top of page
  • 22 mei
  • 9 minuten om te lezen

Veenendaal, Vils, Rovereto, Castel San Pietro Terme, Cittá di Catello, Assisi, Esanatoglia

12 – 22 mei 2026


Nog snel tetanus en hepatitisprikken halen bij de GGD in Utrecht en we kunnen vertrekken. Ze zijn niet strikt noodzakelijk maar raadzaam voor de reis die we willen maken. Ze hadden ons ook graag tegen hondsdolheid ingeënt, maar dat vonden wij niet nodig. Wil René is geen honden-, noch katten- liefhebber. Dus de kans dat ze in de buurt komen, is buitengewoon klein.

De eerste stop is Veenendaal waar we kunnen overnachten op de parkeerplaats van een restaurant. Daar eten we met Wil René zijn zussen en zwagers. Gezellig, en eigenlijk eten we net te veel. Voor het eerst sinds ik me kan heugen, krijgt Wil René zijn ijsje niet op. En dat is echt bijzonder. Zo eet hij twee ijsjes van Ko Drost op, voordat ik de mijne op heb. Het formaat van dit dessert is dan ook enorm.

We worden vroeg wakker en rijden om half acht al naar het Zuiden vergezeld door een lekker zonnetje. Nu voel ik pas dat we aan een nieuwe reis beginnen.

Dat zonnetje verdwijnt in Duitsland achter de wolken en laat zich pas rond acht ‘s avonds zien als het de besneeuwde bergen van Oostenrijk oplicht. Ja we hebben maar liefst 750 km gereden. Met de nodige files. Het hemelvaartweekend begint morgen, extra veel mensen onderweg – en dat waren wij vergeten. We rijden om beurten en stoppen alleen voor koffie, tanken, lunch en besluiten zelfs onderweg te koken.  Het is immers tot half negen licht en aangezien de temperatuur niet boven de 11 graden komt, is doorrijden aantrekkelijker dan stoppen.


We zoeken een plek om te overnachten in de buurt van de Weissensee of net over de grens bij

Oostenrijk. Simpel, niks bijzonders. Nou als er 25 tot 40 euro voor over hebben. Daar krijg je dan een plek voor, zonder voorzieningen, alleen een hek. Een gewilde regio, blijkbaar. Ik zie nog een truckersplek bij een benzinepomp voor 6 euro. Dat vind ik dan nog wel redelijk. Alleen als we daar gaan kijken, is er nog een plek naast vrachtwagen met levende varkens!! We rijden een stukje verder. Wil René heeft gelezen dat mensen wel eens overnachten op een verlaten bouwterrein in Reutte, een dorp verderop in Oostenrijk. Het bouwterrein blijkt inderdaad verlaten maar niet leeg. Er staan tientallen nieuwe auto’s zonder nummerplaat gestald. Daar passen wij wel naast.


Hemelvaartsdag is een zeiknatte dag. Het regent echt de hele dag en daarmee is er geen uitzicht.

De wolken hangen laag. Om de tolwegen te vermijden, rijden we via Nauders Italië binnen. Op 1500 meter valt er geen regen maar natte sneeuw.

Zo jammer dat we geen uitzicht hebben. Aan de Italiaanse kant is het nog natter. Ik heb medelijden met de vele fietsers die met volle bepakking door de bergen fietsen. Die hadden waarschijnlijk half

mei aangenamer weer verwacht. Ik ook. Hier lijkt hemelvaart niet voor iedereen een vrije dag, althans de wegwerkzaamheden gaan gewoon door, en dus zijn de files nog talrijker. De lucht is zo donker dat het wel avond lijkt en met de vele regen en plassen is het pittig rijden in het Italiaanse verkeer. Rond vijf uur zijn we het zat en vinden een camperplaats met warme douche.  Morgen verder tot we de zon vinden.


We rijden de Dolomieten uit en bereiken de Po-vlakte. In de regen. We rijden tot Bologna en nog altijd geen zon alleen maar regen. Zelfs na 1300 kilometer geen zon. Grrr. Als het even droog is lopen we naar de supermarkt. In het dorp zie ik een auto rijden met een enorm bloemstuk op z’n dak. Hij stopt bij de kerk en ik zie dat het een schilderij is met een dikke lijst met bloemen. Een groep oude mannen tillen het gevaarte van het dak. De pastoor met pet kijkt toe. Hij lijkt zo uit een oude Italiaanse film zijn weggelopen.


’s Nachts hoost het gigantisch maar de ochtend is droog. We wandelen door het park waar onze

camper naast staat. We zien mensen met flessen zeulen. Er is hier een bron. Het dorp heet dan ook Castel San Pietro Terme. Het bord naast de bron geeft aan dat je maximaal 20 liter per persoon mag tappen. Ik vraag aan een vrouw die staat te tappen, dat ze toch wel kraanwater hebben? “Dat klopt maar het is niet zo lekker als dit.” Ze geeft me een flesje water om te proeven. “Er zit geen chloor in.” “Precies”, zegt ze en vult verder haar andere flessen. Ik durf niet te vertellen dat het water uit de kraan in Nederland net zo proeft.


We rijden weer een stukje verder naar het Zuiden de Apennijnen in. Inmiddels is de lucht

opengebroken en zie ik een blauwe lucht met witte wolken. Jawel de zon schijnt en onderweg spettert het hier en daar nog. Het stuwmeer dat we passeren is vol, bomen staan in het water. Goed nieuws voor Toscane en Umbrië die deze zomer voldoende water hebben. De weg staat op poten boven de rivier die tussen bergen meandert. Kilometers dendert de camper over gaten, waar brugvoegen zouden moeten zitten. De wegen hebben hier sowieso veel gaten. Dus ik oefen om ze zoveel mogelijk te vermijden, voor later deze reis.


