn. Terwijl een deel van de groep wandelen naar een gletsjer, rijden we het dal in. Daar blijkt de schroef een schroefje te zijn. Helaas blijkt de machine ongeschikt te zijn om onze band van de velg te krijgen. De monteur probeert het verschillende keren maar de velg is te hoog. Hij doet er een plug in. Die reparatieset hebben we ook bij ons maar als ik zie met hoeveel kracht hij die plug in de band ramt, dat hadden wij nooit voor elkaar gekregen. Ik betaal graag de tien euro die hij vraagt.


We rijden terug via een klein maar mooi museum over de Svaneti. De Svan zijn een bergvolk dat

al eeuwen in deze regio woont. Het museum toont mooie voorwerpen waarvan vele het christendom raken. Ondanks de Osmanen die Georgiërs dwongen tot de islam en later de communisten die geloof verboden is de bevolking overwegend orthodoxchristelijk (80-85%). Dat zijn dan zo’n drie miljoen mensen. Al sinds de 4e eeuw. Bonifatius die in Nederland mensen tot het christelijke geloof probeerde te bekeren, deed dat pas in de 7e eeuw.  De voorwerpen in het museum vertellen me weinig over dit volk dat volgens de romeinen al vechters waren. Deze foto vond met in de stoel een professor die in de 19e eeuw onderzoek doet, gaf nog enigszins een beeld. Al weet ik niet of het representatief is.


Van Mestia steken we een bergrug over en volgen we opnieuw de rivier de Enguri, verder

stroomopwaarts. Doel is een van ’s werelds hoogstgelegen dorpen. Om daar te komen steken we een paar keer een rivier over zonder brug en worden we verrast door 500 meter onverhard weg. Die is waarschijnlijk weggeschoven door stukken berg. Een spannende 500 meter met een tijdelijk houten brug, veel kuilen, tegenliggers. Ik film net als gisteren en Wil René maakt er een filmpje van – zo rijd je een stukje met ons mee door de Kaukasus.


Het dorp Ushguli ligt op 2200 meter. Niet de hoogte maar zijn torens trekken veel toeristen.

Zoveel dat ieder huisje wel een museum of café is. Wandelend door het dorp met de torens waan ik me in de middeleeuwen. Smalle, halfverharde, modderige, hellende paden, vol met koeien/paarden-stront, huizen zijn van gestapelde stenen. Alleen de metalen platen zijn niet middeleeuws. Net als de enkele auto’s die er geparkeerd staan. Dat zijn goede middenklassers. Het toerisme brengt hier geld in het laadje. De torens zijn door de Svans gebouwd voor verdediging bij indringers van buiten. De ingang zit op de 2e etage. Ze gebruiken een ladder die ze naar binnen halen zodat de toegang onbereikbaar is. En daarmee was de toren ook een bewaarplaats voor kostbaarheden. Met vuren hielden ze bij dreiging contact met de andere torens in de regio. Niet alleen voor indringers van buiten maar ook bij ruzie met andere clans waren deze torens een veilige haven. [2]In het verleden was bloedwraak een “traditie” bij de Svan. Deze dodelijke vete tussen families hield vele generaties stand. In een van die gestapelde stenen-huis- met-toren draait er een film, zesmaal per dag, genaamd Dede[3]. Ik zag de filmposter ook in Mestia. Bloedwraak en bruidkidnapping zijn het onderwerp.  


Zeker 6 maanden is het dorp bedekt met sneeuw en nauwelijks bereikbaar, desondanks wonen er het hele jaar mensen. Ik moet er niet aan denken.


Het dorp is te klein en te vol om er te overnachten. Daarvoor rijden we weer een prachtige weg. We zien de sneeuw onder en naast ons. De Zagaro pas over op 2600 meter met minder uitzicht dan gehoopt. De wolken hangen laag. Overnachten doen we 400 meter lager langs de weg met uitzicht op een enorm gebergte en een gletsjer.  Van beide is weinig te zien door laag hangende bewolking.  De volgende ochtend is het helder en de zon schijnt. Het uitzicht is adembenemend. Die berg rechtsachter is zo’n 4500 meter hoog! En daarachter ligt Rusland.      