Vannacht slapen we op een camping, en als de voorspellingen kloppen, hebben we de komende

dagen zon. De camping is sinds gisteren open. Vanwege de vele regen en het natte voorjaar zijn alleen de bovenste twee terrassen beschikbaar. Helaas zijn het zwembad en het restaurant nog niet open. Geef niks, zo warm is het nou ook nog niet. 

De voorspellingen kloppen deels. Het is afwisselend bewolkt en zonnig. Het belangrijkste is: het is droog.


Naast de camping ligt een oud park. Tussen de bomen verschijnt een groot statig huis dat er goed bij ligt én onbewoond is. Er staat een groot informatiebord – in het Italiaans. De woorden viaggio di studio (studiereis), maffia en Montessori triggeren me. Met een vertaal-app achterhaal ik het verhaal. Hier woonde baron Leopoldo Franchetti en zijn vrouw Alice Hallgarten ruim 150 jaar geleden. Franchetti reisde na zijn studie Rechten naar Zuid Italië om een beter beeld te krijgen over sociale en economische vraagstukken. Op Sicilië raakt hij onder de indruk over de perfecte zorg voor citrusbomen. Totdat blijkt dat de Maffia deze beheert en iedereen die zich tegen misstanden verzet, vermoordt of intimideert. Vooral de moord op een jongeman die een aantal kleuterscholen heeft opgezet, laat diepe indruk achter. Want de maffia wilde ongeschoolde en daarmee makkelijk te manipuleren werkers.  

Eenmaal terug publiceert hij hierover en gaat hij de politiek in. Met zijn vrouw organiseren ze later in dit statige gebouw gratis onderwijs voor kinderen van arbeiders, stimuleren innovatie in landbouw èn onderwijs. Daar krijgt Maria Montessori de ruimte om haar pedagogische methode te ontwikkelen. Na Franchetti’s dood wordt het park en huis ondergebracht in een pedagogische stichting, die nog altijd bestaat[1]. Met andere ogen wandel ik verder door het park Villa Montesca. 



Cittá di Castello is het stadje waar we op uitkijken. Zo’n 200 meter lager. We fietsen de helling naar beneden, die we met de camper maar even niet inreden. Het waarschuwingsbord: helling 17%, was genoeg om de volgende afslag te pakken. Die slingerweg, die drie keer langer was, pakken we straks op de terugweg naar boven wel. Veel minder steil. We zijn inderdaad snel beneden.

Het is een charmant oud stadje waar vandaag, toepasselijk, de Distinguished Gentlemens Ride[2] is. Vintage motorrijders zamelen geld in voor prostaatkanker. Onderweg daarheen, fietsen we het stadhuisplein in het centrum op waar een antiek en curiosamarkt is. Altijd leuk om rond te dwalen, terwijl een verkoper een oude pick-up met Duitse 78-toeren plaat demonstreert.

 Als contrast bezoeken we in een 16e eeuws palazzo waar een tentoonstelling van Alberto Burri[3] te zien is. De enorme werken zijn abstract. Maar enkele werken boeien me. Vooral de miniaturen.     

  

Na zo’n dag cultuur is een boek lezen op de camping waar je vooral vogels hoort een fijne afwisseling. Ik ben me een beetje aan het inlezen voor de reis naar Turkije, Georgië en Armenië. Eerst over de verre geschiedenis van Turkije, dan een roman over het leven in Oost Turkije in de jaren 50 en nu begonnen aan het boek waarin correspondent Lucas Waagmeester[4] schrijft over zijn jaren in Turkije (2014-2020). Die eerste hoofdstukken schokken me. Ik weet wel dat Turkije geen modelstaat is, dat Erdogan en zijn partij niet altijd de democratische weg kiezen en opponenten het daar zwaar hebben[5]. Hij verhaalt over de wijze waarop de Turkse regering omgaat met Koerden en de onmogelijkheid voor journalisten om daarover te berichten of als je dat toch doet, het land wordt uitgezet. Wij reizen straks voor al in Zuidoost en Oost Turkije. Het gebied waar de meeste Koerden wonen[6]. Benieuwd wat ik daar straks van ga merken. Ik merk dat het enthousiasme om wat Turks te leren, afgenomen is.


Voordat we in Turkije zijn, bezoeken we eerst nog Assisi. De Italiaanse stad waar alles draait rond de katholieke heilige: Franciscus. Het is een bedevaartsoord en staat vol kerken en kloosters. Je kunt de hele dag biechten en missen volgen. Ik behoor tot die andere groep: toeristen die door de

nauwe straatjes wandelen. Maar voordat ik in die smalle straatjes loop, ploeg ik eerst een steile helling omhoog met een rugzak waarin een drone zit. Ik had wel gelezen dat het een steile klim was vanaf de camperplaats, maar och het was maar 20 minuten… Nou dat valt tegen. Ik doe er zeker 30 minuten over en uitgerekend vandaag schijnt de zon flink, en gaat de wind achter de stadsmuren schuil.  Na een half uur ben ik door de poort en wandelen de eerste

Franciscaanse monniken al voorbij. Die 100 meter hoogte betaalt zich wel uit met een prachtig uitzicht. Op een terras in de schaduw besluit ik mijn plannen aan te passen. In mijn overmoed, dacht ik naar een uitzichtpunt te lopen, dat nog 100 meter hoger en een half uur verder ligt. Ik hou het bij 30 meter en 10 minuten wandelen en met de drone evenaren we dat uitzicht wel – denk ik.


Het andere plan was, om morgenochtend de Franciscusbasiliek te bekijken. Nog een keer die helling van 10% omhoog – ik dacht het niet. De kerk is tot 19 uur open, dus lopen we naar het andere eind van de stad. Ik herinner me nog de beelden van een ingestorte kerk, dat was in 1997.[7] Het dak en de fresco’s uit de middeleeuwen zijn al vele jaren hersteld, en zijn mooi om te zien.

Ik hoor Slavische talen, Spaans maar vooral Italiaans om me heen gesproken door de vele middelbare scholieren die op schoolreisje zijn – vermoed ik.  Dan is de energie op en ploffen we neer in een pizzeria. Als we rond half acht afdalen, is het licht prachtig. Wil René stuurt de drone nog een keer de lucht in. Vanavond vroeg naar bed. Klik hier voor de video van Assisi. 


De reis gaat verder richting de kust waar we over twee dagen de boot nemen naar Griekenland.

We stoppen eerst in een heel klein dorp met muurschilderingen. Mooie pauze plek die ons in de bergen van Umbrië voert. Het dorpje is nauwelijks op de kaart te vinden en ook pas bij de afslag richting het dorp zie ik als eerste een bord – Murals. En daaronder klein de plaatsnaam Cacciano. Bij het enige café van het dorp is een plek waar we kunnen staan en waar info over de muurschilderingen te krijgen is. Al sinds 2007 is er jaarlijks een schilder-tentoonstelling. De eerste 10 jaar waren het gewone doeken, sinds 2017 zijn de dorpsgevels de doeken voor kunstenaars. Tot onze verbazing zijn er in die 9 jaar al meer dan 60 gemaakt. Van kinderschilderingen tot prachtige gevelgroottte murals. Behalve wij, wandelen er nog drie Aziatische bezoekers rond. De paar bewoners die ik zie, zijn allemaal 60 plus en naast het café annex vergaderzaal is er alleen nog een kerk. Veel huizen staan te koop. De murals genereren in ieder geval inkomen voor het café en misschien aandacht van toekomstige dorpsgenoten?


 Camping La Luna is de laatste camping die we in Italië aandoen. Het blijkt gerund te worden door een Nederlands koppel. We worden enthousiast onthaald. Of we dan ook donderdagavond zin hebben om mee te doen met Camping Chefs. “Iedereen maakt iets klaar, dat zetten we op een buffet en dan eten we met de campinggasten aan een lange tafel.” Gezellig, we doen mee.

Italië is in deze periode nog zo prachtig groen en in dat is op deze camping volop aanwezig. We zoeken een plekje onder bomen want de zomer lijkt nu echt begonnen. De beelden die we in Assisi en Cacciano hebben gemaakt verwerken we tot filmpjes. (Je kunt die ook zien bij het tabblad Video van deze website) En terwijl daar mee bezig zijn, vraagt Inke, de campingeigenaresse, of we een drone-foto kunnen maken van het nieuwe zwembad.

Tuurlijk. Ze zijn sinds twee jaar de trotse eigenaar van deze camping. Terwijl we filmen, besluiten we er ook maar een filmpje voor de camping te maken. Het eten is lekker en de gesprekken met de andere koks zijn top. We blijven maar twee nachten. Want vandaag rijden we naar de haven Ancona. Vanavond en morgen varen we naar de volgende etappe: Griekenland.

        

 

Voetnoten

[4] Op drift: De ontwrichting van Turkije,  Lucas Waagmeester.

[6] Koerden vormen ongeveer 15% tot 20% van de Turkse bevolking (12 tot 16 miljoen personen). Ze wonen hoofdzakelijk in het oosten en zuidoosten van Turkije. https://nl.wikipedia.org/wiki/Koerden

  • 15 mrt
  • 9 minuten om te lezen

Palomares, L’Aldea, Narbonne, Châtelguyon, Mailly-le-camp, 6 – 16 maart 2026


We verlaten Granada met regen. Op borden boven de snelweg wordt gewaarschuwd voor

gladheid. De regen wordt natte sneeuw zodra we op 1250 meter rijden. Op bruggen over de snelweg staan de strooiwagens klaar. Het ziet er naar uit dat we de juiste beslissing hebben genomen om te vertrekken.


We rijden de kortste route naar de oostkust wat nog altijd 3 uur rijden is maar daar schijnt de zon. Er is een camperplek die niet ver van het strand ligt. Zodra we de camper hebben staan, wandelen via de achteruitgang richting zee. Tussen de velden door. Alleen heeft het hier vannacht ook flink geregend. Het zand wordt modder en ik zoek droge stukken om te staan. Totdat die er niet meer

zijn. De modder plakt onder mijn zolen. En ineens glijden mijn voeten onder me vandaan. Ieder een andere kant op. Ik weet nog net mezelf op te vangen … met mijn handen. Die dan ook onder de modder zitten. Hééél voorzichtig lopen we verder en bereiken heelhuids de asfaltweg naar het strand. Zover als ik kijken kan, zie ik campers staan. Op deze stranden schijnt kamperen tot 1 april gedoogd te worden. Het bord langs de weg, geeft andere informatie. Verboden te parkeren voor caravans en campers, voor alle voertuigen langer dan 5 meter. Met deze zon en de ligging aan zee snap ik wel dat ze hier gaan staan, het is bovendien gratis. De modder is niet echt een pré en hier staan ze ook in een rijtje net als wij.  



Mijn enthousiasme om langer te wandelen heeft een keerzijde. Vanochtend naar en over het strand gewandeld. Aan het einde van de wandeling gaat mijn heup zeer doen. En hoewel ik ’s middags niet meer wandel, blijft het lopen pijnlijk. Is mijn rug net weer opgeknapt, komt de volgende blessure. Dit zijn van die momenten dat ik me realiseer, dat ik het lijf van een 60+-er heb.