Hier ontspringt een rivier die samenvoegt met de Tskhenistskali. En deze rivier volgen we de hele dag tot Martvili. We dalen stevig vanaf 2200 meter naar 1900 als we ineens een rood alarm van de motor krijgen. We moeten ‘m laten controleren, staat er op het display. We zetten de motor uit. Geen bereik hier. Dus een Fiatgarage kan ik niet opzoeken. Als we opnieuw starten, is het rood vervangen door oranje. Nog steeds moeten we ‘m laten controleren maar het acute probleem lijkt verdwenen. Helemaal ontspannen rijden we niet. Wat jammer is want het is weer een prachtige route. De weg is ook ditmaal een uitdaging. Om de paar kilometer staat er een bordje Landslide area. Hier zijn de betonplaten verdwenen en de weg bestaat uit zand, stenen en gaten. Na de lunch is ineens ook het oranje alarm verdwenen. Vrolijk rijden we verder, nog steeds dalend tot 200 meter waarbij we het laatste stuk zelfs uitstekend asfalt hebben.

We maken een film van het rijden door de Kaukasus van de afgelopen dagen.


Dalen betekent jammer genoeg ook dat dat de temperatuur stijgt en het weer klef is. We hebben de douche omgebouwd tot kastruimte. Met zo weinig campings moeten we creatief zijn. We hopen er een te vinden bij een plek waar ze raften. Maar helaas geen douche. Dus gebruiken we een sproeier die aan de buitenkant van de camper zit en wassen ons met koud water. Gelukkig is het warm buiten….    


Onderweg zag ik grafstenen – althans dat denk ik - met grote foto’s er op. Een hek eromheen, een dak erboven. Ik moest denken aan de picknickhuisjes die ik Turkije zag.  Als ik weer een aantal van die huisjes naast de weg zie, ga ik dichterbij kijken. De eerste omheinde plek heeft geen dakje. Wel een grafsteen met een grote foto van een jongen (24) met naast hem een fles cola, halfvol en een vol geschonken glas. Naast hem een staat grafsteen met een oude dame

(oma? 88). Op een stenentafel naast haar staat een fles wijn en een bord. Ik loop een ander trapje op en zie drie graven onder een golfplaten-dak. Ook hier staan flessen wijn op tafeltjes naast de graven. Hier staat zelfs een tafel met kleed en een bankje. Na wat zoeken op internet, vind ik uitleg. Dat van picknick blijkt te kloppen. Bij ons is er een koffietafel, daar zijn er maaltijden bij het graf. En eens per jaar is hier ook een soort dodendag (paasmaandag) waarbij Georgiërs overleden familieleden eten en drinken met de doden. Ik vind een oude BBC docu van deze feestdag op een “normale” begraafplaats in Tbilisi. [4]      

    

Andere bijzondere, rare fotomomenten:

  Gele buizen lopen in een aantal dorpen langs de weg, net als de elektriciteitsdraden, boven de grond. Het zijn waterleidingen en ieder huis heeft een eigen aftakking én een meter. 

  


Werken aan de weg, je zet een pion neer op de snelweg en gaat aan de slag! De grootste schrik kreeg ik in een onverlichte tunnel waar drie mannen rechts op weg staan!

 

De loslopende honden hebben hier vaak een oormerk en zijn ook niet mager. Hoewel ze van niemand zijn worden ze waarschijnlijk wel gevoerd.  Ik zie zelfs een paar keer een hondenhok, midden in de bergen (dat rode huisje op deze foto). 


Voetnoten

[1] Een interview met Veronik over hun komst naar Georgië, de eigendom claims en relaties met Europese vorstendommen, kun je lezen op: https://frontnews.ge/en/news/princess-murat-first-came-to-kyiv De vertaling is krom maar het is wel grappig

© 2026 Hellie van Hout

bottom of page