In plaats van wandelen pakken we de volgende dag de fiets. Geen lange fietstocht maar een lunch in Vera, dat is een half uurtje van hier. Meestal plant Wil René de route maar sinds een paar weken, gebruik ik ook de wandel- en fietsapp Organic Maps. Ik plan een route en controleer met satellietbeelden of het wel verharde wegen zijn. Zodra we het dorp uitfietsen, zien we dat hier veel water heeft gestroomd. Er ligt opgedroogde modder met flinke keien op de weg. Weer een kilometer verder is er geen asfalt meer maar gravel, waar het water weer flinke sporen in getrokken heeft. Af en toe komt er een auto ons tegemoet, maar de wegkwaliteit wordt er niet beter op. Met de harde opgedroogde modder is soms lastig manoeuvreren. We fietsen tussen slakroppen, bloemkolen, en omgeploegde velden een beetje omhoog en een beetje omlaag. Weer een kilometer verder is de modder minder hard opgedroogd en is het zoeken naar een beetje harde grond. Wil René zegt dat dit zo’n weg is waarvan je kunt verwachten dat die straks ineens stopt. Dat is niet te hopen want er waren nauwelijks zijpaden. De harde grond begint spaarzamer te worden en de modder wordt dikke klei. Ik voel dat de modder aan mijn banden kleeft, en rij naast de weg een braakliggend stuk op met  planten. Die is gelukkig wel hard. Ondertussen zit Wil René achter me vast in de klei. Met veel moeite komt hij er uit. Met een paar oude tegels die langs het pad liggen, krabt hij de klei van zijn banden. Ik zie een auto 30 meter verderop, op een verharde weg rijden. Dat gaan we redden. Ik krab eerst nog wat modder weg tussen het wiel en

het spatbord. Wil René rijdt vast naar de weg. Hij roept dat ik het modderpad moet oversteken en aan de rechterkant moet blijven. Weer plakt er modder aan mijn banden maar het blijft beperkt. Dan zie ik Wil René die vast staat in de klei. Hij moet zijn fiets er zelfs uit tillen. De modder zit in grote bulten vast aan zijn fiets. Met stokken schrapen we er zoveel af, dat de wielen weer kunnen draaien. Nu hopen dat we al fietsend veel kwijtraken. Nou, een beetje. Als we bij een lunchtent onze fietsen parkeren, reageren mensen op het terras. Het was inderdaad een avontuur. De terugweg gaan we keurig over de weg. Op de camperplek spuiten, lepelen, borstelen we de fietsen schoon. Een eenvoudige fietstocht werd een stevige beproeving en voorlopig mag ik de route niet meer plannen, denk ik.     


Verbaasd kijk ik, als er een Guardia Civil over de camperplaats rijdt. De verbazing stijgt als daarachter een auto van de lokale politie rijdt. Ik kijk mijn buurman aan, die zijn schouders ophaalt. Ook hij heeft geen idee. En zijn nieuwsgierigheid is groter. Als hij terugkomt, vertelt hij dat er een camperbezitter over de rooie is gegaan: schold zijn buren uit en goot zuur over hun was en camper. Die hebben de politie erbij gehaald. “Je kent hem misschien wel, dat is die man die af en toe rare dingen zegt.” “Nee, is me niet opgevallen. We staan hier net 2 dagen.” Burenruzie komt dus ook voor op camperplaatsen.  


Aanvankelijk hadden we hier twee nachten bedacht maar maandag is nog een zonnige dag en daarna komt er weer een regenfront over Spanje. Dan kunnen we beter dinsdag verder reizen. Onze buren gaan dan ook reizen. Ze zijn een maand in Spanje en dat is ze tegengevallen. Veel regen en harde wind. Veel te weinig buiten gezeten. Hun dakluik is er zelfs afgewaaid toen ze op de snelweg reden. En nee, het luik stond niet open. Na 15 jaar twijfelen ze of ze niet hun camperbus moeten verkopen. Er zijn kleinkinderen en een zomerhuisje bijgekomen en met een Spaanse winter als deze, vragen ze zich af of het nog de moeite waard is. Ik denk dat ze net pech hebben gehad met de maand. Dus rijden we allebei op dinsdag weg. In de regen.


Zolang het regent rijden we naar het noorden. Inmiddels hebben we besloten dat weer naar Nederland gaan. Naar huis. Al klinkt dat gek want we zijn meer in onze camper. Die noemen we dan maar thuis. Het regent tot voorbij Valencia. Dan komt de zon tevoorschijn. We zoeken een camperplek niet ver van de snelweg. En bekijken het weer. De komende dagen is het mooi weer voorbij de Pyreneeën. Dus stappen we de volgende ochtend weer in en rijden naar Zuid Frankrijk.


Bij Narbonne is een kleine camping die open is. In tegenstelling tot Spanje zijn in Frankrijk veel campings pas vanaf 1 april open. Het is een typische Franse camping waar kippen rondscharrelen met veel groen - al zijn de bomen nog kaal -, de receptie en het huis zijn wat vervallen. Het toiletgebouw is gelukkig supernieuw. Door de regen van de afgelopen tijd is het wel modderig. We vinden een plekje dat moddervrij is, althans als we eerst met de camper door de modder heen rijden 😊


 

Narbonne blijkt zo’n mooi Frans stadje te zijn, dat niet ten prooi is gevallen aan de vernieuwingsdrang zoals in sommige steden. Daar zijn oude panden afgebroken en door van die lelijke betonblokken vervangen. Soms is armoede een zegen voor een stad – geen geld voor stedelijke vernieuwing. Centraal in Narbonne staat een enorm aartsbisschoppelijk paleis, een robuust gebouw uit de middeleeuwen dat ver boven

de stad uitsteekt. Op internet zag ik dat vanmiddag om 3 uur een rondleiding over architectuur gegeven wordt door studenten: verzamelpunt gemeentehuis. Die blijkt in dat paleis te zitten. De receptioniste weet niet of die rondleiding ook in het Engels is maar belt met iemand. Helaas alleen in het Frans en dat beheers ik onvoldoende.

In datzelfde paleis zit een kunstmuseum. Op de derde etage. Aanvankelijk zie ik matige schilderijen. Gevolgd door serviezen. Ben ik ook niet enthousiast over. De volgende zaal hangt vol met Orientalistische schilderijen. Schilders uit de 19e eeuw gingen naar Marokko, Turkije of het verre oosten en schilderden taferelen uit die landen. De mooie kant, zoals westerlingen dat graag zagen. Het was de hoogtijdagen van het kolonialisme. We herkennen Marokkaanse taferelen, al ontbreken de brommertjes. Wij kijken uiteraard naar de manier waarop ze zijn geschilderd. Toch nog een interessant museumonderdeel.

We rusten uit op een terras op het plein. Dan wandelen we om het paleis en lopen de kathedraal in. Zoals in iedere kathedraal is er een schatkamer. Bij het entreekaartje van het museum zat de toegang van de schatkamer er ook bij. Nou schatkamer. Ik weet het tapijt, de kistjes en de boeken waarschijnlijk niet op waarde te schatten. Hier zou ik nooit een kaartje voor gekocht hebben. Binnen 5 minuten staan we weer in de kathedraal die vooral heel hoog en donker is. Hetzelfde kaartje geeft ook toegang tot de oude toren van het paleis. Laten we die dan ook maar doen. 42 meter omhoog met een smalle wenteltrap. Pittig maar wel een mooi uitzicht.


Ook de volgende dag is het zonnig weer en het is maar 15 minuten fietsen langs het kanaal naar

het centrum van Narbonne. In een oude kapel is een tentoonstelling over street art van Mr Brainwash. Deze kunstenaar werkt met een aantal iconische afbeeldingen van anderen die hij herhaaldelijk gebruikt en dat combineert met veel kleuren. Denk aan het meisje met de ballon van Banksy, soepblik van Warhol, Charlie Chaplin van Sintek.  Hoewel ik er vrolijk van wordt, denk ik ook: is dit straat - Kunst? Ik denk het niet. Hij is wel commercieel handig. Hij verkoopt werken voor een ton. De tentoonstelling heet Narbonne is beautiful en is betaald door de gemeente, waar verder nauwelijks streetart is. De naam en de inhoud lijkt op het museum van Mr Brainwash zelf in LA: life is beautiful.[1]


Natuurlijk zitten we daarna weer op een terras in de zon. Wie weet wanneer we dat weer kunnen – morgen is er weer regen voorspeld. We eten een gebakje op de gezondheid van mijn schoonzussen en de geboorte van een kleinkind van een vriendin en mijn eigen verjaardag die er aan komt.


Als we de camping op fietsen, komt er een jogger het terrein oprennen en roept van alles in het Frans. Veel begrijpen we er niet van, maar dat hij in paniek is, kunnen we in zijn ogen lezen. We nemen hem mee naar de receptie maar die is gesloten. Dan begrijpen we dat hij moet bellen en geen telefoon bij zich heeft. Met horten en stoten vertelt hij, dat hij een fiets langs het pad zag en toen rondkeek naar de eigenaar en hem zag hangen in de boom. We geven hem onze telefoon en hij belt de politie, doet zijn verhaal, wordt doorverbonden naar de lokale politie, doet zijn verhaal, die meldt dat ze hem doorverbinden met de brandweer. Voor de derde keer vertelt hij wat hij gezien heeft. Ze komen er aan. Het ingewikkelde is dat hij ons mobiel bij zich moet houden van de brandweer. Wil René kan wel met hem meefietsen terwijl hij terug rent naar de plek. Als ze

willen gaan, komt er een busje vanaf de camping naar de uitgang. Nee, geen personeel maar wel Franstalig. Hij kan meerijden en Wil René fietst erachteraan. Ondertussen regelen ze, dat ze met de telefoon van het busje contact houden met de brandweer. Wil René kan terug zonder dat hij het drama moet zien. Ineens realiseren we ons dat we gisteren bij de ingang van dat pad hebben gestaan maar vanwege de modder er niet zijn ingelopen. Poeh. Het duurt 30 minuten voordat de brandweer de camping oprijdt en wij uitleggen dat ze een zijstraat verder moeten zijn. Het is zo treurig. Mijn gedachten gaan naar een vriendin die ook lang geleden op die manier uit het leven stapte. 


Voor het eerst sinds maanden hebben we last van muggen. In Spanje hebben we daar geen last van gehad, waarschijnlijk vanwege het winterweer. Hier zitten ze wel. Van die grote, die zelfs door mijn spijkerbroek heen prikken. Eigenlijk vind ik geprikt worden niet zo vervelend, alleen dat gezoem rond mijn oren is bloedirritant. Wil René is helemaal niet van de beesten. Het formaat maakt niet zoveel uit. Toch gaat hij wel mee naar Micropolis. Het is een insectenmuseum en gelukkig voor hem zitten ze allemaal achter glas. Zowel de levende als de dode. Het museum is gericht op kinderen. Ik moet regelmatig door mijn knieën om door gaten te kijken. Ik zie prachtige kevers, mieren die door doorzichtige buizen wandelen en voedsel naar hun nest brengen, wandelende takken van wel 20 cm. En rijen prachtige vlinders en motten met een speld opgeprikt.

Gecombineerd met spelletjes, kruip door, speeltoestellen en een 3D film over bijen die honing maken. Kortom een leuke pauze voor onze reis naar het Noorden. Tegen de verwachting in is het de hele weg droog met in de middag n zonnetje. We zien de sneeuw liggen in het centraal massief en krijgen ook een vleugje sneeuw als we passeren. Gelukkig komt de temperatuur niet beneden de 2 graden. Geen zin om ook nog te koken, eten we onderweg wat en komen in het donker aan bij een camperplek. Geen idee hoe de omgeving eruit ziet. Het is er wel windstil wat het makkelijker maakt om de camper warm te houden. 's Nachts daalt het kwik naar 2 graden. Binnen 10 dagen hebben we winter (sneeuw), zomer (zon), lente (terrasje met je jas aan) en herfst (regen en wind) gehad.  


Een zandvlakte met nog twee campers met een groene heuvelrug, is het uitzicht dat we gisteren in het donker niet zagen. Niet heel boeiend, maar goed genoeg om te overnachten. Vandaag rijden we weer 400 km naar het Noorden, de tolweg vermijdend. Morgen zullen we dat weer doen. Dan zijn we in Limburg waar we vrienden bezoeken. Het streven is om woensdag weer thuis te zijn, dan kunnen we ook nog gaan stemmen.

  

Voetnoten

[1] https://www.mrbrainwash.com/ Museum is trouwens sinds januari gesloten.

  • 6 mrt
  • 9 minuten om te lezen

Playa Granada, Motril, Granada 24 februari – 6 maart 2026

 

Het Alhambra is de plek waar ik al heel lang heen wil. De afgelopen jaren was het klimaat spelbreker (of veel te heet, of veel te koud) en je moet vooraf kaartjes kopen. Minimaal twee weken van tevoren, eerder is het uitverkocht. Op woensdag 4 maart is er pas plek. Volgens de weersvoorspelling is het die week redelijk, voor zover je zo lang van te voren het weer kunt voorspellen.  Dus boeken we al op 19 februari twee kaartjes Alhambra. Het Alhambra ligt in Granada wat weer naast de Sierra Nevada ligt – hoge bergen dus. Na twee weken bergen is Wil René wel weer toe aan strand en zee. We rijden we naar Motril. Althans zo heet de stad in de buurt. De camping ligt in Playa Granada – het strand van Granada. Daarvoor rijden we wel 4 uur naar de Zuidkust. We passeren daarbij de enorme Mar de plástico – de plastic zee. Door de weerkaatsing van de zon op al dat wit, is het vanuit de ruimte te zien [1]. Beter dan de Chinese

muur. Al dat wit plastic zijn kassen waaronder groentes als  tomaten schuilgaan. De Vlaamse schrijver Stefan Brijs[2] vertelt dat er tot zijn ongeloof, een natuurpark in het hart van die plastic zee ligt. Als fanatiek vogelaar gaat hij toch kijken. Hij vindt er tot zijn verbazing diverse vogels die hij hier totaal niet verwacht had. Vanaf de snelweg zie ik de meren liggen en ik begrijp zijn ongeloof.


We rijden kilometers tussen de kassen. Kassen langs de zee, kassen op de hellingen. Sommigen liggen zo schuin en hoog maar het loont blijkbaar. Een auto van Koppert haalt ons in. Koppert, van Koppert Cress? Ik ontmoette directeur Rob Baan ooit toen ik een innovatiedag organiseerde voor landbouw. Zijn bedrijf produceert micro groente – niet in Spanje als ik het nazoek. Hij heeft het stokje inmiddels overgedragen aan zijn zoon lees ik en de oprichter was ene Gerrit Koppert. Waarschijnlijk familie van Jan Koppert, beide uit het Westland. Jan blijkt de oprichter te zijn van Koppert dat zich bezig houdt met biologische gewasbescherming en inmiddels over de hele wereld zit, waaronder Spanje. En die auto haalde ons in. Zo’n zoektocht maakt dat de verder saaie reis sneller lijkt te gaan. 


De zon scheen toen we wegreden maar voorbij Almería wordt het mistig. En dan ziet het kiezelstrand bij onze bestemming er mistroostig uit. Gelukkig schijnt de volgende dag de zon en wandelen we ’s morgens langs de zee, met een kop koffie als tussenpunt. Eind van de middag

herhalen we deze wandeling maar dan pak ik een wijntje. Op die eerste zonnige dag zie ik de sneeuw van de Sierra Nevada. De dagen erna hangt er altijd bewolking en is het vaak grauw met weinig wind zodat de bewolking blijft hangen. Het is niet koud en we kunnen buiten schilderen.

Althans Wil René schildert, ik hou het nog bij tekenen. Schilderen, althans de statische houding is nog te zwaar voor mijn pijnlijke rug. Ik oefen met live-tekenen van mensen waarbij ik Wil René en mezelf als studieobjecten gebruik.


Dat wandelen is een verlichting voor mijn pijnlijke rug. Wat geen verlichting blijkt te zijn, is fietsen. Zelfs de 20 minuten naar Motril blijken pijnlijk te zijn. Iedere hobbel, ieder gat voel ik. Maar ik zet door want ik wil de voormalige Suikerfabriek bekijken[3]. In 1986 werden de stoommachines na 100 jaar productie, ontmanteld en verkocht. Toch staan ze weer in de voormalige fabriekshal. Met

veel moeite én geld zijn de oude machines weer aangekocht. Niet met de bedoeling het weer werkend te krijgen maar als erfgoed van de stad. Op het hoogtepunt stonden er 10 van die fabrieken in Motril. Van februari tot mei draaide de fabriek non stop om van suikerriet, suiker te maken. De rest van het jaar stond in het teken van onderhoud. Het moet er een tering herrie zijn geweest in de hal waar de rietstengels in stukken werden gehakt en leeg gewrongen. En dat het risicovol werk was, blijkt wel uit kapel die in de productiehal staat. Betaald door de werknemers om Maria om bescherming te smeken.

De geschiedenis van de suikerteelt is veel ouder. De Arabieren brachten het suikerriet mee (dat oorspronkelijk uit Zuidoost Azië komt).  Het warme klimaat en de meegebrachte kennis van irrigatie maakte de teelt van suikerriet mogelijk. Dit gebied werd in de Middeleeuwen het centrum van het witte goud: suiker. De

Spanjaarden namen zelf dat suikerriet weer mee naar Zuid en Midden-Amerika waar goedkope arbeidskrachten waren (lees: slaven). Behalve dat de productie overzee goedkoper werd, verbouwden ze in Catalonië inmiddels suikerbieten en met de komst van het toerisme in de ’70er jaren werden de velden als bouwkavels voor hotels veel meer waard dan suikerrietteelt. Deze uitleg krijg ik in het suikermuseum dat in een van die middeleeuws suiker”fabrieken” is gevestigd. Vooral de immense rietsuikerpers van ca 15 meter maakt indruk.      


De bijnaam van deze kust is Costa Tropical. Ze zeggen vanwege het klimaat en de teelt van

tropisch fruit zoals mango, avocado, banaan en papaya. Het is uiteraard een toeristische marketingterm. De “normale” naam is costa Granadina. De kust van Granada. Een half uur rijden voor die 500.000 inwoners. En dat merken we. Aanvankelijk was het een vrij rustig strand met hier en daar een wandelaar, maar in het weekend komen de Spanjaarden massaal naar de kust. Gezinnen picknicken op het strand, terrassen puilen uit, parkeerplaatsen staan vol en ’s avonds gaat de volumeknop in de strandtenten omhoog.


Onze laatste dag aan zee is het wederom bewolkt en dit maal wel met stevig wind. Dus niet schilderen maar naar de golven kijken die beuken op de zeewering en op het terras. Net als kampvuur kan ik er uren naar kijken. Wil René vliegt met zijn drone langs de kust om de golven in beeld te vangen. En als je die beelden ziet denk je niet meteen aan een tropische kust, zoals de marketeers ons willen doen geloven. Zie video.  


Dan is het tijd om naar Granada te reizen. Hoewel er laaghangende bewolking is, vind ik de 60 kilometer de bergen in,  prachtig. Morgen gaan we weliswaar naar het Alhambra, vandaag wil ik alvast vanaf een berg naar het beroemde kasteel kijken. Ik heb op de kaart een oud klooster gevonden met een parkeerplaats. Dat betekent wel dwars door de stad rijden, wat Wil René gelukkig wel leuk vind. De borden van de parkeerplaats geven aan dat het verboden is voor caravans en campers. Ik ga er gemakshalve maar vanuit, dat ze bedoelen niet kamperen. Ondanks de mistachtige bewolking is het uitzicht indrukwekkend. Zowel van de stad, als het Alhambra, als de bergen waarvan ik weet dat ze met sneeuw zijn bedekt. Het is waarschijnlijk Saharazand in de lucht dat de mist veroorzaakt.


Omdat het fietsen me zo slecht is bevallen, heb ik een camperplaats gevonden die dicht bij een metrohalte ligt. In een half uur ben je in het centrum, zeggen ze. En ze hebben een plek voor ons. De voorspellingen zijn inmiddels minder rooskleurig dan twee weken geleden, toen ik de kaartjes voor het Alhambra kocht. ’s Nachts regent het en de dag begint grauw. Ik trek een dikke trui aan onder mijn jas. Zo had ik het me niet voorgesteld.

Bij de metro/ tramhalte kopen we een herbruikbaar kaartje en zetten er twee ritten op. Voor de terugreis pakken we wel een taxi want dan ben ik waarschijnlijk gesloopt. Eenmaal in de metro ontdekken we dat je niet twee keer kunt inchecken. Iedere reiziger moet een eigen kaartje hebben. Gelukkig hebben we geen controle en op het station loop ik dicht achter Wil René door de poortjes. 

We lopen het centrum in en na de lunch nemen we een bus naar de ingang van het Alhambra. Het is zo’n klein rood busje en er willen veel mensen mee. Als sardientjes in een blik, rijden we zigzag ophoog. Deze weg is zo smal dat voetgangers zich tegen de gevels drukken als het busje passeert. Wil René kijkt benauwd: “Hier zou ik niet met de camper willen of kunnen rijden.”


Bij de ingang wemelt het van de mensen, ook met dit slechte weer. Om de poort binnen te komen, is een kaartje niet genoeg. Ik moet ook mijn paspoort laten scannen. Vooraf heb ik het nummer al moeten doorgeven. En blijkbaar heb ik een fout gemaakt bij Wil René. Hij moet zijn kaartje alsnog laten scannen. Dit ritueel herhalen we nog drie maal bij de toegang van verschillende onderdelen. Het is terrein is enorm. We wandelen 10 minuten om aan de andere kant te komen. We passeren vooral de muur, binnentuinen en veel groepen met gidsen. Ik merk dat ik nog niet onder de indruk ben, het sombere weer helpt niet. Uiteraard heb ik vooraf de vele mooie – zonnige- foto’s gezien. Daar baal ik toch wel van. Na het tweede checkpoint gaan we het Alcazar binnen. Vroeger het domein van de soldaten dat hoog boven de stad ligt. Vandaaruit kun je waarschijnlijk heel ver kijken. Ik ga de toren niet op – ik wil voorzichtig zijn met mijn heupen en het mooiste komt nog. Door de laaghangende bewolking is de verleiding van de toren ook niet zo groot.


De Nasrid paleizen vormen inderdaad het hoogtepunt. Prachtige bogen, pilaren, bewerkte muren en plafonds. De Arabische geschiedenis van het kasteel is hier in volle glorie zichtbaar. Enerzijds is het zo overdadig dat ik niet weet waar ik kijken moet, anderzijds is het niet nieuw. Ik zag deze kunst ook in Marrakesh en Fez. Toch blijft

het prachtig, indrukwekkend knap gemaakt en gerenoveerd. Ik zie foto’s van de ruïne die het Alhambra 100 jaar geleden was. Ook vandaag zijn er stukken afgesloten vanwege de renovatie. Ik weet (gelukkig) niet wat ik daaraan mis. Wat ik wel jammer vind, zijn al die mensen die het ook willen zien, en me voortstuwen door de zalen en gangen. Maar ik snap wel dat ze het ook willen zien.


Ik sla de tuinen over. Genoeg gelopen. Het rode busje brengt ons terug naar het centrum. Het spetteren gaat over in een beetje regenen. De verkopers bij de kathedraal brengen hun

uitgestalde spullen snel naar binnen. Het zijn dezelfde soort winkeltjes die we in de soeks van de toeristische steden in Marokko zagen. De regen begint steviger te vallen en de gladde straatstenen  worden een uitdaging. Zo glad en oneffen. Na drie pogingen vinden we een tafel in

een koffietentje. De eerste bodega ging net sluiten, in de tweede konden we alleen staand wat drinken, de zitplaatsen zijn voor eters. Na een uurtje met nog steeds regen, vragen we of ze taxi voor ons kunnen bellen. Helaas na een aantal pogingen is het antwoord dat er geen taxi’s beschikbaar zijn. Iedereen wil nu een taxi. Er zit niets anders op dan nog 10 minuten naar een metrohalte te lopen. Ik trek mijn muts over mijn hoofd, mijn handen in mijn mouwen en loop mopperend de grootste plassen te ontwijken. Desondanks worden mijn broek en schoenen donkerder van al het water. Eenmaal terug bij de camper, zetten we de verwarming aan en stroop ik de natte kleren van mijn lijf. Ik heb het erg koud gekregen. Het is buiten nog maar 10 graden. Wel heb ik vandaag bijna 15.000 stappen gezet. Een record!


Tegen middernacht wordt het droog. De voorspelling voor morgen is droog, wel koud (13 graden max). Ik wil nog wel een keer door Granada dwalen, door de oude Moorse wijk. We regelen een nachtje extra op de camperplaats.


Als we opstaan is het 6 graden en de mist is nog dikker dan gisteren. Doen we er goed aan om te blijven? In grote delen van Spanje regent het vandaag. Het is kouder en natter dan in Nederland – het moet niet gekker worden. Rond de middag wordt het lichter. Jas en trui aan en we gaan weer

met de Metro naar het centrum. Dit keer met ieder een eigen kaartje. De oude Moorse wijk ligt op een heuvel tegenover het Alhambra. De wijk begint bij de poort van Elvira en daarna trap lopen.

Eerst 100 meter omhoog zwoegen terwijl de zon de mist en wolken oplost. De jas knoop ik al snel om mijn middel en zoek de schaduwkant van de straatjes op. We dwalen door Albaicín, het moorse stadsdeel met witte huisjes en smalle straatjes. We stuiten op de toeristische route. Iedereen wil naar het balkon van Sint Nicolaas waar je het Alhambra goed kunt zien. Ik ook. Om er een foto te maken.

Het is volgens mij de plek waar vrienden een foto maakten. En met die foto vroegen ze mij of ik ze

wilde schilderen. En de plek klopt. Ik vraag een andere toerist of ze de foto wil maken zoals het schilderij. Ik moet diep door mijn knieën om een vergelijkbaar plaatje te maken. Missie geslaagd.


Op het balkon zijn er muzikanten en straatverkopers. Het zorgt voor een relaxte sfeer. De verkopers hier dringen zich niet op.


Rustig wandelen we de heuvel af door de smalle straatjes. Af en toe een pauze op een bankje in de zon. Want hoewel het er heerlijk uitziet, komt de thermometer niet boven de 13. We scoren venkel in een biologische winkeltje – een groente die Spanjaarden blijkbaar niet veel eten, aangezien ze in de supermarkt niet te vinden zijn. Met wederom 12.000 stappen op de teller brengt de metro ons weer naar de camperplaats. Ik maak een venkelschotel.


Hier gaat het de komende dagen vaak regenen. Net als in het noorden en westen. Dus rijden wij weer richting oost waar het de komende dagen nog redelijk droog weer schijnt te zijn. En rijden betekent gelukkig ook zitten en mijn benen laten uitrusten. Dat is hard nodig. Mijn rug heeft zich trouwens goed gehouden.


Voetnoten

[1] De foto is van Nasa en de oppervlakte van het kassengebied is 480 km2 (vergelijkbaar met Texel)

[2] Stefan Brijs, Het geduld van bloemen, 2025.

[3] Fábrica del Pilar 

© 2026 Hellie van Hout

bottom of page